Geneeskunde 1A HC week 3 Flashcards

1
Q

Welke 4 typen basisweefsel vormen ongedifferentieerde embryonale stamcellen?

A
  • Epitheel
  • Spierweefsel
  • Bindweefsel
  • Zenuwweefsel
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat is epitheel en welke 2 typen zijn er?

A

Grens tussen binnen- en buitenwereld (afsluitende laag tussen extern en intern milieu)
- Bedekkend epitheel
- Klierepitheel / secretoir epitheel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

In welke vormen komt bedekkend epitheel voor en beschrijf hoe deze eruit zien?

A

Eenlagig of meerlagig, daarnaast onderscheiden we ook:
- plaveiselepitheel: platte cellen dicht tegen elkaar
- kubisch epitheel: meer vierkante cellen
- cilindrisch epitheel: hoogte > breedte van de cel, kolommen naast elkaar

  • ook bestaat er nog overgansepitheel (in de blaas)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat is de oppervlakte van de huid en hoeveel % van het lichaamsgewicht vormt het?

A

Oppervlakte van 2/3 m^2 en ongeveer 15-20% van het lichaamsgewicht

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat zijn de 6 globale functies van de huid?

A
  • Bescherming tegen externe invloeden
  • Opvangen van signalen
  • Thermoregulatie
  • Metabole functies
  • Communicatie
  • Absorptie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Waarom is de bovenste laag van het epitheel van de huid verhoornd?

A

Het biedt extra bescherming tegen slijtage en uitdroging

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Uit welke 3 dingen bestaat de huid als je kijkt op micro-anatomisch niveau?

A

Epitheel, dermis en hypodermis/subutis

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Uit welke 2 dingen bestaat de huid als je histologisch gezien kijkt?

A

Epitheel en bindweefsel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Uit welke 4 soorten cellen bestaat epitheel?
Begin met degene die veruit het meeste voorkomt

A
  • Keratinocyten
  • Melanocyten
  • Langerhanscellen
  • Cellen van Merkel
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Wat zijn de 5 lagen van het epidermis (op volgorde) en wat is kenmerkend aan deze laag?

A
  • Stratum basale/germinativum: Hier ontstaan nieuwe keratinocyten vanuit stamcellen, 1 cellaag dik
  • Stratum spinosum: Keratinocyten in meerdere lagen aanwezig, migreren naar boven en kunnen nog delen
  • Stratum granulosum: Keratinocyten worden korrels (granula) en door afscheiding van keratine wordt de celkern aan elkaar gebonden en sterft hij af
  • Stratum lucidum: Keratinocyten versmelten en vormen een ondoordringbare laag, geen kernen meer zichtbaar
  • Stratum corneum: Bovenste laag epitheel, dode laag verhoornde cellen die afbrokkelt
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat gebeurt er bij de ziekte Psoriasis?

A

Gigantische aanmaak keratinocyten.
Verstoorde homeostase, bindweefselstructuren in het stratum spinosum, hoornlaag laat snel los, schilfering en bloedingen aan het oppervlak van de huid

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat doen keratinocyten voor de adhesiestructuren en d.m.v. welke verbinding bereiken zij dit?

A

Vormen door het keratinisatieproces een compacte eenheid die weinig stoffen doorlaat (naar onderliggend bindweefsel). Wordt gerealiseerd door sterke cel-cel verbindingen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Op welke manier zorgen desmosomen en hemidesmosomen voor stevige adhesie structuren in epitheel?

A

Desmosomen: Zorgen dat epitheelcellen strak tegen elkaar liggen door hun verbindingen van cadherines met intermediair filamenten (celspecifiek en in de huid is het keratine)
Hemidesmosomen: Verbinding tussen cytoskelet cel en ECM, zetten epitheel vast aan het bindweefsel.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat gebeurt er bij de ziekte epidermolysis bullosa?

A

Hemidesmosomen zijn niet functioneel, epitheellaag laat los van het bindweefsel en op het hele lichaamsoppervlak ontstaat blaarvorming

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat zijn de kenmerken van keratinocyten?

A
  • Cell renewal: opbouw van cellen uit stamcellen
  • Desmosomen zorgen voor samenhang en verbindingen
  • Nauwelijks tussenstof
  • Niet doorbloed
  • Opbouw in lagen (verhoorningsproces/keratinisatie)
  • Mate van ondoordringbaarheid van epidermis
  • Vitamine-D-productie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat zijn Langerhanscellen en wat is hun werking?

A

Dendritische cellen die met hun uitlopers een groot netwerk in het stratum spinosum vormen
Zijn een immunologische sensor: bij herkenning van een antigeen migreren ze van de epidermis naar een lymfeklier en fungeren als antigeen presenterende cellen (APC) voor andere lymfocyten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Wat zijn melanocyten en wat is hun werking?

A

Produceren melanine korrels die ze via exocytose uitscheiden. Keratinocyten nemen deze op en boven hun celkern vormen ze een cap voor bescherming tegen UV-straling (–> beschadiging DNA).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Wat zorgt voor een verschil in pigment bij mensen en wat niet?

A

Hier zorgt de mate voor melaninesynthese voor.
NIET de hoeveelheid melanocyten (die is bij iedereen gelijk)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Wat zijn cellen van Merkel en wat is hun functie?

A

Cellen die liggen in het stratum basale met een zenuwuitloper. Verantwoordelijk voor de tastzin.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Wat is het verschil tussen een dikke huid en een dunne huid?

A

Dikke huid: dikke laag van dode, verhoornde keratinocyten
Dunne huid: stratum lucidum ontbreekt, aanwezigheid van: haarzakjes, talgkliertjes en zweetkliertjes

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Wat gebeurt er bij een hematoxyline-eosinekleuring in de talgklier en wat in de zweetklier?

