HC'S WEEK 6 Flashcards

1
Q

2 voorwaarden van geneesmiddelontwikkeling?

A

Organisatorisch
- kliniek vs industrie
Farmacologische eigenschappen
- werking vs bijwerking
- toediening/dosering

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat is therapeutische bandbreedte?

A

Het verschil in werkende dosering en toxische dosering van een middel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

2 typen bindingsplaatsen?

A

Klassieke: receptoren, enzymen, ionkanalen, transporter eiwitten
Ongewone: cytoskelet, DNA, RNA

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Kenmerken van ‘small molecules’?

A

Juiste molecuulgewicht
Juiste mate lipofiel en hydrofiel
Goed absorberend
Lang genoeg circulering in lichaam
Specificiteit bindingsplaats

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Op welke 3 farmacokinetische aspecten moet je letten bij dosering van een middel?

A

Opname
Biologische beschikbaarheid
Lengte halfwaardetijd

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Voordelen werken met antilichamen/siRNA tov ‘small molecules’?

A

Zéér specifiek
Minder kans op bijwerkingen
Sterk groeiende mogelijkheden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Nadelen werken met antilichamen/siRNA tov ‘small molecules’?

A

Oraal slecht/niet beschikbaar
Kans op immuunreacties die efficiëntie van het middel dempt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

2 redenen voor gebruik diermodellen?

A

Farmacokinetische factoren zijn niet te overzien in silico of in vitro
Effectiviteit en toxiciteit zijn moeilijk te voorspellen in silico en in vitro

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

2 basisprincipes klinische farmacologie?

A

Farmacokinetiek = wat het lichaam doet met het medicijn –> absorptie, distributie, metabolisme en excretie
Farmacodynamiek = wat het medicijn doet met het lichaam

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Factoren die invloed hebben op blootstelling van een medicijn zijn?

A

Ziekte gerelateerd
Lichaamskenmerken
Genetische factoren
Leefstijl
Orgaanfunctie
Co-medicatie
Lichaamsoppervlakte

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat houdt co-medicatie in?

A

Geneesmiddeleninteracties tussen verschillende medicijnen die tegelijkertijd worden ingenomen en elkaar dus kunnen beïnvloeden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat houdt Therapeutic Drug Monitoring (TDM) in?

A

Meten van geneesmiddelspiegels
Aanpassen dosering bij spiegel boven/onder streefwaarde
Per persoon kijken naar ideale dosis

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat zijn 2 toepassingen van monoklonale antilichamen?

A

Targeted therapie: tumor gericht
Immunotherapie: T-cel gericht

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat is de Breslow dikte?

A

Maat voor hoe diep een melanoom groeit

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Melanoom heeft 4 mogelijke opties om te metastaseren, welke?

A

Hematogeen
Lymfogeen
Satelliet metastase = rond primair melanoom
In transit metastase = tussen primair melanoom en eerste lymfklierstation van het melanoom

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat is het doel van de sentinel node procedure (SNP) bij melanoom stadium IB en hoger?

A

Bepalen van de prognose
Bepaling indicatie adjuvante therapie
DUS is GEEN therapeutische test/behandeling

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Op welke 2 momenten kunnen T-cellen van checkpoint inhibitie het melanoom aanvallen?

A

Bij priming fase: als T-cel aan dendritische cel bindt in de lymfeknoop
–> anti-CTLA-4 (ipilimumab)
Bij effector fase: als T-cel direct koppelt aan de kankercel
–> anti-PD-(L)1(pembrolizumab/nivolumab)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

2 ‘soorten’ uitstrijkjes?

A

Uitstrijkje vanwege klachten: beoordeling cytologische kenmerken
Uitstrijkje bevolkingsonderzoek: primair beoordeling van aanwezigheid hrHPV types, als positief dan beoordeling cytologie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Wat veroorzaakt cervixcarcinoom?

A

Humaan PapillomaVirus (HPV)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Genomische structuur van HPV?

A

LCR (Long Controlled Region)
- startpunt DNA replicatie
- transcriptie gecontroleerde elementen van enhancer en promotor
Vroeg gebied
- transcriptie van vroege genen: E1, E2, E4-7
Laat gebeid
- transcriptie van late genen: L1 en L2

21
Q

Welke 2 stofjes onderdrukken apoptose van de gastheercel?

A

E6 en p53

22
Q

Welke 2 stofjes onderdrukken de celcycluscontrole van de gastheercel?

A

E7, pRb

23
Q

Welk gen stimuleert de epidermale groeifactorreceptor (EGFR)?

A

E5

24
Q

Wat is E2F?

A

Een transcriptiefactor die de expressie van celcyclus genen reguleert

25
Q

3 stappen van HPV infectie?

A
  1. Stimuleren van de proliferatie van de gastheercel
  2. Virusreplicatie: E2 remt expressie E6 en E7 & activeert productie E1 (DNA helicase)
  3. Assemblage en export van viruspartikels: productie van L1/L2 en E4
    –> MAAR clearance van virus & geïnfecteerde cellen door het immuunsysteem
26
Q

2 redenen voor ontstaan cervixcarcinoom?

