Geneeskunde 2B2 HC week 3 - 5 t/m 8 Flashcards

1
Q

Wat zijn kenmerken van een adaptieve immuundeficiëntie?

A

Snel infectieziekten/ontstekingen en ook dan best wel heel erg ziek –> snel longontstekingen of wondjes die maar bleven bloeden

Belangrijke dingen om uit te vragen:
- bijzondere rare kinderziekten
- medicijngebruik (veel ziekten zijn iatrogeen dus medicijngeschiedenis is erg belangrijk), of verlies aan immunoglobuilines
- familieanamnese
- symptomen: gewrichtsklachten, huidontstekingen, afvallen, diabetes, allergieën, hypogammaglobulinemie (<IgG), darmontsteking, BWI, paraneoplastisch syndroom (zoeken naar eigenlijk niks alleen dat zit er toch een tumor onder), met ook nog een laag albumine een verlies (als albumine hoog blijft dan geen verlies)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat zijn Inborn Errors of Immunity?

A

Oftewel immuundysregulatie: een term die gebruikt wordt om een defect in de afweer (en daardoor hogere kans op infectie), auto-immuniteit en auto-inflammatie samen te vatten (meer omvattend dan de term PID)
- >450 genen geassocieerd met PID in innate/adaptieve immuunsysteem, klassieke klinische kenmerk zijn infecties

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wat is het belangrijkste in de anamnese bij een adaptieve immuundeficiëntie?

A

Eigenschappen van de infecties die voorkomen:
- frequentie
- ernst
- verwekkers (opportunistisch of niet)
- leeftijd van ontstaan
- impact op dagelijks leven (werk/sociaal/school)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat zijn de incidenties van:
- CVID
- XLA
- IgA deficiëntie
- IgG subclass deficiëntie
- Hyper-IgM-syndroom
- SCID ?

A
  • CVID: 1:10.000-50.000, defect in B-cel/T-cel
  • XLA: 1:200.000, defect in Btk
  • IgA deficiëntie: 1:600, defect in B-cel/T-cel
  • IgG subclass deficientie: 1:70.000, defect in B-cel/T-cel
  • Hyper-IgM-syndroom: < 1:1.000.000, defect in CD40 ligand
  • SCID: 1:100.000, o.a. deficiëntie in ADA en PNP
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat zijn de kenmerken van een X-linked Agammaglobulinemie (XLA)?

A

Mutatie in het BTK-gen waardoor er een volledige blokkade in uitrijping van B-cellen is, hierdoor zijn B-cellen volledig afwezig en zijn er geen immunoglobulines
- soms penetratie niet volledig en kan Ig-spiegel <3 g/L voorkomen (meestal serum Ig 0.2 g/L en IgA en IgG <0.02 g/L), maar nooit B-cellen in de periferie
- diagnose vaak rond de 3-4 jaar door veelvuldig voorkomen van ernstige infecties: bacteriële infecties, otitis, sinusitis, pneumonie (door S. pneumonia en H. influenza)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat zijn de verschillende klassen van antistof deficiënties (CVID-spectrum aandoeningen)?

A
  • common variable immunodeficiency disorder (CVID): verlaagd totaal IgG met verlaagd IgA en/of IgM
  • IgG subklasse deficiëntie: normaal totaal IgG, verlaagde subklasse(n) IgG1-4, klinisch is IgG2 het meest relevant
  • selectieve antistofdeficiëntie (SCANDI): functioneel defect met normaal aantal immunoglobulinen (IgG en subklassen), maar gestoorde respons op vaccinatie met T-cel onafhankelijk antigeen (polysacharide non-respons)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat zijn de criteria om een CVID (common variable immunodeficiency) diagnose te stellen?

A

Groepen immunoglobulines zijn verlaagd (disregulatie van het immuunsysteem, ook met auto-immuniteit)
- begint bij >2 jaar
- slechte respons op vaccins, na 4 weken moet het toenemen
- andere oorzaken van hypergammaglobulinemie uitsluiten
–> liever de criteria aanpassen zodat je het in een vroeger stadium kan gaan diagnostiseren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat zijn de eigenschappen van CVID?

