ORGAANPATHOLOGIE Flashcards

ORGAANPATHOLOGIE

1
Q

DE NIER

A
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Nier inleiding

A

⦁ Via A. renalis direct verbonden aan de abdominale aorta
⦁ Geen ophangband, vast aan peritoneale vet
⦁ Nier krijgt 20% van bloed van grote circulatie
⦁ In medulla: bloedvaten opengehouden door enorme lokale productie van prostaglandines
⦁ NSAIDS die prostaglandinesynthese remmen geven ischemie van de nier (evt necrose)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Volgorde

A

Glomerulustubulus contortuslis van Henleafvoergangennierbekkenureterblaas urethra

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Nefron

A

⦁ Functionele eenheid van de nier
⦁ Aftakking van de bloedvaten in de glomerulus ligt.
⦁ Albumine wordt tegengehouden omdat de filter – geladen is

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Proteïnurie

A

⦁ Schade aan de glomerulus
⦁ Albumine gaat door glomerulusfilter door glomerulusschade
⦁ Kleiner dus ook door de filter: Glucose, Natrium, Calcium
⦁ ALTIJD ALS ER GLOMERULONEFRITIS IS (door bv productie van pro-inflammatoire cytokines van macrofagen)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Tubulus contortus

A

⦁ Na de glomerulus
⦁ Pompen alle belangrijke stoffen terug naar het bloed
⦁ Epitheelcellen hebben receptoren voor de belangrijke moleculen en gaan deze afzetten aan de basale zijde
⦁ Hebben borstelzoom aan basale zijde (opp vergroting)
⦁ Cellen hebben veel mitochondriën (want pompen kost energie) Zeer gevoelig: kan voor tubulusnecrose zorgen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

De lis van Henle

A

⦁ Dient voor het concentreren van de urine
⦁ Doet enkel waterresorptie
⦁ Afvoergangen komen uit in nierbekken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Afvoergangen

A

⦁ Geen uitwisseling meer

⦁ Overgangsepitheel: moet rekbaar zijn + alle stoffen moeten in urine blijven

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Weetje

A

Bij de geboorte zijn er 3x meer nefronen dan nodig
Moest er iets mislopen kan er drukatrofie ontstaan en dit is gevaarlijk
Daarom kunnen we 2/3 van de niercapaciteit verliezen alvoor we nierinsufficiëntie krijgen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Glomerulus

A

⦁ Kluwen van capillairtjes`Gefenestreerd endotheel
⦁ Onder endotheel: basaalmembraan met daaronder podocyten (hebben celuitlopers met daartussen abasaalmembraan)
⦁ Poriegrootte van basaalmembraan bepaalt welke stoffen erdoor kunnen
⦁ In stroma: mesangiumcellen, macrofagen
⦁ Macrofagen: bij een slechte stof productie van pro-inflammatoire cytokines = Glomerulonefritis

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Neerslag ureum

A

⦁ Neerslag gefet klein molecuul dat diffundeert door bloed en weefsels
⦁ Ureum in cellen wordt door bacteriën gesplitst in ammoniak + CO2 Ammoiak interfereert met energieproductie mitochondriën blokkering van de energievoorziening in allerlei cellen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Nier na de dood

A

Nier na de dood ⦁ Tubulusepitheel cellen vervallen snel (want veel erergie nodig)
⦁ Postmortale hypostase: Als een dier sterft, ligt het meestal op een zijde, waardoor de ene nier meer bloed zal bevatten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Examen: welke zijn de complicerende letsels die je kan vinden bij uremie of bij nierinsufficiëntie (zelfde vraag)?

A

Er zijn complicerende letsels te vinden in heel veel verschillende organen, maar belangrijke organen zijn die plaatsen waar die omzetting tot ammoniak gebeurt. Dan krijg je lokaal het effect van ammoniak. Ammoniumhydroxide is een redelijk sterke base met een etsend effect. Ureum wordt gesplitst waar ureasevormende bacteriën zitten, zoals in de maag, waar je uremische gastritis zult vinden. Je zult ook uremische stomatitis vinden. Een van de complicerende symptomen is ook zenuwsymptomen, door het blokkeren van de energievoorziening van de neuronen, klinisch meest opvallend in het centraal zenuwstelsel.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Examen: wat weet je over het regeneratievermogen van de nier?

A

Als een nefron irreversibel beschadigd is, of geobstrueerd is door iets dat de passage gaat blokkeren, dan is het nefron uitgeschakeld en dat regenereert niet. Wanneer er in zo’n nefron tubulusepitheelcellen necrose ondergaan, kunnen die wel regenereren!

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Congenitale afwijkingen nier

A
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Hypoplasie – aplasie – agenesie

A

⦁ Hypoplastisch: niet is onderontwikkelt
⦁ Aplastisch: niet is niet aanwezig. Nier die wel ontwikkelt is zal groter zijn dan normaal
⦁ Ter compensatie van een milde nierinsufficiëntie kan er een matige hyperplasie ontstaan van de tubulusepitheelcellen. Dit wil zeggen dat de tubuli contorti langer worden, dat er meer tubulusepitheelcellen zijn. Er zijn niet meer nefronen
⦁ Corticale hypoplasie: Cortex in onderontwikkelt. Een normale ratio van cortex ten opzichte van is 0,6-0,7

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Ectopische implantatie van de ureters

A

(Ureter mondt normaal schuin uit in blaas)
Ureter mondt hier recht uit in blaas
De blaas staat onder druk, en om terugvloei te vermijden gaat de ureter schuin door de blaaswand, waardoor die dichtgedrukt wordt bij toename van de druk. Wanneer de ureter loodrecht door de blaaswand komt, wordt de druk doorgezet in de ureter, waardoor de wand hypertrofisch wordt. De druk neemt ook toe in de ductuli colligentes en de ducti contorti, waardoor er drukatrofie van het parenchym is van de nier.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Niercysten

A

Nefron zit dicht (bv door ontsteking, hyperplasie,..) Filtratie stopt als druk in lumen even groot is als druk in bloed Nefron zet dan uit Nefron w cysteus

Bij perziche katten: polycystic disease voor in de nier, lever, pancreas en meningen. Hierbij zijn er multipele cysten in de nier en dit geeft de klinische symptomen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Renale dysplasie (embryonaal stadium)

A

⦁ Eerst ontstaat een pronefros, dan een mesonefros (verdwijnt iedere keer weer door apoptose)
⦁ Mesonephronic ducte: nier blijft steken in mesonefros stadium. Tubuli hebben dan een hoogcillindrisch epitheel + meerlagig epitheel met stroma in mesonefrotische gang
⦁ Zorgt voor atrofie en cysteuze dilatatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Juveniele nefropathie

A

Afwijking basaalmembraan tubuli Stoornis basaalmembraan v.d. tubuli waardevolle componenten w niet meer teruggepompt naar bloed Functiestoornis nier nier chronisch ontstoken + fibrose vorming

Leeftijd Juveniele nefropathie: 6-12 maanden
Uitzicht: Hobbelige kleine nier. Bindweefseltoename, infiltratie van ontstekingscellen, vervorming van de glomerulus en van de tubuli + dikke basaalmembraan rond de tubuli

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Nefrosclerose

A

⦁ Kleine hobbelige nier

⦁ DOOR OUDERDOM: 13-14 jaae

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Stofwisselingsstoornissen nier

A
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Amyloïdose

A

Chronisch ontstekingsproces geeft neerslaan van AA-amyloïd
Bij hond: opstapeling amyloid thv basaalmembraan v.d. tubuli.
Snelle sterfte
Bij kat: Opstapeling amyloid in interstitium van medulla
Pas laat nierinsufficientie. Late sterfte

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Pigmentnefrose

A

Schaap met koperintoxicatie Acute hemolyse
De nieren vertonen pigmentnefrose = Er zijn dan bilirubinederivaten massaal aanwezig in de nier, zo dat de nier helemaal groen ziet.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Q

Fysiologische vervetting van het tubulusepitheel – Ferreinse strepen

A

Geen klinische betekenis
Kat: vetdruppeltjes in (tubulusepitheelcellen v.d. ) cortex van nier Gele nieren
Hond: Vetdruppeltjes in epitheelcellen van tubuli colligentes, verzamelbuisjes en Lissen van Henle

