Idioom 8 Flashcards

1
Q

Van kinds af (aan)

A

Sinds je een kind was

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Het waard zijn (to be worth it)

A

Je verdient iets

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Je hart ophalen

A

Plezier hebben met iets

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Met volleyball teugen genieten van

A

Je echt insens geniet van iets

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Aan de slag

A

Je moet een taak starten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Baat hebben bij iets

A

Je hebt profijt van iets

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Op stap gaan

A

Je ergens naartoe wilt gaan om plezier te hebben of iets nieuw te ervaren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly