Examenvragen Flashcards Preview

Diervoeding > Examenvragen > Flashcards

Flashcards in Examenvragen Deck (24):
1

Bespreek de biologische eigenschappen van maiskuil (Weende analyse)

Weende analyse: 100% = vocht + RV + RE + RC + OK + RAS

Vocht: veel vocht 65%
RV: arm
RE: arm
RC: veel
OK: veel zetmeel
RAS: heel arm aan mineralen

Heel veel bestendig zetmeel
= interessant voor runderen want uit pensbestendig zetmeel kan rechtstreeks glucose gevormd worden terwijl pensonbestendig zetmeel in de pens omgezet wordt tot proprionzuur (maar te veel = risico op tympanie)
Niet interessant voor monogastica want fermentatie te veel zetmeel = risico op gaskoliek en laminitis
Bestendigheid neemt af met de tijd

2

Een melkkoe kan maiskuil op 2 manieren verteren. Leg uit welke + gevolgen

Maiskuil bevat veel zetmeel
- pensonbestendig zetmeel - microbiële vertering in de pens (amylolytische bacteriën) levert propionzuur -> opname vanuit pens naar BB en zo naar de lever waar het gebruikt kan worden als gluconeogenetische precursor
- pensbestendigzetmeel - enzymatische vertering in de dunne darm -> enzymatische vertering mbv amylase uit de pancreas. Amylase breekt glucosebindingen (hydrolyse van zetmeel) -> dextrine -> amylase werkt verdingen om dextrine om te zetten in maltose -> word dmv maltase afgebroken tot glusoe -> opname in de bloedbaan

Bestendig zetmeel is dus gunstig voor rund want is een rechtstreekse glucosebron = energetisch interessanter

3

Spenen bij biggen

Spenen = overgang van moedermelk naar vast voedsel
- colostrum = rijk aan vet en eiwitten
- biggen zijn niet gewend aan vast voedsel met veel koolhydraten
- Overgang van dierlijke naar plantaardige eiwitten - lysine, methionine en tryptofaan = belangrijkste EAZ die vaak in relatieve overmaat aanwezig zijn in dierlijke eiwitten -> veel minder aanwezig in plantaardige eiwitten -> aanpassing
- Enzymatische activiteit van maagdarmkanaal is nog niet voldoende ontwikkelt -> overtollige KHD of eiwitten gaan naar de dikke darm en zijn daar een perfect substraat voor bacteriën -> diarree
- spenen = stress voor biggen (want nieuwe omgeving, zonder zeug) -> biggen eten nie tmeer -> anorexie -> dysbacteriose -> toxine productie -> speendiarree

4

Je komt bij een opfokbedrijf voor varkens en alle biggen hebben speendiarree. Geef 5 maatregelen die genomen kunnen worden, zowel voor en na het spenen als het voorkomen van speendiarree.

Maatregelen voor het spenen:
1) creep feeding; bijv. melkkorrel = vast voer al introduceren als biggen nog melk krijgen zodat ze hier al aan wennen en hun lichaam zich hieraan kan aanpassen
- bevat zuivelproducten, dierlijke eiwitten en vetten, geen moeilijk verteerbare KHD, moet smakelijk en goed verteerbaar zijn

Maatregelen na het spenen:
2) stress beperken -> door de groepen te behouden, verrijking etc
3) combinatie pre- en probiotica om gezonde darmflora te bevorderen
4) Zorg ervoor dat voer smakelijk is zodat biggen er graag van willen eten want veel opname is cruciaal om stressgerelateerd anorexie te beperken
5) Voedertechnische aanpassingen: zorg ervoor dat voeder een goede textuur heeft, vlot verteerbaar is, goed vochtgehalte

5

Leg de eiwitvertering uit bij het rund

Herkauwers kunnen 2 soorten eiwitten opnemen
- DVME = darm verteerbaar microbieel eiwit
- DVBE = darm verteerbaar bestendig eiwit

DVME wordt door MO in de pens afgebroken tot AZ -> AZ worden vervolgens afgebroken tot aminogroep en koolstofskelet.
- koolstofskelet: alpha-ketoglutaraat -> opgenomen in CZC of gluconeogenese
- aminogroep wordt gemetaboliseerd tot NH3. Deel ven die NH3 wordt gebruikt als stikstofbron voor de productie van microbieel eiwit/ ook ureum dat via speeksel in de pens komt kan gebruikt worden als N-bron -> fermenteerbare organische stof (= FOS = energie die vrijkomt voor de flora) wordt gecombineerd met onbestendige N-bronnen -> vorming microbieel eiwit -> DVME (FOS is dus de energiebron -> bij mais veel RC en weinig RE -> veel FOS)
Teveel aan N zal worden opgenomen door de penswand en naar de lever gaan -> NH3 wordt omgezet naar NH4+ -> ureumcylus (kost energie) -> vorming ureum (deels uitscheiding in melk en urine, deels via speeksel teruggevoerd naar de pens -> vorming ME)

Dus: endogene aanmaak van DVME -> DVME gaat door naar de dunne darm samen met DVBE -> samen DVE (darm verteerbaar eiwit)
- DVE wordt in het duodenum afgebroken tot AZ -> opname in bloedbaan
- faecaal eiwit blijft over en wordt uitgescheiden

6

Een kat is obligaat carnivoor. Geef 4 nutriënten waardoor een kat niet vegetarisch kan worden opgevoed en leg uit waarom.

Vitaminen
- kat kan geen vit A aanmaken uit provitaminen (carotenoïden) -> enkel aangewezen op dierlijke bronnen voor exogene opname: lever, eidooier, vis
- beperkte endogene aanmaak van vit D bij de kat -? aangewezen op exogene opname uit dierlijke bronnen -> visolie, eidooier melk

Essentiële vetzuren:
- Arachidonzuur, eicosapenteenzuur en docosahexeenzuur
- omzetting linoleenzuur naar EPA en DHA en omzetting van linolzuur naar arachidonzuur verlopen zeer inefficiënt

Essentiële AZ:
- Arginine -> specifiek voor de kat
- Arginine is belangrijk voor de detoxificatie van ammoniak ( en speelt een rol in de NO synthese) als een kat op een veganistisch dieet gezet wordt (= te weinig eiwitopname) zal het dier ammoniak niet meer kunnen detoxificeren -> kat zal zichzelf vergiftigen
- Koolhydraten: aanpassing aan KHD veel minder uitgesproken bij de kat in vgl met hond

7

Leg uit hoe een kat en een paard vanuit hun natuurlijke voeding worden voorzien in vitamine A. Wees zo specifiek mogelijk als het om de voedingsbronnen gaat. Leg ook de functies van vitamine A uit.

Paard
- Endogene aanmaak vanuitprovitaminen: carotenoïden -> bijv, B-caroteen in wortels, carotenen zijn ruim aanwezig in vers gras of maisgraan. Bij het drogen of inkuilen van gras gaat caroteen verloren

Kat
- exogene opname uit dierlijke vetbronnen: eidooier, melkvet, vis
- kan vit. A niet endogeen aanmaken en moet zijn vit A dus halen uit dierlijke vetbronnen

Functies:
- anti oxidant
- lichtperceptie en nachtzicht
- belangrijk voor integriteit en instandhouding van epitheel en slijmvliezen
- associaties met vruchtbaarheid en immuniteit

8

Er zijn 2 belangrijke gevaren bij koeien tijdens de transitieperiode. Hoe kunnen deze gevaren vermeden worden door daarop in te spelen met nutriënten tijdens de droogstand? Geef een zo duidelijk en specifiek mogelijk antwoord