A

Talgklier: Talg is slecht aangekleurd door zijn hydrofobe lipiden, kernen zijn duidelijk aangekleurd
Zweetklier: Eiwitstructuren worden duidelijk aangekleurd

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Uit welke twee lagen bestaat de dermis van de huid en welke soorten bindweefsel zijn dit?

A
  • Papillaire dermis (boven): Losmazig bindweefsel
  • Reticulaire dermis (onder): Vezelig bindweefsel
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Uit welke 4 componenten bestaat bindweefsel?

A
  • Cellen
  • Vezels
  • Tussenstof / amorfe matrix
  • Weefselvloeistof
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Welke sensoren zitten o.a. in de huid die temperatuur, druk, pijn en tast waarnemen?

A
  • Lichaampje van Vater-Pacini: drukgevoelig
  • Lichaampje van Meissner: fijne tastzin
  • Cellen van Merkel: tastzin
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Q

Hoe kan de huid zorgen voor temperatuurregulering als het heel koud of heel warm is?

A

Kou: door bloedvaten die dicht onder het epitheel lopen af te sluiten of haren die vanuit het bindweefsel omhoog steken door kleine spierachtige structuren recht overeind zetten (overblijfsel evolutie)
Hitte: zweten, warmte afvoeren en afgeven aan de omgeving in de vorm van het afscheiden van vocht

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
26
Q

Wat is het fenomeen van Raynaud?

A

Als bloedvaten in extremiteiten worden afgesloten terwijl dit niet had gehoeven

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
27
Q

Welke verschijnselen treden op als de huid veroudert?

A
  • Huid wordt dunner
  • Hoornlaag wordt duuer
  • Papillen worden vlakker
  • Huid bevat minder collageen
  • Elasticiteit neemt af
  • Glycosaminoglycanen (GAG’s) verdwijnen –> slechtere binding met water
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
28
Q

Wat zijn de functies van bindweefsel?

A

Het geven van structuur en ondersteuning aan omliggende weefsels (vorm) en transport (door een gespecialiseerde matrix)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
29
Q

Uit welke 4 hoofdcomponenten bestaat bindweefsel?

A
  • Cellen
  • Vezels
  • Tussenstof
  • Weefselvloeistof
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
30
Q

Welke componenten van het bindweefsel behoren tot het ECM (extracellulaire matrix)?

A
  • Vezels
  • Tussenstof
  • Weefselvloeistof
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
31
Q

Wat bepaalt de eigenschap van bindweefsel en is er meer of minder ECM dan cellen?

A

De relatieve hoeveelheden van de 4 componenten

Er is altijd meer ECM dan cellen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
32
Q

Welke cellen komen oorspronkelijk uit het mesenchym/beenmerg?

A

Bindweefselcellen: fibroblasten, adipocyten, plasmacellen, lymfocyten, macrofagen, etc (de rest uit het bloed en lymfe)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
33
Q

Wat zijn de verschillen tussen fibroblasen en fibrocyten?

A

Fibroblast: produceert collageen, dus een prominent aanwezig ER, uitgebreid Golgi en veel mitochondriën
Fibrocyt: inactieve vorm van fibroblast, dus minder aanwezige en inactieve celorganellen, beetje cytoplasma met uitlopers, sterk gecondenseerde kern

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
34
Q

Welke typen vezels onderscheiden, waaruit bestaan ze en waar zorgen ze voor?

A
  • Collageen vezels:
    • Dik: collageen type I: weerstaan van trekkrachten en frictie
    • Dun: collageen type III: geven en behouden van structuur
  • Reticulaire vezels: collageen type III, sterk geglycolyseerd
  • Elastische vezels: elastine, flexibelheid
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
35
Q

Hoe verloopt de synthese van collageen type I?

A

Fibroblast scheidt collageen moleculen uit –> moleculen organiseren extracellulair, stapelen en vormen een fibril –> fibrillen bundelen tot vezels –> vezels bundelen tot bundels

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
36
Q

Wat is tussenstof en wat zijn de functies ervan?

A

Sterk gehydrateerd, kleurloos mengsel

Vullen van ruimte tussen vezels en cellen, viskeus karakter, barrière tegen indringers, diffusie mogelijkheid en reservoir voor groeifactoren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
37
Q

Wat zijn de macromoleculen die onderdeel uitmaken van de tussenstof?

A
  • Glycosaminoglycanen (GAG’s)
  • Proteoglycanen
  • Multi-adhesieve glycoproteïnen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
38
Q

Wat zijn GAG’s en waaraan kunnen ze goed binden?

A

Onvertakt en lang polymeer, opgebouwd uit repeterende disacharide eenheden. Belangrijkste is hyaluronan.
Sterk hydrofiel (goede binding met water)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
39
Q

Wat zijn proteoglycanen en welke structuur heeft het?

A

Eiwit kernstructuur waaraan GAG’s covalent zijn gebonden.
Soort WC-borstel met een steel proteoglycanen en haren GAG’s

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
40
Q

Wat zijn multi-adhesieve glycoproteïnen, welke rol spelen ze en wat is een belangrijk molecuul hierin?

A

Globulaire eiwitmoleculen met hieraan vertakte oligosachariden ketens covalent gebonden.
Belangrijke rol in de verbinding van matrixcomponenten.
Laminine: heeft 3 eiwitketens en kan binden aan receptoren, type IV collageen en heparaansulfaat en zit in het basaalmembraan.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
41
Q

Waarop lijkt de samenstelling van weefselvloeistof en waarom?

A

Bloedplasma
Ionensamenstelling en de aanwezigheid van diffunderende laag moleculair gewicht

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
42
Q

Welke functie heeft weefselvloeistof?