A
  1. Persisterende infectie
  2. Partiële integratie viraal DNA in genoom van gastheercel = kritische stap
    - circulair DNA > lineair DNA
    - E2/E4 afwezig waardoor permanente expressie van E6/E7 = proliferatie en immortaliteit = genomische instabiliteit = progressie naar kanker
27
Q

Hoe wordt HPV overgedragen?

A

Huid op huid
Huid op mucosa
Mucosa op mucosa

28
Q

Gevolgen van HPV infectie?

A

Asymptomatisch
Wratten: handen, stembanden, genitaal, anaal
Dysplasie
Carcinoom: cervix, vagina, vulva, anus, penis, huid, tong, nasopharynx

29
Q

Risicofactoren voor persisterende HPV infectie?

A

HPV infectie: aantal seksuele partners
Progressie tot kanker: persisterende hrHPV infectie, immuunstatus, roken

30
Q

Primaire preventie voor HPV infectie?

A

Veilig vrijen
Vaccinatie

31
Q

Verschil oncogeen virus en oncolytisch virus?

A

Oncogeen virus veroorzaakt kanker
Oncolytisch virus doodt kankercellen

32
Q

2 functies van oncolytische virussen?

A

Lytisch: kapot maken van de kankercel
Induceren van anti-tumor immuunrespons

33
Q

Wat zijn 3 kenmerken van het anti-tumor effect van een oncolytisch virus?

A

Directe oncolysse
Niet-specifieke immuunstimulatie
Aantrekken cytotoxisceh T-cellen

34
Q

Contra-indicaties voor virussen wel/niet geschikt als oncolytisch virus?

A

Te pathogeen voor de mens
Incorporatie in het genoom

35
Q

4 eisen voor veiligheid en effectiviteit van oncolytische virussen?

A

Veilig voor patiënt: niet ziekteverwekkend
Veilig voor omgeving: mens en dier
Veroorzaakt oncolyse van tumorcellen
Induceert/verhoogd anti-tumorrespons van de host

36
Q

Wat is attenuatie en hoe wordt dit bewerkstelligd?

A

= minder bijwerkingen (voor veiligheid)
- natuurlijk verzwakte stammen, minder pathogeen voor patiënt, gebruik van vaccin stammen
- virussen met andere ‘host range’ = animale virussen die mensen niet ziek maken

37
Q

Wat is de virulentie van een oncolytisch virus?

A

Hogere virulentie = meer tumor regressie OF ongevoeliger voor human immune respons DUS hogere effectiviteit van het virus

38
Q

Wat is ‘arming’ van een oncolytisch virus en hoe wordt dit bewerkstelligd?

A

Voor hogere effectiviteit & veiligheid
- inbouwen immuun modulator genen: IL-2, interferon, ICI’s, etc.
- inbouwen ‘cancer markers’: specifieke targeting voor tumoren

39
Q

Voordelen van NDV (Newcastle Disease Virus)?

A

Animaal virus: veroorzaakt geen ziekte bij de mens
Eenvoudig genetisch modificeerbaar
Effectiviteit bewezen in verschillende klinische trials

40
Q

Nadelen van NDV (Newcastle Disease Virus)?

A

Tot nu toe een lage effectiviteit
Virus is potentieel niet veilig voor omgeving (pluimvee)

41
Q

Hoe kan effectiviteit van NDV verbeterd worden?

A

Hogere virulentie = groter oncolytisch effect
- veranderen knip-site in fusie-eiwit
Stimuleren anti-tumorrespons of blokkeren van antivirale immuniteit
- inbouwen immuun-modulerende genen

42
Q

Wat zijn 2 definities van euthanasie?

A

‘Het opzettelijk levensbeindigend handelen door een ander dan de betrokkene, op diens verzoek’
‘Handelen van een arts dat het leven op diens nadrukkelijke verzoek beëindigd’

43
Q

Definitie van hulp bij zelfdoding?

A

‘De arts reikt euthanatica aan de patiënt, die deze zelf inneemt’

44
Q

2 morele standpunten van de Wtl (Wet Toetsing Levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding)?

A

Barmhartigheid = het goed willen doen voor een ander
Zelfbeschikkingsrecht = op verzoek van de patiënt

45
Q

3 manieren waarmee je technologie patronen aan kan leren?

A

Gesuperviseerd leren: veel voorbeelden met een label
Machine learning: kenmerken afleiden uit het beeld
Deep learning: hele beeld aanbieden

46
Q

Wat houdt generaliseerbaarheid in?

A

Hoe goed het model werkt op nieuwe, ongeziene data?

47
Q

Wat houdt selectie bias in?

A

Data moet de populatie waarvoor de tool bedoeld is zo goed mogelijk representeren

48
Q

Wat houdt een reductionistische benadering in?

A

Veel methodes gebaseerd op maar een deel van de klinische data