A
  • Het duurt zo’n 4-6 jaar voordat de diagnose gesteld wordt, piek incidentie in de 3e decade
  • familie geval in 20%
  • 20 jaar survival is bij mannen 67% en vrouwen 64% (populatie is 92-94%)
  • weinig tot geen huidinfectie of UWI (virussen worden vaak normaal geklaard)
  • vaker giardia lamblia, enterovirussen, noro, polio, ECHO, Coxsackie virus
  • weefselbeschadigingen (door herhaalde infecties) zorgen voor een ander spectrum van micro-organismen –> stafylococcen en pseudomonas infecties
  • meer kans op maligne lymfomen (7,7%) en gastrische carcinomen
  • veel vorming van steriele granulomen (granulomateuze CVID), bij 8-20% –> fibrotisering –> overleving sterk omlaag (11 jaar na diagnose)
  • vaak ontstekingen aan ogen, hier komen immunoglobulines niet (geassocieerd met +488 TNF-alfa allel met gestegen TNF-alfa niveau)
  • complicaties: terugkomende longontstekingen (>90%), bronchiectasis (34-44%), auto-immuunziekten (26%), granuomateuze ziekten (10%), maligniteiten (7%), gastrointestinale pathologie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Hoe is de behandeling van antistofdeficiënties en wat veranderd er als er granulomateuze complicaties zijn?

A
  • immunoglobulinen uit gezonde donoren (infuus of Sc): via i.v. (5-10g/100ml) of 1/2x in de week subcutaan (20g/100ml), wel bijwerkingen: nekpijn, hoofdpijn
  • langdurig antibiotica profylaxe om infecties te voorkomen
  • biologicals
  • beenmergtransplantatie
  • gentherapie
  • supportive care
  • behandeling voor comorbiditeiten
    –> belangrijk om NOOIT levende vaccins bij deze patiënten als ‘bescherming’ te geven

Behandeling bij granulomateuze complicaties (gemiddelde overleving nog maar 12-13 jaar):
- immuunsuppressie (tegen autoinflammatie): prednison/dexamethason, azathioprine/mycofenolzuur of rituximab
- immunoglobuline om lage Ab aan te vullen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Hoe uit auto-immuniteit zich in PID?

A

Auto-immuniteit gekenmerkt door auto-antistoffen, maar bij antistofdeficiënties zijn de antistoffen juist laag
–> theorie: de weinig antistoffen die nog gemaakt worden zijn in hoge mate autoreactief waardoor na infectie vaker autoimmuun verschijnselen optreden
–> bij bijv. XLA (bij helemaal geen antistoffen) zie je namelijk helemaal geen auto-reactiviteit

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat zijn complicaties bij PID?

A
  • allergie/atopie: dermatitis
  • maligniteiten door verstoorde uitrijping van hematologische ziekten
    ~ hematologisch: B-cel non-Hodgkin lymfoom
    ~ gastrointestinale maligniteit: maagcarcinoom geassocieerd met H. pylori infectie vanwege Ab-deficiëntie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Waardoor wordt de prognose van antistofdeficiënties bepaald?

A

Niet bepaald door infecties, want onder gebruik van antibiotica normale overleving
–> wel significante verslechtering bij niet-infectieuze complicaties zoals granulomen en lymfomen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat is het verschil tussen SCID en CVID?

A

SCID: B- en T-cellen werken niet

CVID: B-cellen rijpen niet goed uit, T-cellen zijn soms ook aan gedaan maar meer op laboratorium niveau, niet de typische ziekte die je krijgt bij SCID of HIV (daarbij is het veel erger)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat zijn de kenmerken van een IgA deficiëntie en wat is de definitie?

A

Heel veel mensen zijn niet echt ziek, maar als je het vind, moet je antistoffen tegen IgA bepalen, want anders vangen je antistoffen je eigen IgA weg en je een enorme reactie op bloedtransfusies kan krijgen (–> anafylactische shock)

Definitie:
- patiënt >4 jaar met serum IgA <0.07 g/L maar normaal serum IgG en IgM
- andere oorzaken van hypogammaglobulinemie zijn geëxcludeerd
- patiënt heeft een normale IgG antistof reactie op vaccinatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat zijn de kenmerken van een IgG subklasse deficiëntie?