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
26
Q

Proteïnenefrose – intracellulair hyalien

A

Probleem met glomerulusfilter albumine stroomt erdoor tubuli probeert albumine deels terug te pompen veel eiwit ophoping in cytoplasma van tubulusepitheelcellen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
27
Q

Acute tubulusnecrose (!!) (acute niercrisis

A

⦁ Toxische stoffen in bloed komen in urine filtraat w opgepompt door tubulusepitheel cellen Beschadigen de tubulusepitheelcellen
⦁ Ischemie door langdurige shock, massale hemolyse of obstructie van de urineafvloei

Volledige necrose (zeldzaam)
Tubulusepitheelcellen sterven af door necrose  de cellen komen in lumen van tubulus  obstructie  nierblokkade  Geen aanmaak urine (anurie)  Dier sterft na 1 dag 

Gedeeltelijke necrose
Deel tubulusepitheelcellen sterven af waardevolle componenten worden niet terug geresorbeerd + Geen resorptie van vocht in lis van Henle Polyurie

In beide gevallen : Uremie
Tubulusepitheelcellen kunnen goed regenereren
Maar gevaarlijk want kans op uremische gastritis of uremische coma

Behandeling
⦁ Vocht + elektrolyten toedienen (klaring versnellen toxische metabolieten kwijtraken)
⦁ Regeneratieproces tussen 1-2 weken
⦁ Bij anurie GEEN vocht toedienen, maar peritoneale dialyse (Hierbij breng je een grote hoeveelheid vocht in de buikholte. Door diffusie zullen ureum en andere schadelijke stoffen in de buikholte terechtkomen. Dit vocht kun je dan weer aflaten. )

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
28
Q

Examen: wat is acute tubulusnecrose en wat zijn de gevolgen ervan?

A

Het macroscopische uiterlijk van acute tubulusnecrose hangt af van het stadium van het proces waarin het dier sterft. Als er enige tijd overheen is gegaan (een dag of een paar dagen) dan zal necrose effectief zichtbaar zijn. Dit is zeer uitzonderlijk, want meestal zal het dier al gestorven zijn voor het macroscopisch waarneembaar is. Als het dier sterft in een veel vroeger stadium, dan is het een microscopisch letsel. Je ziet dan dat de tubulusepitheelcellen afgestorven zijn, dus daar is alleen een hoopje eiwit van over, dit is celdebris.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
29
Q

Acute diffuse niernecrose – pulpy kidney disease

A

Een voorbeeld van acute diffuse tubulusnecrose door toxines is Clostridium perfringens, dat vooral bij lammeren aanleiding geeft tot toxinevorming. Als alle cellen tegelijk afsterven wordt het weefsel papperig. Dit lijkt heel erg op postmortaal celverval.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
30
Q

Circulatiestoornissen nier

A
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
31
Q

Puntbloedingen in de niercortex

A

In de nieren komen heel vaak puntbloedingen voor. Dit kan toxemisch, septicemisch of anemisch zijn. Deze bloedingen zijn aan de buitenkant te zien als intensrode stipjes

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
32
Q

Perirenale hematoom

A

⦁ Niet zit enkel vast aan a. renalis
⦁ Als a.renalis afscheurt door klap zal afscheuren krijgen we een perirenale bloeding
⦁ Dier sterft

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
33
Q

Infarcten in de nier

A

Vooral bij de hond

Oorzaak:
⦁ Thrombo-embolie: thrombusvorming thv kleppen v.h. hart door endocarditis
⦁ Tumorcel-embolie: door metastaserende tumor
⦁ Bacterie-embolus bij septicemie
Embolie w meegevoerd en blijft zitten in a. arcuata Bevloeid elk een lobulus anemisch infarct

Uitzicht infarct: infarct zelf is bleek, rand is gestuwd. Wigvormig
Uitzicht chronisch infarct: nefronen gaan verloren (kunnen niet regenereren) Bindweefselvorming in de plaats(verschrompelt) collageenvezels worden korter Put op het nieroppervlak

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
34
Q

Ontsteking nier (ex !!)

A
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
35
Q

Examen: wat weet je over ontstekingen in de nier?