A

Transport van voedingsstoffen van bloed naar cellen en transport van afvalstoffen van metabole processen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
43
Q

Welke 2 krachten houden de weefselvloeistof op peil en hoe werken zij?

A

Hydrostatische (van pompen hart) en osmotische druk

HD zorgt voor druk in de overgang van arteriolen naar capillairen –> water met ionen wordt eruit gedrukt
HD neemt sterk af bij overgang van capillairen naar venulen –> OD > HD –> water met ionen wordt erin gezogen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
44
Q

Welke 3 bindweefsel types zijn er en welke soorten vallen hier weer onder?

A
  • Engere zin
    • Losmazig
    • Vezelig
      ~ Regelmatig
      ~ Onregelmatig
  • Gespecialiseerd
    • Vetweefsel
    • Elastisch
    • Reticulair
    • Muceus
    • Hematopoëtisch (bloed) en lymfatisch
  • Steunweefsel
    • Kraakbeen
      ~ Hyalien kraakbeen
      ~ Vezelig kraakbeen
      ~ Elastisch kraakbeen
    • Bot
      ~ Compact bot
      ~ Spongieus bot
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
45
Q

Wat zijn belangrijke kenmerken van losmazig bindweefsel en waar komt het voor?

A
  • In alle componenten komt het evenveel voor
  • Veel voorkomend
  • Biedt flexibiliteit
  • In structuren die onder druk staan, maar geen frictie (niet resistent tegen tractie)

Bijv. tussen spiercellen, epithelia, lymfevaten, in dermis, in mesenterium en in klieren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
46
Q

Wat zijn kenmerken van vezelig bindweefsel?

A
  • Minder cellen
  • Meer collagene vezels die een 3D structuur vormen
  • Kan goed tegen trekkrachten
  • Biedt weefstand en bescherming
  • Minder flexibel
  • Regelmatig en onregelmatig
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
47
Q

Wat is het verschil tussen regelmatig en onregelmatig vezelig bindweefsel en waardoor komt dit?

A

Onregelmatig biedt weefstand tegen krachten in alle richtingen, regelmatig alleen tegen krachten in 1 bepaalde richting. Dit omdat in regelmatig de collagene vezels parallel georiënteerd aan de fibroblasten liggen, er weinig tussenstof is en het slecht doorbloed is. Herstel is hierdoor moeilijker.
Pezen zijn een goed voorbeeld van regelmatig.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
48
Q

Wat zijn de kenmerken van elastisch weefsel en waar is het te vinden in het lichaam?

A
  • Bundels dikke elastische vezels (elastine) parallel georiënteerd
  • Ook dunne collagene vezels type III
  • Fibroblasten in afgeplatte, inactieve vorm
  • Elastine moleculen covalent gebonden
  • Gelig van kleur

Komt niet veel voor, wel in elastische banden in de binnenzijde van het wervelkanaal

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
49
Q

Wat zijn de kenmerken van reticulair bindweefsel en waar is het te vinden in het lichaam?

A
  • Vormt een reticulum (fijnmazig 3D-netwerk)
  • Bestaan uit sterk geglycosileerd collageen type III
  • Geproduceerd door reticulaire cellen
  • Ter ondersteuning van cellen en vloeistoffen
  • Omgeven door cytoplasma van reticulaire cellen
  • Sinus-achtige ruimten tussen reticulaire cellen en vezels (beweging cellen en weefselvloeistof)

Te vinden in hematopoëtische en lymfoïde weefsels

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
50
Q

Wat zijn de kenmerken van muceus bindweefsel en waar in het lichaam is het te vinden?

A
  • Aanwezigheid van veel tussenstof: hyaluronzuur
  • Gelei-achtig weefsel met weinig vezels (omdat hyaluronzuur goed water kan binden)

Zeer zeldzaam maar te vinden in de navelstreng en glasachtig lichaam van het oog

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
51
Q

Wat zijn de belangrijkste kenmerken van uniloculair (wit) en multiloculair (bruin) vetweefsel?

A

Uniloculair:
- 1 grote vet vacuole die de kern en het cytoplasma tegen het plasmamembraan drukken
- Functie is opslag van energie (triglyceriden), isolatie, bescherming en vormgevend element
- Wss functies binnen immuun- en endocrien stelsel
Multiloculair:
- Meerdere vet vacuolen
- Functie is warmteproductie: hierdoor veel mitochondriën en goede vasculatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
52
Q

Waarom is het hematopoëtisch (bloed) en lymfatisch stelsel bindweefsel?

A
  1. Bevat 4 hoofdelementen: cellen (rode, witte, etc), vezels (fibrogeen), tussenstof (serum componenten) en weefselvloeistof (bloedplasma)
  2. Voldoet aan regel: meer ECM aanwezig dan cellen
  3. Bestaan uit stamcellen, afgeleid van het mesenchym
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
53
Q

Wat zijn de functies van kraakbeen en wat zijn belangrijke kenmerken?

A
  • Weerstand bieden aan mechanische stress d.m.v. water
  • Ondersteuning zachte weefsels
  • Absorberen schokken/schuiven in gewrichten
  • Functie in uitgroei van lange botten

Het is avasculair (geen bloed), geen zenuwen en heeft geen lymfevaten –> slecht en langzaam herstel na schade

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
54
Q

Wat zijn de 3 verschillende typen kraakbeen?
Begin met degene die het meest voorkomt

A
  • Hyalien kraakbeen
  • Vezelig kraakbeen
  • Elastisch kraakbeen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
55
Q

Hoe ziet hyalien kraakbeen eruit en waar is het te vinden in het lichaam?

A
  • Blauw-witachtig en glazig (75% water)
  • Opgebouwd uit sterk geglycosileerd collageen type II

Bekleedt het oppervlak van bewegende gewrichten, grotere luchtwegen, gewricht tussen rib en sternum en epifysairschijven. Het is ook het tijdelijke skelet van een embryo.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
56
Q

Wat zijn kraakbeencellen, waar bevinden deze zich, waaruit zijn ze ontstaan en wat was hun oorspronkelijke functie?