A
  • < 10% van normale level of verminderde vaccinatie reactie
  • spectrum: variabel, terugkomende luchtweginfecties
  • kan overgaan in CVID

Specifiek per subklasse:
- Ernstige IgG1 deficiëntie gerelateerd aan andere subklasse deficiënties (voornamelijk IgG3)
- IgG2 is gerelateerd aan een IgA deficiëntie, gerelateerd met polysachariden
- IgG4 is geen immuundeficiëntie, remmende antistof (remt immuunsysteem) en kan bivalent worden (uit elkaar gaan), hierdoor groeien sommige tumoren harder als je veel IgG4 hebt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat is SADNI?

A

Selectieve antistof deficiëntie met normale immunoglobulines
–> hoog risico voor pulmonaire infecties en bronchinctasie (met onbekende oorzaak)
–> een deel reageert slecht op vaccinaties

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Wat zijn de kenmerken van een X-linked hyper-IgM (XHIM)?

A

Spectrum van terugkomende bacteriële/opportunistische infecties
- meest voorkomend is pneumocystis carinii pneumonia
- >50% heeft chronische of intermitterende neutropenie die vaak is geassocieerd met orale ulcera
- serum concentratie IgG is gewoonlijk <0.2 g/l
- IgM kan normaal of verhoogd zijn

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Wat zijn de klinische manifestaties van antilichaamdeficiëntie?

A
  • Ongecompliceerde virale infecties verschillen niet significant van de normale gastheer
  • Terugkerende periodes van etterige sinusitis, otitis media, bronchitis en longontsteking
  • Terugkerende huidinfecties suggereren een gestoorde functie van de neutrofielen
  • Infecties van het genitale urinewegstelsel lijken niet toe te nemen bij antilichaamdeficiënties
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Wat zijn de kenmerken van een meningokokken sepsis m.b.t. proteïne C en complement en wat is de iPS cell technology?

A
  • Proteïne C neemt af
  • complement neemt af
    –> direct starten met antibiotica!!

iPS cell technologie: stamcellen van patiënten afnemen en hiermee de binding van meningokokken bepalen –> essen-endotheel namaken
–> hypothese: mutatie (hebben mensen met grote trombocyten (macrotrombocytose) tijdens infectie) is omhoog bij de familie met veel meningokokken sepsis

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Wat is het verschil tussen perinatale hiv-infectie en hiv-infectie bij volwassenen?

A

Baby’s reageren er heel anders op (ook bijv. bij CMV en HBV infectie), komt door een andere virale load in het bloed en het immuunsysteem van kinderen is nog niet goed genoeg om dit soort virussen adequaat aan te pakken –> bij ouderen juist bij een chronisch virus continue druk op systeem en continu differentiatie en toename T-geheugencellen wat tot uitputting leidt (minder ruimte voor andere immuunfuncties)

Perinatale hiv:
- snelle progressie (maanden)
- pneumonie, sepsis, opportunistische infecties
- >50% mortaliteit in 2 jaar
- <5% long-term non-progressors

Bij volwassenen hiv:
- langzame progressie (jaren)
- pneumonie, sepsis, huidinfecties, candidiasis
- 40% mortaliteit in 10 jaar
- 5-15% long-term non-progressors

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Waardoor reageren kinderen anders op infecties dat volwassenen?

A

Immuunsysteem is kwalitatief en kwantitatief verschillend
–> niet slechter, alleen het ondergaat karakteristieke en meervoudige veranderingen gedurende het leven (dynamisch)

Op jonge leeftijd opbouw van immuunsysteem (waxing) en op latere leeftijd veroudering/afbouw (waning)

22
Q

Hoe verloopt de opbouw (waxing) van het immuunsysteem bij jonge baby’s m.b.t.:
- B-/T-lymfocyten
- T-celsubsets
- Antistofproductie in serum
- Immuuntolerantie
- Afweer
- Innate ?

A
  • B-/T-lymfocyten: toename van het aantal hiervan
  • T-celsubsets: verschuiving hierbinnen van meer naïef naar meer geheugen-cellen
  • Antistofproductie in serum: komt pas na enige jaren op volwassen niveau, dalspiegel IgG na ong. 6 maanden (transiënte hypogammaglobulinemie)
  • Immuuntolerantie: vanuit zwangerschap; Tregs omhoog, IL-10 omhoog, Th2, Th17 > Th1 –> zorgt voor een immuuntolerante staat (reageren niet zo actief op vreemde stoffen)
  • Afweer: extracellulaire pathogenen (Th2/Th17) zijn prima maar de intracellulaire pathogenen (Th1) zijn niet optimaal, weinig IFN-type-1 en TLR-stimulatie
  • Innate: produceert minder IFN-gamma en IL-12, maar meer IL-6, IL-23 en IL-1b
23
Q

Hoe verloopt de afbraak (waning) van het immuunsysteem bij ouderen m.b.t.:
- B-/T-lymfocyten
- neutrofielen, NK-cellen
- pro-inflammatoire cytokinen en auto-antistoffen
- differentiatie
- antistof repertoire en TCR repertoire
- vaccinaties ?