Transitieperiode koeien = overgang van droogstan naar lactatie
1)Pensacidose
- kan voorkomen bij koeien die pas afgekalf zijn, omdat penspapillen nog niet de kans gekregen hebben om zich aan te passen aan de grote hoeveelheid krachtvoer (grote hoeveelheid krachtvoer want veel energie nodig voor hoge melkproductie) -> meeste risico op pensacidose tijdens lactatiepiek want dan wordt krachtvoer echt doorgevoerd
- pensacidose in geval van overmatige productie vluchtige VZ dus bij overaanbod aan KHD (te veel krachtvoer, te abrupte overgang) -> VVZ stapelen zich op -> pens wordt zuurder en zuurder -> G- bacteriën moeten plaats maken voor lactobacillen -> productie van grote hoeveelheden melkzuur -> pH daalt nog meer -> pensacidose
2) NEB
= energieconflict bij melkkoeien op het einde van de dracht want dat is de periode waarin het kalf het sterkst groeit en moeder het minst eet door grote omvang van de baarmoeder (drukt op darmen -> 'gutfill') -> energie tekort bij moeder tijdens vroege lactatie

9

Bespreek het droogstandsrantsoen

- moet smakelijk zijn, koeien moeten er voldoende van kunnen opnemen
- pensvulling is belangrijker dan samenstelling van rantsoen! -> meestal vezelig rantsoen (vezel zorgt voor vulling, neemt ruimte in, dieren gaan minder eten van vezelrijk rantsoen want sneller verzadigd gevoel), maar dat zorgt ervoor dat de pens onvoldoende ontwikkelt
- pensepitheel moet zich kunnen voorbereiden zodat het tijdens de lactatie voldoende vluchtige VZ kan opnemen zodat die naar de lever kunnen gaan als precursor voor de gluconeogenese. Zekere hoeveelheid krachtvoer nodig in droogstandsrantsoen ter voorbereiding op grote krachtvoergift tijdens de lactatie -> zetmeel & suiker
- Ca en KAB laag houden!!!!
Als KAB laag (liefst <1) is zal Ca beter gemobiliseerd kunnen worden (ook voldoende MG nodig voor mobilisatie van Ca; PTH-vit D systeem)
Laag Ca-gehalte: je maakt koe gewend aan 'schaarste' -> koe zal PTH makkelijker aanspreken voor mobilisatie = nuttig tijdens de lactatie
Mais en stro laag in Ca en lage KAB maar ontzettend arm aan eiwit! -> gras voederen want hoog eiwitgehalte, maar hoge Ca en KAB, dus balans vinden
- gras voeren met aanvullend krachtover of mineralen-mengeling geven rijk aan MG, Ca-arm, lage KAB

Voldoende eiwit noodzakelijk met positieve OEB

Transitiebrok geven tegen het einde van de droogstand (hoger in VEM en RE)

10

Je wordt al DA gevraagd als gastspreker om uitleg te geven over EAZ in biggenvoeding. Maak gebruik met de metafoor van de ton

Alle AZ zijn biologisch essentieel. Slechts 8 AZ zijn diëtisch essentieel.
Valine, methionine, isoleucine, leucine, tryptofaan, fenylalanine, lysine, THREONINE

Een ouderwetse waterton. Je kunt hem maar vullen tot de laagste plank. Die laagste plank = limiterende AZ. = het AZ waaran het snelst een deficiëntie aan ontstaat

11

Er wordt in een dierentuin gevreesd voor Cu deficiëntie. In het voer zit 1,4 mg Cu per kg. Ze willen 10mg Cu per kg. Hoeveel koper (870 mg/kg) moet worden bijgesupplementeerd?
a) 100 g
b) 10 g
c) 1 g
d) 0,1 g

10- 1,4 = 8,6 mg / kg erbij

Supplement bevat 870 mg/kg -> 0,870 mg/g
8,6/0,87 = 9,89 -> 10 gram

12

Wat zijn de symptomen die je verwacht bij koperdeficiëntie?

- anemie
- beengebreken (collageenvorming)
- cardiovasculaire stoornissen
- neonatale ataxie (swayback)
- koberbril en afwijkende vacht
- vruchtbaarheidsstoornissen

13

Er wordt diervoeding aangeraden met lage eiwit en fosfor gehalten bij senioren katten met nierproblemen. Welke eigenschappen van een voer zijn het meest 'niervriendelijk'? (3 voeders waarvan je eiwit en fosforgehalten op DS basis moet berekenen)

Hoog fosfor en eiwitgehalt geeft problemen in de nieren
- te hoog eiwitgehalte geeft problemen doordat de afbraak van eiwitten zorgt voor de productie van ureum, wat uitgescheiden moet worden via de nieren -> als dit niet mogelijk is door nierproblemen -> intoxicatie
- te hoog fosforgehalte -> als nieren P niet voldoende kunnen uitscheiden -> secundaire hyperparathyroidie -> broze botten

14

Met welke componenten uit de weende analyse moet je rekening houden bij nierpatiënten? (kat)

- Het vochtgehalte is belangrijk want nieren houden de vochtbalans op peil door het vasthouden van vocht of het uitscheiden ervan afh van de behoefte. Als de nieren niet meer optimaal werken dan wordt er te weinig water vastgehouden in het lichaam. Normaal compenseer je dit door veel te drinken, maar katten zijn slechte drinkers.

- Ruwe celstoffractie is belangrijk want oude honden raken vaak geconstipeerd -> vezel zal zorgen voor normalisering en stimuleert het eten (meer RC ~ meer stoelgang)

15

Vezeltekort kan bij paarden leiden tot? Leg uit. Verschil met rund?

Vezeltekort bij paarden kan leiden tot gaskoliek of laminitis. Door het tekort aan vezel = gebrek aan structuur -> te snelle transit
- enzymatisch verteerbare KHD komen terecht in de dikke darm -> daar fermentatie = vezels uit ruwvoer worden afgebroken mbv bacteriën -> vorming vluchtzuren
- bij fermentatie komt gras vrij -> te veel aanbod = te veel omzettingen -> te veel gasproductie -> gasophoping -> koliek
- fermentatie van KHD in de dikke darm -> productie melkzuur -> zure pH in dikke darm zorgt voor afsterven van vele bacteriën waardoor endotoxines vrijkomen -> endotoxines kunnen geabsorbeerd worden in de bloedbaan -> circulatiestoornissen in de dermis -> laminitis

Rund:
- bij rund in de pens ipv dikke darm

16

Welke klasse van onverzadigde VZ zijn dietisch essentieel voor vertebraten en waarom?

Omega 3 en omega 6 VZ
- zijn onverzadigde VZ en zijn essentieel omdat zoogdieren geen onverzadigde vetten kunnen maken met een dubbele binding voor n-9

17

Welke zijn de moedermoleculen van de 2 klassen van PUFA's? Welke moleculen kunnen er verder aangemaakt worden vertrekkende van deze moedermoleculen? Diersoortverschillen?

Omega 6 = pro inflammatoir
- linolzuur -> arachidonzuur
Omega 3 = anti - inflammatoir
- linoleenzuur -> EPA en DHA

omzetting zeer inefficiënt -> daarom arachidonzuur, EPA en DHA ook essentieel bij carnivoren

18

Noem 5 algemene symptomen van een PUFA deficiëntie

1) vertraagde groei
2) schilferige huid
3) meer gevoelig aan infectie
4) nierschade
5) fragiele capillairen

19

Bespreek vezels in de voeding van drachtige zeugen

Het is belangrijk dat zeugen niet te veel vervetten want dat bemoeilijkt de geboorte van de biggen + geeft problemen met de opstart
- vervetting vermijden door vezelrijk en vetarm voeder -> door vezel sneller verzadigd gevoel (drachtdieet = vezelrijk en sober)
Bedektzadigen (gerst, haver, spelt) zijn rijk aan RC -> veel gebruikt in krachtvoeder voor drachtige zeugen

Vezelrijk voeder zorgt ook voor minder sterotypieën en agressie doordat het zorgt voor een verzadigd gevoel

20

bespreek de toepassingsmogelijkheden van vezels in de voeding van zeugen rond de partus

Late dracht = veranderende nutritionele behoefte _> meer energie nodig, maar minder opname want volume-innemend effect van de baarmoeder zorgt voor gut fill + stress bij de geboorte -> beste optie = transitievoer want van drachtvoer naar lactatievoer = overgang van vezelrijk naar vezelarm
- bijvoedering glucose (niet te lang en niet te veel)
- te weinig vezel = risico op constipatie of dysbacteriose want vezels bevorderen de darmbewegingen en de consistentie van de darminhoud

21

Noem 5 verschillende vezels en klasseer zelf in volgorde van verteerbaarheid voor de zeug. Terug te vinden in de RC fractie van de Weende analyse?