A
  1. Chondrocyten
  2. Gegroepeerd in chondronen/isogene groepen in lacunes (holten) in de matrix van het kraakbeen
  3. Chondrocyten ontstaan uit chondroblasten in het perichondrium
  4. Perichondrium (collageen type I) levert via diffusie voedingsstoffen via het bloed
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
57
Q

Waaruit bestaat het ECM van hyalien kraakbeen en wat is de territoriale matrix?

A

Uit collageen type II gekoppeld met GAG (hyaluronan) en proteoglycanen.
Rond chondrocyten is de territoriale matrix, dit is ECM met alleen GAG en proteoglycanen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
58
Q

Waaruit is elastisch kraakbeen opgebouwd en waardoor wordt het omgeven?

A

Opgebouwd uit collageen type II met GAG en proteoglycanen en veel elastische vezels in het ECM.

Omgeven door perichondrium met bloed, zenuw- en lymfevaten

59
Q

Waaruit bestaat vezelig kraakbeen en waar ligt het in het lichaam?

A

Combinatie van hyalien kraakbeen en vezelig bindweefsel (graduele overgang hiertussen), bestaat dus uit collageen type I en bevat fibroblasten en fibrocyten.
Zijn tussenwervelschijven, ligament-bot hechtingen en symphysis pubis

60
Q

Wat is chondrogenese en wat zijn de stappen van het proces?

A

Vorming van kraakbeen uit voorlopercellen.
1. In mesenchym zitten mesenchymale cellen
2. Mesenchymale cellen ronden af en vormen chrondroblast-voorlopercellen
3. Voorlopercellen gaan delen
4. Chondroblasten produceren veel matrix –> ruimte tussen de cellen
5. Delen weer en vormen chondronen/isogene groepen

61
Q

Wat zijn de twee manieren hoe groei van kraakbeen plaatsvindt?

A
  • Interstitiële groei: van binnenuit –> chondrocyten delen en scheiden ECM-componenten uit
  • Appositionele groei: van buitenaf –> chondroblasten scheiden matrix-componenten uit, sluiten zich in en worden ook chondrocyten
62
Q

Wat zijn de functies van bot?

A
  • Steun
  • Bescherming
  • Beweging
  • Bloedcelvorming
  • Reservoir voor calcium en fosfaat
63
Q

Wat zijn de 4 componenten waaruit bot bestaat en wat houden deze in?

A
  • Gecalcificeerde ECM: bestaat uit osteoïd, collageen type I en tussenstof
  • Osteoblasten: produceren matrix appositioneel, geven osteoïd (kan binden aan Ca-ionen) af –> mineraliseert tot bot
  • Osteocyten: onderhouden het bot, heeft tight junctions en kanaaltjes (bloed/weefselvloeistof transport) met andere osteocyten en uitlopers waardoor scheurtjes worden opgemerkt
  • Osteoclasten: breken botten af (herstructureren) door verlaging van pH, ontstaan uit een versmelting van meerdere macrofagen (daarom meerkernig)
64
Q

Waaruit bestaat de bot matrix en de tussenstof hiervan?

A

50% uit anorganisch materiaal (calcium en fosfor)
Calcium en fosfor vormen gehydrateerd hydroxy-apatiet, met collageen type I vezels vormt het een ondoordringbare matrix.
Tussenstof wordt gevormd door proteoglycanen en glycoproteïnen

65
Q

Uit welke structuren bestaat matuur botweefsel en hoe gebeurt de aan- en afvoer?

A

Lamellaire structuren: kanaal van Havers met hieromheen concentrische ringen van botweefsel (osteocyten).
Aan- en afvoer gebeurt door canaliculi (uitlopers van osteocyten in lacunae), hierin ligt ook weefselvloeistof

66
Q

Wat is het periost en endost van bot?

A

Periost: vezelig bindweefsel dat bot omgeeft en een grote rol speelt bij groei en herstel na schade
Endost: dunnere laag vezelig bindweefsel aan de binnenzijde van periost wat voorlopercellen van osteoblasten bevat

67
Q

Op welke 2 macroscopische niveaus kan bot worden ingedeeld?

A
  • Compact: voornamelijk aan de buitenkant
  • Spongieus: voornamelijk aan de binnenkant
68
Q

Op welke 2 manieren kan bot worden ingedeeld op basis van groeifase?

A
  • Primair/immatuur/geweven bot (tijdelijk botweefsel, onregelmatig collageen-type-I-netwerk, weinig mineralen, veel osteocyten)
  • Secundair/matuur/lamellair bot
69
Q

Hoe verloopt het herstel van bot (als osteocyten doodgaan)?

A

Weefsel neemt dode osteocyten waar –> osteoclasten worden actief –> breken weefsel rondom de dode osteocyt –> aanvoer vanuit het periost van osteoblasten –> osteoblasten sluiten het gat met nieuw gemaakt osteon

70
Q

Welke twee vormen van osteogenese (botvorming) zijn er en voor welke soort botten is dit?

A
  • Intramembraneuze ossificatie: meeste platte botten
  • Endochondrale ossificatie: korte en lange botten (pijpbeenderen)
71
Q

Hoe vindt intramembraneuze ossificatie plaats?

A

Het mesenchym verdikt waardoor er een membraan ontstaat wat bot vormt

72
Q

Hoe vindt endochondrale ossificatie plaats?

