H14: Het lymfevaatstelsel Flashcards

1
Q

Wat zijn de vier onderdelen van het lymfestelsel?

A

Vaten
Vloeistof
Lymfocyten
Lymfoïde weefsels en organen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Bespreek de lymfevaten

A

Netwerk begint in de perifere weefsels en eindigt bij verbindingen met de venen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Bespreek lymfe

A

Vloeistof die door lymfevaten stroomt. Het lijkt op bloedplasma maar bevat veel langere concentratie opgeloste eiwitten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Bespreek lymfocyten

A

B-lymfocyten: antistofgemedieerde immuniteit, specifiek
T-lymfocyten: celgemedieerde immuniteit, specifiek
NK-cellen: immunologische surveillance, aspecifiek

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat zijn lymfoïde weefsels?

A

Verzamelingen van los bindweefsel en lymfocyten in structuren die LYMFEFOLLIKELS worden genoemd.
Vb amandelen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat zijn lymfoïde organen?

A

Complexere structuren die grote aantal lymfocyten bevatten en die met lymfevaten zijn verbonden
Vb lymfeknopen, milt en thymus

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat zijn de algemene functies van het lymfestelsel?

A
  1. Productie, onderhoud en transport lymfocyten
  2. Terugkeer van vloeistoffen en opgeloste deeltjes vanuit perifere weefsels naar bloed
  3. Transport van hormonen, voedingsstoffen en afvalstoffen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Waar worden lymfocyten gevormd en opgeslagen?

A

In het rode beenberg en de thymus.
Opgeslagen in lymfoïde organen (milt)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat kan je vertellen over de terugkeer van vloeistoffen en opgeloste deeltjes vanuit perifere weefsels naar het bloed?

A

Doordat lymfestelsel het weefselvocht terugbrengt wordt de samenstelling van de interstitiële vloeistof overal in het lichaam constant gehouden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Hoeveel stroomvolume heeft lymfe dagelijks? Waarom is dat belangrijk?

A

3,6l/dag

Beschadiging van een groot lymfevat kan een snelle en dodelijkse daling van het bloedvolume veroorzaken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Hoe verloopt het transport van hormonen, voedingsstoffen en afvalstoffen in lymfe?

A

Sommige stoffen kunnen de bloedsomloop niet rechtstreek binnen. Die worden via lymfevaten naar de venen vervoerd. Oa de meeste vetten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Welke twee grote lymfevaten voeren het lymfevocht af naar de bloedsomloop? Wat is hun gebied?

A

DUCTUS Thoracicus
Rechterkant lichaam boven diafragma
Mondt uit in linker v. subclavia
DUCTUS lymphaticus
Al de rest
Mondt uit in rechter v. subclavia

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat is een lymfoedeem?

A

Als afvoer van lymfe vanuit een arm of been is geblokkeerd. De interstitiële vloeistof hoopt zich op in de ledematen waardoor deze gaan opzwellen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Welke typen lymfocyten zijn er en waarvoor staan de afkortingen?

A

B-lymfocyten: uit beenmerg
T-lymfocyten: uit thymus
NK-cellen: natural killer

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Bespreek B-lymfocyten

A

> Kunnen zich differentiëren tot plasmacellen die antistoffen (ook immunoglobinen) vormen.
Antistoffen binden zich aan antigenen (ziekteverwekkers, afwijkende cellen, lichaamsvreemde stoffen).
Het vormt een antigeen-antistofcomplex
Dat zet een keten van gebeurtenissen in gang die leidt tot vernietiging van het doelmolecuul/organisme
=> antistofgemedieerde immuniteit

10-15% van lymfocyten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Bespreek T-lymfocyten

A

Cytotoxische cellen die vreemde of geïnfecteerde cellen meteen aanvallen.
Celgemedieerde immuniteit.

80%

17
Q

Bespreek NK-lymfocyten

A

Leveren aangeboren, niet-specifieke immuniteit.
Vallen aan: vreemde cellen, geïnfecteerde cellen en tumorcellen.
Bewaken perifere weefsels voortdurend
=> Immunoserveillance

5-10%

18
Q

Geef twee voorbeelden van een lymfefollikel. Wat gebeurt er als binnendringers zich in een lymfefollikel vestigen?

A

Tonsillen (amandelen): bewaken toegang tot spijsverteringskanaal en luchtwegen
> Tonsillitis

Appendix: ophoping follikels aan de wand
> Appendicitis

19
Q

Bespreek lymfeknopen

A

Werken als waterfilters: zuiveren lymfe voordat deze het veneuze systeem bereikt.

  • Verwijdering van antigenen
  • Stimuleren van T-cellen en B-cellen
20
Q

Bespreek de thymus

A

Thymosine stimuleert delingen van lymfoïde stamcellen en rijping van T-cellen.
T-cellen migreren naar medulla en verlaten thymus via één van de bloedvaten.

21
Q

Bespreek de milt

A

Bevat de grootste hoeveelheid lymfoïd weefsel in het lichaam.
Werkt als waterfilter zoals lymfeknopen maar voor bloed in plaats van lymfe.

22
Q

Wat is het verschil tussen specifieke en niet-specifieke immuniteit?

A

Niet-specifiek
- Vanaf geboorte aanwezig
- Maakt geen onderscheid in bedreigingen

Specifiek
- Ontstaan als gevolg van blootstelling aan schadelijke stoffen of organismen
- Reageert op een infectie maar negeert andere bacteriën en virussen

23
Q

Wat zijn een aantal kenmerkende zaken van niet-specifieke immuniteit?

A

FYSIEKE BARRIERE
> Houden gevaarlijke organismen en stoffen buiten het lichaam

FAGOCYTEN
> Eerste lijn van cellulaire verdidiging: vallen micro-organismen aan vaak nog voor ze worden opgemerkt door lymfocyten.
1. Microfagen: neutrofielen en eosinefielen in het bloed
2. Macrofagen: stammen af van monocyten in het bloed

IMMUNOLOGISCHE SURVEILLANCE
> Voortdurende bewaking van gezonde weefsels. Vernietiging abnormale cellen door NK-cellen in perifere weefsels.

ONTSTEKINGSREACTIE
Gelokaliseerde respons op weefselniveau die de verspreiding van een verwonding of infectie tegengaat

KOORTS
Verhoging van lichaamstemperatuur die weefselmetabolisme en afweeractiviteit versnelt

24
Q

Welke soorten adaptieve immuniteit zijn er?

A

ACTIEVE IMMUNITEIT (blootstelling antigenen)
> Natuurlijke, verworven actieve immuniteit (blootstelling aan antigenen in omgeving)
> Geïnduceerde, verworven actieve immuniteit (na toediening van antigenen om ziekte te voorkomen)

PASSIEVE IMMUNITEIT (blootstelling antistoffen)
> Natuurlijke passieve immuniteit (overdracht antistoffen via placenta of moedermelk)
> Geïnduceerde passieve immuniteit (na toediening antistoffen om infectie te bestrijden)

25
Q

Wat is immunoglobine B?

A

Een antistof dat wordt aangemaakt bij grotere hoeveelheden of herhaaldelijk contact met het antigeen.

Grootste groep is IgG: verantwoordelijk voor weerstand tegen veel virussen, bacteriën..

Kan placenta passeren en passieve immuniteit verlenen aan foetus

26
Q

Wat zijn de verschillen tussen een primaire (eerste blootstelling) en een secundaire immuunreactie?

A

PRIMAIR
- Duurt even voordat antistoffen in bloedplasma verschijnen
- Trage toename antistoffen
- Beperkte hoeveelheid antistoffen
SECUNDAIR
- Zeer snel na besmetting antistoffen in bloed
- Snelle toename antistoffen
- Erg veel antistoffen