A
  • B-/T-lymfocyten: minder aantal en minder diversiteit
  • neutrofielen, NK-cellen: activiteit omlaag en ook minder TLR-signaling in innate cellen
  • pro-inflammatoire cytokinen en auto-antistoffen: productie omhoog
  • differentiatie: naar memory/effector cellen waarbij de functie en celdeling omlaag gaan
  • antistof repertoire en TCR repertoire: dalen + (oligo)klonale uitgroei van TCR-repertoire, verdwijning van CD28 (minder co-stimulatie) –> minder IL-2 productie (minder zelfondersteuning) + kortere telomeren (uitputting) –> verminderde celdeling (replicatieve senescence)
  • vaccinaties: succes bemoeilijkt door vertraagde immuunrespons en minder functie T-helpercellen, verlaagde serum antibiotica titers, snelle afname antibiotica titers en slechte serum conversies (mogelijk oplossen door adjuvantia, DNA-gebaseerde vaccins, TCL-antagonisten) –> de impact van persistente virussen kan dus groot zijn
    –> immune aging vs. succesvolle aging (centenarians) balans
    –> er komen specifieke eiwitten op het celoppervlak waaraan aging herkend wordt
24
Q

Hoe is de antistofproductie bij jonge kinderen en wat zijn de aspecten hiervan?

A

aantal B-lymfocyten is leeftijdsafhankelijk (zie afbeelding!), neemt vanaf jonge leeftijd toe en bij volwassen worden af (stabilisatie)
- eerste maanden nauwelijks Ig-productie, vooral de IgG van de moeder via placenta gebruiken (maternale antistoffen) en IgA via borstvoeding
- rond 6 maanden: transiënte hypogammaglobulinemie (dalspiegel IgG, 2 g/L), hierbij heel weinig IgG in het lichaam waardoor serum IgG gaat stijgen, hierna nemen ook IgM en IgA langzaam toe (duurt langer) –> hierdoor ook T-cel afhankelijke antigenen pas vanaf 4e maand opgebouwd
- serum IgG bereikt volwassen niveau bij leeftijd 4-8 jaar
- serum IgA is pas in puberteit tot volwassen niveau gestegen

–> prenatale infecties met rubella/CMV leiden tot hoge concentraties IgM antistoffen in navelstrengbloed (diagnostisch criterium)

25
Q

Hoe zijn de T-cellen en NK-cellen bij jonge kinderen en wat zijn de aspecten hiervan?

A

T-cellen: net als B-cellen een grote dynamiek:
- sterke toename eerste levensfase en stabilisatie op iets lager niveau, kinetiek veroorzaakt door CD4+ T-cellen (naïeve nemen meer in aantal af terwijl geheugen toeneemt en effectorcellen laag blijven)
- CD4/CD8-ratio vrij stabiel (ook CD8+ geheugen toename en naïeve afname)
- gemiddelde aantal TCRgd (gamma delta) blijft ook redelijk stabiel (soms uitschieters)

NK-cellen: in neonatale bloed relatief hoog maar gemiddelde is relatief stabiel

26
Q

Op welke manier kan het immuunsysteem op oudere leeftijd juist wel goed functioneren?

A

Bij een goede balans tussen pro-inflammatoire cytokinen (IL-1, TNFalfa) en anti-inflammatoire cytokinen (TGFbèta, IL-10)
–> hierdoor laaggradige chronische ontsteking dempen en ‘centenarian’ (100-jarige) worden, balans iets meer richting anti-inflammatoir, hierdoor ouder worden met minder schade

27
Q

Wat betekenen immune aging en immune senescence en welke relatie heeft dit tot vaccinaties bij ouderen?

A
  • immune aging: aanpassing (remoddeling) van het immuunsysteem door blootstelling aan interne en externa agentia gedurende tientallen jaren, hierdoor zijn ouderen minder goed in staat antistoffen bij een infectie te maken (griepprik minder succesvol)
  • immune senescence: functieverlies van het immuunsysteem door veroudering, hierdoor meer infecties, maligniteiten en auto-immuunziekten, ook de oorzaak van vaccinatie problematiek bij ouderen
    –> leidt tot continue antigene druk en continue verhoging van pro-inflammatoire cytokinen –> zorgt voor inflammaging (laaggradige chronische ontsteking) –> zorgt voor atherosclerose, Alzheimer en DMT2
28
Q

Hoe verloopt immune aging bij de innate, B- en T-cellen?

A
  • innate cellen: activiteit neutrofielen en NK-cellen omlaag + TLR-disregulatie van monocyten en macrofagen (vaccinatierespons omlaag en hyperrespons op virussen) –> verminderde respons tegen bacteriën en virussen en minder integratie tussen innate en adaptieve immuunsysteem
  • B-cellen: pro-voorloper B-cellen, pre-B II small voorloper cellen (pre BCR, IL-7R), naïeve B-cellen en folliculaire B-cellen omlaag (aanmaak vanuit beenmerg minder) + verschuiving in het BCR-repertoire zodat er selectief marginale zone B-cellen overblijven (meer auto-antistof productie)
  • T-cellen: thymus verkleint met de leeftijd en bestaat meer uit vervetting (thymus evolutie) –> lagere output van T-cellen dus meer kans op vroegtijdige deling van naïeve T-cellen en differentiatie naar geheugencel (T-cel verliest functie en proliferatie activiteit)
29
Q

Wat is het innate en adaptieve immuunrisicoprofiel?

A

Innate:
- verminderde activiteit neutrofielen en NK-cellen
- TLR-disregulatie monocyten en macrofagen

Adaptief:
- CD4/CD8-ratio <1; relatief meer CD8+ T-cellen (effectorcellen)
- verhoging aantal pro-inflammatoire cytokinen
- verhoging CD8+ CD28- cellen (CD8+ T-cellen die co-stimulatie van CD28 missen)
- CMV seropositiviteit: CMV-geheugencellen kunnen andere T-cellen verdringen (waarschijnlijk ook bij andere chronische virusinfecties)

30
Q

Hoe verloopt antimicrobiële therapie?

A

Eerst empirisch: rekening houdend met meest waarschijnlijke verwekker (niet per definitie breed spectrum)
Daarna gericht op de kweekuitslag, ook gevoeligheidsbepaling nodig om te kunnen stroomlijnen

Profylaxe geef je als er geen sprake is van een infectie, maar je deze wilt voorkomen, bijv.: postexpositie profylaxe na contact meningokok, ter voorkoming postoperatieve wondinfectie of de tetanusvaccinatie

31
Q

Wat bepaald de (empirische) keuze voor een antibioticum?

A
  • Focus van de infectie
  • Meest voorkomende verwekkers van deze infectie
  • Zijn er ‘oude’ kweekuitslagen (voor empirische therapie en door nieuwe kweekuitslagen stroomlijnen)
  • Beste toedieningsweg en dosering
  • Contra-indicaties voor bepaalde middelen
  • Kosten
32
Q

Wat is het focus van een infectie?

A

Waar de klachten vandaan komen, uitbreiding van de ziekte, lokaal/systemisch en doelorgaan
–> Bepaald welk middel maar ook de toedieningswijze (oraal, parenteraal, lokaal)
–> Hiervoor anamnese en soms beeldvorming nodig

33
Q

Hoe bepaal je de meest voorkomende verwekkers bij een infectie en wat zijn de voorwaarden voor genezing van infectie met een microbieel middel?

A

Kennis over de meest voorkomende pathogenen bij een infectie nodig en de empirische therapie hoeft niet perse breed te zijn

Voorwaarden voor genezing van infectie met een microbieel middel:
- Het middel moet voldoende de ontstekingshaard of het getroffen orgaan in voldoende mate bereiken –> farmacologische parameters (PK/PD)
- Het middel dient oorzakelijk micro-organismen te kunnen doden of de groei ervan te remmen (het moet ‘gevoelig zijn’)

34
Q

Hoe bepaal je de juiste toedieningsweg en dosering?

A

Afhankelijk van:
- Farmacokinetiek: processen die plaatsvinden met het antibioticum in het lichaam nadat het is toegediend (afhankelijk van vrijkomen uit toedieningsvorm, oplosbaarheid, afbraak door maagzuur/darmbacteriën, first-pass effect) –> bepalend voor wijze, duur en frequentie van toediening (plasmaconcentratie afhankelijk van absorptie, biologische beschikbaarheid (fractie van dosis onveranderd in circulatie))
–> Verdeling antibioticum over weefsels verschilt door antibioticum (oplosbaarheid in vet, binding plasma-eiwitten en weefsel-componenten) en gastheerfactoren (vascularisatie, natuurlijke barrière, mate van ontsteking)
- Farmacodynamiek: effect van antibioticum concentratieprofiel op de infectieverwekker over de tijd, MIC en MBC belangrijk
- PK/PD parameters
- Beschikbaarheid van formulering
- Nier-/leverfunctie
- Gewicht
- Het liefste oraal vanwege kosten en complicaties (bij ernstig ziek wel i.v.)

35
Q

Hoe werkt antimicrobiële therapie anders bij een abces?

A

Abces krijgt een veel mindere concentratie antibiotica dan in het serum –> bij een goed gevormd abces is antibiotica dus niet goed werkzaam
–> Komt door weinig O2 (anaeroob milieu) en lage pH
–> Om deze reden is vaak drainage nodig

36
Q

Wat zijn belangrijke farmacodynamische en farmacokinetische parameters?

A

Verschillende mogelijkheden, hangt van de situatie af wat optimaal is:
- %T>MIC: je wilt dat de antibiotica zo lang mogelijk werkt
- C_max>MIC: je wilt deze antibiotica met een hele hoge piek geven
- AUC>MIC
- Killingssnelheid
–> EUCAST bepaald welk micro-organisme bij welke MIC nog gevoelig kan worden genoemd, breekpunt is resistentie (o.b.v. in vitro en PK/PD data)

37
Q

Wat kunnen contra-indicaties voor bepaalde middelen zijn?

A
  • Nierfunctie
  • Allergieën
  • Bijwerkingen
  • Interacties
38
Q

Wat is de SWAB (stichting werkgroep antibiotica beleid)?

A

Beoogt kwaliteit van antibioticagebruik in NL en bijdrage leveren aan beheersing van resistentie-ontwikkeling en beperking van de kosten van antibioticagebruik
–> Hebben up-to-date richtlijnen wat wordt weergegeven in antibiotica boekjes (vaak per ziekenhuis gemaakt)

39
Q

Wat is het doel van het combineren van antimicrobiële middelen?

A
  • Verbreden van het spectrum: empirische therapie (bèta-lactam met aminoglycosiden)
  • Synergie (1+1=3): behandeling van ernstige infecties t.g.v. verminderde weerstand patiënt, infecties in slecht doorbloed weefsel (endocarditis) –> uitkijken voor antagonisme (tetracycline en penicilline)
  • Beperken of voorkomen van selectie en resistentie (tuberculose behandeling)
40
Q

Wat zijn bijwerkingen van antimicrobiële middelen?

A

NIET: het antibioticum werkt niet
WEL: ongewenst effect van het geneesmiddel –> hoewel selectieve toxiciteit van antimicrobiële middelen op de bacterie veel groter is, kunnen alsnog toxische verschijnselen in de gastheer optreden, heel breed spectrum:
- CZS (insulten)
- Beenmerg/bloed (leuko- en trombopenie)
- Gastro-intestinale toxiciteit (diarree)
- Renale toxiciteit (nierinsufficiëntie)
- Ototoxiciteit (n. VIII, vertigo en minder gehoor)
- Lever toxiciteit
- Clostridium difficile enterocolitis (overgroei in lumen colon die zorgt voor toxisch megacolon)

41
Q

Welke immunodeficiënties moet je hebben om extra gevoelig te zijn voor tuberculose?

A
  • IFN-γ (hoe een T-cel en macrofaag contact hebben) –> specifieke Aziatische PID die antistoffen tegen IFN-γ maken waardoor 50% binnen 2 jaar overlijd aan tuberculose
  • Co-infectie met HIV
  • Als je leeft in gebieden met veel TB incidentie
  • IL-12/IFN-γ pathway defect
42
Q

Wat is een immuundysregulatie (IEI)?