A

Perichondrium stuurt verkalking tegen de buitenzijde van een kraakbeen mal aan. Chondroblasten hypertroferen (tekort voedingsstoffen) –> kraakbeen mal ingedrukt –> uit het perichondrium groeien bloedvaten en osteoblasten de kraakbeen mal in

Het ontstaat dus vanuit hyalien kraakbeen dat wordt omgezet in bot

73
Q

Waarvoor dienen epifysairschijven in de groei van botten en welke zones zijn hierin herkenbaar (begin dichtbij de epifyse)?

A

Ze dienen voor lengtegroei
- Rustzone: gebeurt weinig
- Proliferatie zone: cellen delen en stapelen en scheiden matrix af
- Hypertrofe zone: volumetoename van chondrocyten, kraakbeen wordt gevoed door diffusie van nutriënten
- Hypertrofische zone: gebied met te weinig voedingsstoffen en chondrocyten zwellen op, gaan dood en de afgezette matrix verkalkt

74
Q

Wat zijn de (bijzondere) kenmerken van het articulaire kraakbeen?

A
  • Wordt niet omgeven door een perichondrium
  • Krijgt voedingsstoffen uit synoviale vloeistof
  • Herstel via interstitiële proliferatie
  • Vangt schokken op en laat gewrichten soepel bewegen
  • Speciale manier van kraakbeenstructuren inbouwen: collageenvezels lopen tegen het oppervlak horizontaal en onderin tegen het bot verticaal
75
Q

Wat zijn de belangrijkste verschillen van de eigenschappen van bot en kraakbeen?

A

Kraakbeen: chondroblast, chondrocyt, lacune met chondron, 75% water, type II collageen, geen doorstromend bloed, weinig zuurstof, reparatie vanuit perichondrium, groeit interstitieel en appositioneel, weinig calcium
Bot: osteoblast, osteocyt, lacune met 1 osteocyt, 25% water, type I collageen, doorstromend bloed, veel zuurstof, ombouw vanuit periost, groeit alleen appositioneel, veel calcium

76
Q

Wat is een embryo en wat is embyrogenese?

A

Ongeboren vrucht
Ontwikkeling van één cel tot een menselijk lichaam door differentiatie

77
Q

Wat zijn de kiembladen van een embryo die ontstaan vanuit 3 basislagen (3-lagige kiemschijf)?

A
  • Endoderm: binnenbekleding van darmstelsel, longen, lever, maag en blaas
  • Mesoderm: skelet, spieren, nieren en hart
  • Ectoderm: epidermis (huid), zenuwstelsel en zintuigen
78
Q

Wat ontstaat er d.m.v. differentiatie uit somieten en wat uit kieuwbogen?

A

Somieten: wervelkolom en skeletspieren
Kieuwbogen: delen van de hals- en kaakregio

79
Q

Hoelang is de zwangerschapsduur en waarom is deze telling anders dan in de embryologie?

A

40 weken
Zij tellen vanaf de laatste menstruatie, maar het duurt daarna nog 2 weken tot bevruchting, dus in de embryologie duurt het proces 38 weken

80
Q

Welke stappen in de embryogenese vinden globaal plaats in week 1 t/m week 8 en wat is de embryonale periode?

A

Week 1: van eicel tot blastocyt/blastula
Week 2: ontstaan van tweelagige schijf
Week 3&4: aanleg bouwplan (3-lagige kiemschijf, aanleg en sluiting neurale plaat, krommingsproces)
Week 5 t/m 8: organogenese (vaak nog functieloss maar wel aangelegd)
Vanaf week 8: foetale ontwikkeling, embryonale bouwplan aanwezig

Embryonale periode is van week 3 t/m 8

81
Q

Wat gebeurt er in de eerste 4 dagen vanaf de bevruchting?

A
  • Bevruchting van de eicel waarbij om de cel een zone pellucida ontstaat (beschermlaag)
  • Versmelting tot 1 kern
  • Na zo’n 30 uur klievingsdelingen
82
Q

Wat zijn klievingsdelingen?

A

Delingen waarbij geen plasmagroei plaatsvindt –> dochtercellen zijn de helft zo groot als de oorspronkelijke cel

83
Q

Wanneer ontstaat een blastula en wat is hier anders aan (dan het klompje gedeelde cellen uit de bevruchte eicel)?

A

Na 5 dagen
Heeft een trofoblast, embryoblast (buitenste en binnenste cellaag) en een blastocystholte (water met zouten die door trofoblastcellen naar binnen zijn gepomt)

84
Q

Wat gebeurt er op dag 6 met de blastocyst en wat is hier het gevolg van?

A

Blastocyst ontsnapt (hatching) uit de zona pellucida en nestelt zich in de baarmoederwand
Hierdoor ontstaat in de trofoblast weefsel en cellen die niet naar binnen gaan blijven relatief ongespecialiseerd (embryoblast)

85
Q

In week 2 ontstaat de tweelagige schijf, uit welke typen cellen bestaat deze en waar liggen zij?

A

Hypoblast: laag richting de blastochystholte (ventraal)
Epiblast: laag richting de buikzijde (dorsaal)

86
Q

Wat zijn en hoe ontwikkelen de 3 holtes in week 2?

A

Amnionholte: ontstaan in de epiblast
Dooierzak: als de blastocystholte wordt bekleed met hypoblastcellen
Chondrionholte: om het embryo, volledig bekleed met extra-embryonaal mesoderm

87
Q

Hoe ontwikkelen de holtes die in week 2 ontstaan in week 3-8 verder?

A

Dooierzak: verkleint langzaam en vormt een primitief maagdarmstelsel
Amnionholte: blaast op met vruchtwater en omringt het embryo
Chorionholte: weggedrukt door de amnionholte en verdwijnt

88
Q

Hoe ziet het embryo aan het einde van week 2 eruit? (wees uitgebreid)

A

Tweelagige schijf
Bestaat uit epiblast (dorsaal) met daaraan de amnionholte. Ventraal hieraan een hypoblast met daaraan de dooierzak. Aan het geheel een hechtsteel die vast zit aan het chorion. Embryo is omringt door de chorionholte.