NSP = non starch polysaccharides = verzamelnaam voor vezels
- oplosbare vezels: pectine, bietenpulp
- onoplosbare vezels: cellulose, hemicellulose, lignine

Bietenpulp> pectine > hemicellulose > cellulose > lignine

RC fractie weende analyse = ADF = cellulose en lignine

22

Een groep melkkoeien is uitgebroken en heeft zich tegoed gedaan aan een voorraadbak maisgraan. Twee koeien zijn acuut opgelopen (penstympanie). Enkele andere dieren krijgen 2 dagen later klauwproblemen. Bij de volgende melkmeting is het vetgehalte in de tankmelk gezakt. Wat gebeurt er in de pens van deze dieren en hoe kan dit deze symptomen verklaren?

Penstympanie = ophoping van gassen in de pens
Klauwproblemen: klauwbevangenheid

Maisgraan bestaat uit veel bestendig zetmeel, weinig RC, dit zal allemaal de fermentatie in de pens bypassen en terecht komen in het duodenum waar het enzymatisch verteerd wordt -> verstoorde penswerking

Te weinig RC (gebrek aan structuur) heeft gevolgen voor de pens:
- RC stimuleert penscontracties en vertraagt de transit.
Door het gebrek aan structuur worden de penscontracties dus stilgelegd en gaat de transit te snel -> de penscontracties dragen bij tot het afvoeren van de gevormde gassen in de pens -> geen penscontracties = geen afvoer van gevormde gassen = opstapeling. Door de vertering van het onbestendige zetmeel dat in maisgraan zit worden die gassen geproduceerd.

Klauwproblemen kunnen later ontstaan door de productie van endotoxines in de pens als gevolg van de verstoorde microbiële flora.

23

Bespreek de functie van Ca in het lichaam, deficiëntie bij het rund en de hond.

Calcium functies:
- mineralisatie van beenderen
- bloedstolling
- spiercontractie
- activatie van enzymen

Bij het rund leidt een tekort tot hypocalcemie -> vooral een paralytisch beeld
- belangrijkste teken is dat koe zal neerliggen op de grond in auto-auscultatie houding
- dier gaat minder eten
- uteruscontracties gaan minder goed
- vertraagd reactievermogen
- vertraagde bloedstolling
- komt vaak voor als gevolg van de NEB bij de overgang van droogstand naar lactatierantsoen

Bij de hond leidt een tekort tot eclampsie -? vooraal een excitatie beeld
- vertraagd reactievermogen
- vertraagde bleodstolling
- komt vooral voor tijdens de lactatiepiek -> tevenmelk is in vergelijking met koeienmelk veel rijker aan Ca, moeten enkel voor hun eigen pups zorgen (en geen topmelkproductie leveren) zullen pas later een Ca tekort gaan ervaren

24

Geeft 2 redenen waarom tarwe een lagere netto-energie inhoud heeft bij runderen dan bij varkens (welke energieposten verschillen?)

Energieverlies via gassen en fermentatiewarmte = verwaarloosbaar bij varkens + meer energieverlies door kauwarbeid bij rund

Varken krijgen uitsluitend krachtvoer terwijl runderen vooral ruwvoer krijgen aangevuld met krachtvoer -> varkens krijgen meer vet en KHD = energetisch efficiënter (k is hoger-> k= netto energie/ metaboliseerbare energie)

Tarwe = rijk aan zetmeel, minder bestendig zetmeel -> vertering van onbestendig zetmeel levert bij runderen vooral propionzuur en bij varken vooral glucose -> energetisch efficiënter