A

Immuundeficiënties werden vroeger als een losse categorie gezien, maar bepaalde gen mutaties kunnen tegelijkertijd ook auto-immuunziekten, auto-inflammatie en allergieën veroorzaken –> daarom deze term, ook kunnen comorbiditeiten een divers beeld van verschillende aandoeningen laten zien

43
Q

Wat is er aan de hand bij een DOCK8 deficiëntie?

A

Kan WAS (IgM laag, IgA en IgE hoog) veroorzaken, hierbij kunnen virale infecties en maligniteiten ontstaan (met name lymfomen)

44
Q

Wat is er aan de hand bij een STAT3 mutatie en bij een STAT6 mutatie?

A

STAT 3: kan CVID veroorzaken
- IgG en IgA zijn hierbij laag
- Kan toename van functie (auto-immuniteit) en verlies van functie (hormonen, osteoporose, infecties) veroorzaken
- Behandeling met immunoglobuline suppletie

STAT6: varianten in geconserveerde delen van DNA, hierbij werkt het te hard en is de darm veel gevoeliger voor bepaalde onderdelen uit voedsel, deze pathway (zie afbeelding!) moet dan geremd worden (met dupilumab)

45
Q

Wat is er aan de hand bij een autosomaal hyper IgE syndroom (HIES)?

A

Defecten in CD8+ T-cellen, natural killer cellen, B-cellen en dendritische cellen
- Symptomen: verhoogd IgE level, eosinofilie, eczeem, terugkerende luchtweginfecties, huidabcessen met stafylokokken, candida van mucosale oppervlakten –> complicaties zijn maligniteiten
- Behandeling: beenmergtransplantatie
- Soorten: DOCK8 deficiëntie of STAT3 mutatie

46
Q

Wat is een thymoom?

A

Normaliter blijft 10% van de thymus over na de pubertijd, maar bij een auto-immuunziekte wordt hij groter, dus: intrathoracaal gelegen tumor (in voorste mediastinum) geassocieerd met hypogammaglobulinemie
- Lymfoïde tumor die T-cel dysfunctie geeft
- Oorzaak is onbekend
- Er kan een neurologisch beeld bij ontstaan (auto-immuniteit tegen acetylcholine receptoren ontwikkelen): spierverslapping (50% dat het overgaat als je het thymoom eruit haalt)

47
Q

Hoe worden aan antigeen gebonden immunoglobulinen opnieuw gebruikt m.b.v. neonatale Fc-receptoren?

A

In het endotheel endosomen met neonatale Fc-receptoren (FcRn), deze endosomen verzuren waardoor het antigeen er af gaat en opgenomen kan worden door lysosomen, IgG gaat vervolgens terug de bloedbaan in
- Halfwaardetijd van IgG hierdoor 21 dagen i.p.v. enkele
- De FcRn is ook een target voor immuuntherapie, hoge doseringen IgG geven zorgt namelijk voor blokkade van FcRn waardoor er meer kans is dat toxische Ig eerder worden afgebroken, ook medicamenten tegen FcRn

FcRN zit niet alleen in endotheel en transporteert ook IgG transplantair van moeder naar foetus (nooit andere Ig dan IgG)

48
Q

Wat is het verschil tussen substitutie therapie en immuunmodulatie therapie?

A

Immuunmodulatie therapie is veel duurder, IgG is zo’n €70 per gram en bij hoge doseringen geef je zo’n 1-2g/kg lichaamsgewicht

49
Q

Hoe werkt CAR-T cel therapie bij Lupus (SLE)?

A

Bij Lupus is de B-cel de belangrijkste cel
–> Echter werken middelen tegen de B-cellen hier helemaal niet op
–> Echter werken CAR-T (CD19 dimeer receptor op T-cellen gezet) cellen wel bij lupus ondanks dat dit ook tegen B-lymfocyten werkt –> enorme verbetering met zelfs verbetering van de antistoffen

50
Q

Wat is de rol van AI in de genetica?

A
  • Verwachting om hiermee te kunnen kijken naar compenserende genen; iets zorgt er namelijk voor dat de ene patiënt er met dezelfde mutatie veel beter/slechter aan toe is dan de andere (verschil tussen genotype en fenotype)
  • Wordt gebruikt om diagnoses te stellen, bijv. biopten of radiologische afbeeldingen bekijken, bacteriën met nano-partikels bewerken, DeepCell blood analyse –> hierdoor virtuele patiënten creëren