89
Q

Welke twee processen vinden plaats in de derde week en aan elke zijde van de primitiefknoop gebeurt dit?

A

Aan de caudale zijde vindt gastrulatie plaats en aan de craniale zijde vindt neurulatie plaats

90
Q

Hoe verloopt het proces van gastrulatie, benoem ook de transformatie?

A

Epiblastcellen delen via epitheel-mesenchym transformatie (gedeelde cellen komen los van weefsel en er is epitheliale transformatie (weefsel na deling groter en stulpt uit) –> dochtercellen komen tussen epiblast en hypoblast terecht –> vervangen eerst hypoblast door endotherm –> vullen daarna de tussenruimte op met mesodermcellen

91
Q

Op welke twee plaatsen blijft het embryo twee-lagig en welke structuren moeten hier later uit worden gevormd?

A

Oropharyngeale membraan: overgang van mond naar keel
Cloacale membraan: overgang van buitenkant naar binnenkant (bij keel en anus)

92
Q

Hoe ontstaat het neuroectoderm en notochord en wat blijft er over van de epiblast?

A

Aan de craniale zijde van de primitiefknoop ontstaat in het mesoderm de notochord met daarboven het neuroectoderm
Het deel van de epiblast wat geen neuroectoderm is geworden, heet vanaf nu ectoderm

93
Q

Hoe vindt de neurulatie in het neuroectoderm plaats?

A

Er vindt proliferatie plaats –> weefsel wordt verlengd/verdikt en er ontstaat een instulping waardoor een neurale plaat boven de notochord ontstaat. Cellen behouden hun epitheliaal verband.

94
Q

Wanneer vindt de sluiting van de neurale plaat plaats, tot wat vormt het zich en wat als dit niet zou gebeuren?

A

Week 4
Het vormt een buisstructuur, zonder dit ontstaat er geen epitheel

95
Q

Waar ligt de neurale lijst en wat ontstaat eruit in week 4 en via wat gebeurt dit?

A

Tussen de neurale buis en het ectoderm
Perifere zenuwstelsel
Via epitheel-mesenchym transformatie

96
Q

Wat is het krommingsproces en wanneer is het voltooid?

A

Verandering van het embryo van een drielagige schijn in een cilinder
Het is voltooid zodra de dooierzak met de hechtsteel versmelt

97
Q

Wat gebeurt er allemaal tijdens het krommingsproces?

A
  • Het buccofaryngeale membraan en hart klappen naar caudaal
  • Het buccofaryngeale membraan komt in contact met het stomodeum en vormt het membraan tussen mondholte en keel
  • De allantois komt samen met de primitieve darm (vormt uiteindelijk de blaas)
  • Het septum transversum komt tussen dooierzak en hart te liggen en vormt het diafragma
98
Q

Wat zijn de 2 processen waardoor differentiatie naar verschillende celtypen kan plaatsvinden en welke van de twee gebeurt veel in embryogenese?

A
  • Asymmetrische celdeling: omdat de twee helften van de originele cel verschilden
  • Inductie/via signaalmoleculen: omdat na de deling 1 vd 2 cellen in contact komt met (andere) signaalmoleculen

–> laatste proces vaak in embryogenese (bijv. notochord wat omliggend weefsel bestuurt en verschillende typen weefsels laat ontstaan)

99
Q

Waarom is er competentie nodig om inductie plaats te laten vinden?

A

Omdat alleen een bepaald soort bijv. ectoderm moet reageren op een prikkel om te differentiëren

100
Q

Hoe verloopt het proces van competentie, welke moleculen zijn hierbij betrokken?

A

Signaalmoleculen die competent zijn met de receptoren kunnen een signaaltransductieketen op gang brengen naar de celkern. Daar wordt d.m.v. (specifieke) transcriptiefactoren de differentiatie aangestuurd

101
Q

Waar zorgt een gradiënt voor?

A

De concentratie van een signaalmolecuul bepaalt de differentiatie (welke), want er is een klein spectrum van signaalmoleculen en er moeten veel verschillende weefsels vormen.
Het kan zelfs het verschil tussen een remmer en activator creëren

102
Q

Wat is de positionele identiteit en hoe kunnen belangrijke structuren ondanks mutaties toch ontstaan?

A

Het feit dat transcriptiefactoren bepalen wat en waar er iets wordt gemaakt.
Door meerdere specifieke transcriptiefactoren kan dit toch.

103
Q

Wat bepaald het Hox-gen en waar is het actief?

A

Bepaald de onderdrukking van de ribben. Het is actief in lumbale wervels, zodat daar geen ribben ontstaan.

104
Q

Wat gebeurt er in grote lijnen bij de ziekte van Pompe en is er een medicijn voor?

A

Glycogeenstapeling in lysosomen, vooral in spierweefsel wat leidt tot slappe spieren
Er zijn enzymtherapieeën die symptomen verhelpen/verbeteren maar deze zijn waanzinnig duur –> ontstaan van publieke discussies

105
Q

Welke 2 vormen van de ziekte van Pompe zijn er en wat zijn de kenmerken?

A

Aangeboren/klassiek infantiele: vanaf 3 maanden zichtbaar maar ontwikkeld in de baarmoeder
- Zeer slappe spieren
- Slipping trough: schouders verticaal en baby glijdt
tussen de handen door
- Head lack: hoofd kantelt naar achteren
Later ontwikkelde vorm
- Slapte rondom heup en schouders
* Gower’s manoeuvre: via knieën met de handen
omhoog komen
* Handen in de rug: minder spierkracht nodig als je
in de banden hangt

106
Q

Wat hebben zieke baby’s nodig en wat zijn opvallendheden?