3 soorten

A
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
36
Q

⦁ Ontsteking thv nierbekken

A

Ontsteking thv nierbek
Blaasontsteking ontsteking afgedaald via ureter onsteking thv nierbekken ( Soms verder afdalen naar de verzamelbuizen interstitiële nefritis)
Bacterieel door E. Coli (soms door virus)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
37
Q

⦁ Glomerulonefritis

A

Ontsteking vd glomeruli
⦁ Er zit iets op de basaalmembraan
⦁ Triggert mesangiumcellen pro-inflammatoire cytokines
⦁ Aantrekken ontstekingscellen (zoals neutrofielen)
⦁ Vasculaire fase: beschadiging van de basaalmembraan
⦁ Proteïnurie
⦁ Neutrofielen gaan in de glomerulus zitten

Membraneuze glomerulinefritis: we zien nog bijna geen ontstekingscellen, maar wel al opzwelling van de cellen van de glomerulus + basaalmembraan dik en abnormaal van vorm + immuuncomplexen op basaalmembraan + antistoffen tegen de (fragmenten van) bacteriën en die gaan mee het filter bevuilen

Etterige glomerulonefritis: Veel transmigratie van ontstekingscellen + exsudatieve fase van ontsteking glomerulus duidelijk opgezwollen + veel neutrofiel tussen mesangiumcellen & kapsel van Bowman

Mesangioproliferatieve glomerulonefritis: Meest uitgebreide vorm

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
38
Q

Crescent formation

A

Crescent formation is een hyperplasie van het kapsel van Bowman met soms vergroeiingen tussen de glomerulus en het kapsel. Op den duur ontstaat er ook fibrose en glomerulosclerose. Deze nefronen zijn dan per definitie uitgeschakeld. Wat je nog overhoudt van de glomerulus is eigenlijk een bindweefselig litteken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
39
Q
  1. Interstitiële nefritis
A

Interstitiële nefritis
⦁ Ontsteking in intersitium van nier
⦁ Noxe/virus in bloed naar de nier (paramyxo bij duiven, nefropathogeen coronavirus bij kippen, canine herpesvirus of canine adenovirus)
⦁ Bij virus: non purulent en lymfo-plasmocytair
⦁ Bij bacteriën: etterige interstitiële nefritis
⦁ Ergste vorm: Chronische non-purulente interstitiële nefritis. Is geen chronische vorm, voortkomend uit acute vorm ! Weinig neutrofiel, veel fibroblasten, macrofagen, lymfocyten en plasmacellen. De fibroblasten produceren collageen en dat collageen gaat verlittekenen, dus verschrompelen.
⦁ Ruw en onregelmatig opp van nier + tubulusepitheel dat kubisch is (ipv hoog-cilindrisch) dat leidt tot nefrosclerosis

Oorzaak
⦁ P53: Toxische effecten remmen proliferatie van de tubulusepitheelcellen. Hierdoor ontstaat atrofie en apoptose v.h. epitheel *
⦁ Hypertensie: druktoename in capillairen van glomerulus
⦁ Voeding: overmatig voedere van eiwitten
⦁ uit tryptofaan w indol gevormd.
⦁ Indol en cresol afbraakproducten uit bacteriën uit de darm.
⦁ Dit indol wordt geoxideerd tot indoxyl en gesulfateerd tot indoxylsulfaat, samen met cresol.
⦁ Indoxylsulfaat en cresol komen in de circulatie en zijn vooral toxisch voor de tubulusepitheelcellen.
⦁ De tubulusepitheelcellen gaan erop reageren met de omvorming van epitheelcellen naar mesenchymale cellen, die weer kunnen omvormen naar fibroblasten.
⦁ Hierdoor vind je in de nier een toename vindt van bindweefsel met veel meer fibroblasten en verlies van epitheel. Epithelial to mesenchymal transition (EMT) is hier dus een cruciale factor.