A
  • Zuurstoftoevoer: slappe ademhalingsspieren
  • Sondevoeding: slikken kost teveel kracht
  • Sterk vergroot hart: door gestapeld glycogeen
  • Luchtwegeninfecties: hoesten kost teveel kracht
  • Motorische mijlpalen worden niet behaald
  • Zonder behandeling sterfte voor 1 jaar
107
Q

Hoe is de ziekte van Pompe goed op spierniveau te zien?

A

Veel donkere (glycogeenstapeling) en witte structuren (cellen in apoptose door glycogeenstapeling) in dwarsgestreept spierweefsel. Er is nauwelijks normaal dwarsgestreept spierweefsel over.

108
Q

Hoe vindt de ziekte van Pompe plaats op organelniveau?

A

De actieve vorm van enzym alfa-glycosidase ontbreekt of komt niet in het lysosoom terecht (omzetting glycogeen). In Golgi wordt er manose-6-fosfaat aan gekoppeld, waardoor het door het lysosomale membraan kan. Bij een fout in het glycosylerings-, modificatie- of vouwingsproces kan glycogeenomzetting niet plaatsvinden

109
Q

Wat zijn de twee vormen van de ziekte van Pompe op organelniveau?

A
  • CRIM- : geen enzymen in de goede vorm aanwezig, bijna geen antistoffen tegen ingebrachte enzymen
  • CRIM+ : wel enzymen in de goede vorm, maar niet werkzaam/niet op de goede plek, patiënt maakt veel antistoffen tegen ingebrachte enzymen
110
Q

Bij de ziekte van Pompe ontstaat ook stapeling in andere cellen, welke zijn dit en wat zijn de gevolgen hiervan?

A

In zenuwcellen. Op langer termijn afwijkingen in de witte stof –> langzamere prikkelgeleiding –> patiënt reageert langzamer.

111
Q

Uit welke 3 dingen bestaat de eerste barrière?

A
  • Mechanische bescherming
  • Chemische bescherming
  • Microbiologische bescherming
112
Q

Wat is de mechanische bescherming?

A

Eerste barrière van de afweer.
Door tight junctions kunnen indringers niet tussen cellen en ze krijgen niet de kans te nestelen door beweging van lucht en vloeistof (bijv. cilia en mucus)

113
Q

Wat is de chemische bescherming?

A

Eerste barrière van de afweer.
Bij veel epithelia is een zuur milieu of wordt door zouten, vetzuren, enzymen en antimicrobiële peptiden het milieu onaangenaam gemaakt voor indringers

114
Q

Wat is de microbiologische bescherming?

A

Eerste barrière van de afweer.
Microbiota bezetten de plekken voor eventuele indringers.

115
Q

Wat gebeurt er als pathogenen door de eerste barrière zijn gedrongen en welke cellen zijn hierin erg belangrijk?

A

Dan wordt een immuunrespons gestart.
Leukocyten en granulocyten spelen de hoofdrol.

116
Q

Welke granulocyten zijn betrokken bij de afweer en welke spelen een rol bij bacteriën en welke bij parasieten?

A

Afweer tegen bacteriën:
- Neutrofiele granulocyt
Afweer tegen parasieten:
- Eosinofiele granulocyt
- Basofiele granulocyt

117
Q

Wat zijn de eigenschappen van de innate respons?

A
  • Macrofagen hebben receptoren die antigenen kunnen herkennen, zijn gecodeerd het genoom
  • niet-klonale respons
  • snelle reactie
  • altijd in alle individuen
  • geen geheugen
  • herkent groepen pathogenen
118
Q

Wat zijn kenmerken van de innate immuunrespons en welke celtypen zijn hierbij betrokken?

A

Onmiddelijke reactie na optreden van een infectie, reactie is niet specifiek en geeft geen langdurige bescherming.
Granulocyten, macrofagen, eosinofiele granulocyten, mestcellen en dendritische cellen

119
Q

Wat zijn PRR’s en welke welke moleculen herkennen dit?

A

Pathogen Recognition Receptors, zij kunnen unieke moleculen van een pathogeen herkennen
Macrofagen herkennen het, raken geactiveerd en gaan het pathogeen fagocyteren

120
Q

Wat is het proces van fagocyteren?

A
  1. Macrofaag/granulocyt herkent een antigeen en wordt geactiveerd
  2. Er ontstaan cytoplasmatische uitstulpingen die een fagosoom vormen
  3. Fagosoom versmelt met een lysosoom (fagolysosoom)
  4. Pathogeen wordt afgebroken door fagosomale verzuring
121
Q

Wat zijn kenmerken van de adaptieve immuunrespons en welke celtypen zijn hierbij betrokken?

A

Het is een vertraagde respons, specifiek voor een pathogeen en heeft een immunologisch geheugen.
Betrokken zijn B-cellen (antistofproductie), CD8+ T-cel/-cytotoxische (virus-geïnfecteerde cellen doden) en CD4+ T-cel/-helpercel (antistof-vorming, cytokineproductie: stimulatie macrofagen en remming afweerreactie)

122
Q

Wat doen APC-cellen en wat doen andere cellen die hierbij betrokken zijn?

A

APC-cel neemt een pathogeen op (fagocytose) –> breekt het organisme af –> presenteert antigeenpeptiden op HLA II aan CD4+ (sommige herkenen deze receptor) –> CD4+ produceert cytokines –> B-cel, CD8+-cel en macrofagen worden gestimuleerd

B-cel had al contact met een vrij intact antigeen, CD8+ via APC-cellen met het antigeen op HLA-I (geïnfecteerd)

123
Q

Wat zijn de 5 typische kenmerken van een ontsteking?

A

Warmte, roodheid, zwelling, pijn en functieverlies

124
Q

Wat gebeurd er als een infectie leidt tot schade?

A

Dan worden omliggende cellen geactiveerd tot secretie van exogene of veranderende endogene moleculen. Deze worden herkend door de 2 afweermechanismen, waardoor een acute ontsteking ontstaat

125
Q

Wat zijn eigenschappen van de adaptieve repsons?

A
  • B- en T-lymfocyten hebben receptoren die door gerearrangeerde processen worden gevomd
  • klonale respons
  • heeft tijd nodig
  • verschillend per individu
  • toename door geheugen
  • specifieke herkenning
126
Q

Welke twee typen afweermechanismen zijn er en wat houden deze in?

A

Innate respons (aangeboren) en adaptieve respons (verworven)

127
Q

Waaruit bestaat het lymfestelsel?

A

Lymfevaten, lymfeklieren en organen zoals de amandelen, de milt, het beenmerg, etc.

128
Q

Waarin circuleren lymfocyten en waartussen vormen ze een brug?

A

Lymfe- en bloedvaten
Ze vormen de brug tussen innate en adaptieve afweer

129
Q

Waar bevinden APC-cellen, T-lymfocyten en B-lymfocyten zich?

A

APC-cellen komen via het afferent lymfevat
B-lymfocyten zitten in de buitenste rand van de cortex en in het merg
T-lymfocyten zitten onder de B-lymfocyten in de buitenste rand van de cortex en in het merg

130
Q

Wat zijn naïeve lymfocyten en wat zijn Ag-experienced lymfocyten en wat is de verhouding waarin ze voorkomen?

A

Naïeve lymfocyten zijn nog nooit met een antigeen in contact gekomen
Ag-experienced lymfocyten wel
Verhouding is 90% - 10%

131
Q

Hoe komen lymfocyten in de lymfeklieren en wat zijn andere plekken waar ze zich bevinden?

A

Via de hoog-endotheliale venule (HEV) door extravasatie van neutrofiele granulocyten, dit gebeurt door naïeve lymfocyten
De Ag-experienced cellen gaan uit de capillairen naar de weefsels
Ze kunnen ook van de ene lymfeklier naar de andere via het afferente lymfevat

132
Q

Wat zijn de twee ontmoetingsplekken van APC’s met lymfocyten en wat gebeurt hier?

A

De milt –> APC’s presenteren antigenen uit het bloed
Lymfeklieren –> door een ontsteking in de weefsels presenteren APC’s antigenen

133
Q

Wat is de overeenkomst en wat het verschil tussen HLA en MHC

A

Elk organisme heeft een MHC, het MHC van de mens heet HLA

134
Q

Hoe ziet een HLA-molecuul eruit?

A

Heeft een peptidebindende groeven waarin bepaalde antigenen passen.
(alleen bepaalde T-celreceptoren die hier precies op passen kunnen eraan binden)

135
Q

Wat is het verschil tussen HLA-I en HLA-II?

A

HLA-I presenteert aan CD8+ T-cellen
HLA-II presenteert aan CD4+ T-cellen

136
Q

Hoe verloopt de presentatie van HLA-I?

A

Via een geïnfecteerde lichaamseigen cel die eiwitten van de inbreker (virale) aan het synthetiseren is, deze eiwitten worden door proteasomen afgebroken en de cel presenteert de peptiden in HLA-I

137
Q

Hoe verloopt de presentatie van HLA-II?

A

Via APC-cellen. Na fagocytose ontstaat een fagolysosoom waar het pathogeen wordt afgebroken en peptiden worden gepresenteerd in HLA-II in T-helpercellen

138
Q

Wat is er nodig om de activatie van een CD4+ T-cel te starten?

A

Een passend peptide-T-celreceptorcomlex, co-stimulatoren en cytokines (door activatie van APC)

139
Q

Welke cellen kan een geactiveerde T-helpercel activeren en op welke manier?

A
  • Macrofagen: Deze differentiëren hierdoor tot T-helpercel type 1 of 2 (scheiden verschillende cytokines uit)
  • B-cellen: T-helpercel bindt aan HLA-I complex en produceert cytokines die de B-cel laat differentiëren tot kort-/langlevende plasmacel die antistoffen produceert of tot geheugencel die geen antistoffen produceert
140
Q

Wanneer kan een T-helpercel pas een B-cel activeren?

A

Als de B-cel voor stimulatie zelf al een antigeen heeft herkend –> B-cel heeft B-receptoren die aan het antigeen van de hele bacterie binden, deze wordt afgebroken tot peptiden die op HLA-I worden gepresenteerd

141
Q

Wat zijn antistoffen en wat doen ze?

A

Specifieke en flexibele adaptoren die bij een binding met een antigeen de werking ervan blokkeren/neutraliseren

142
Q

Wat is de secundaire respons?

A

Als een geheugencel in contact komt met een eerder tegengekomen antigeen, activeert het direct de antistofproductie
Het is sneller, genereert een hogere concentratie antistoffen en deze hebben een sterkere affiniteit (IgG i.p.v. IgM)

143
Q

Hoe wordt een CD8+ T0cel actief en hoe werkt het vervolgens?

A

Wordt actief door een binding met zijn specifieke recptoren aan het HLA-I complex van een geïnfecteerde lichaamscel.
Scheidt cytotoxische T-cel stoffen uit die lysis (vorm van celdood) van de geïnfecteerde cel als gevolg hebben (met perforinen en granzymen).

144
Q

Wat zijn mogelijke fouten in het immuunsysteem en wat is een voorbeeld van een ziekte hiervan?

A
  • Te zwak werkend immuunrespons (HIV)
  • Te sterk werkend immuunrespons (allergieën)
  • Verkeerd werkend immuunrespons (auto-immuunziekten)
  • Ongecontroleerd werkend immuunrespons (tumoren)