Effecten
⦁ Indoxylsulfaat
⦁ Epithelial to mesenchymal transition (EMT) van proximaal tubulusepitheel
⦁ Apoptose van proximaal tubulusepitheel (via P53 activatie)
⦁ Verminderde contractiekracht van hartspiercellen
⦁ P-cresol
⦁ Vorming van zuurstofradicalen in tubulusepitheelcellen met vrijstelling van TGF-β

  • Het cardiorenaal syndroom wil zeggen dat er een probleem is van hartinsufficiëntie (verminderde contractiekracht van het myocard) en een chronische interstitiële nefritis. Er zijn in eerste plaats geen morfologische afwijkingen, die komen secundair. Het is primair een effect op contractitileit. De nier zal evolueren tot schrompelnier.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
40
Q

Secundaire renale hyperparathyroïdie en cystevorming

A

Door de nierinsufficiëntie is er ook onvoldoende capaciteit tot uitscheiding van fosfaat in de urine. Er is dus accumulatie van fosfaat in het bloed met mobilisatie van calcium uit het skelet om de calcium/fosfaat-verhouding in balans te krijgen. Er is dus ontkalking van het skelet.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
41
Q

Thyroïde-achtige structuur bij chronische nierinsufficiëntie

A

Veel tubulusepitheelcellen gaan kapot, de resterende gaan afplatten om basaalmembraan te bedekken. Glomerulus is beschadigd en urine

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
42
Q

Uremie – eindstadium nefrosis (nefrosclerose, schrompelnier)

A

Clearence stoffen inspuiten om te kijken hoe goed de nier deze kunnen klaren. Van de ingespoten stof is bekend welke concentratie je mag verwachten in de urine, dus aan de hand van die waarden kun je de renale clearance en dus nierfunctionaliteit bepalen.
Waarden lopen van 1-5. Bij 4-5 is nierdialyse (+ transplantatie) nodig

Nierinsufficiëntie Geeft uremie
= nier is niet meer in staat om de eindproducten van het metabolisme te elimineren via de urine.
Nefrosclerose= irreversibel

Gevolg kan uremie zijn Ureum in maag of mond. Er zijn ook nog neveneffecten, zoals verhoogde fosfaatconcentratie in het bloed met ontkalking van het skelet. Hierdoor ontstaan er weer te hoge concentraties calciumfosfaat in het bloed, dat dan neerslaat op plaatsen waar de pH alkalisch is, bijvoorbeeld waar er zuren uitgescheiden worden, zoals in de maagwand (HCl) en in de long (CO2). Calciumzouten gaan dus neerslaan in de long en in de mucosa van de maag

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
43
Q

Complicaties van uremie

A

Complicaties van uremie
⦁ Dehydratatie: diepliggende ogen, droge subcutis
⦁ Ulceratieve stomatitis
⦁ Haemorrhagische gastritis
⦁ Metastatische verkalking van de maagmucosa
⦁ Haemorrhagische enteritis
⦁ Anemie
⦁ Hypertrofie van het linker hart (renine-angiotensine)
⦁ Necrotiserende endocarditis met verkalking
⦁ Puimsteenlong
⦁ Renale secundaire hyperparathyroïdie
⦁ Renale osteodystrofie fibrosa

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
44
Q

Examen: chronische interstitiële nefritis: wat is het, wat zijn de oorzaken, wat zijn de gevolgen?

A

Zie hierboven

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
45
Q

Etterige haard nefritis

A

Wanneer er veel bacteriën in het bloed zitten dan kunnen deze terechtkomen in het interstitium van de nier. Dit zal aanleiding geven tot een etterige interstitiële nefritis. De bacteriën gaan lokaal vermenigvuldigen. Het macroscopisch beeld lijkt op kleine infarctjes, maar histologisch zit het vol

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
46
Q

Pyelonefritis

A

Ontstaan
⦁ Altijd vanuit urineweginfectie via blaas naar nierbekken
⦁ Bijna altijd door E. Coli (kan adhereren aan overgangsepitheel)
⦁ Bacterie zit in nierbekken Beschadiging ontstekingsmediatoren worden vrijgesteld (neutrofiel dus etter)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
47
Q

DE URINEWEGEN

A
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
48
Q

De urinewegen (ureter – blaas – urethra)

A

Bezit overgangsepitheel:
⦁ Laat toxische stoffen uit urine niet door
⦁ Kan goed uitrekken zonder lekkage

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
49
Q

Congenitale afwijkingen urinewegen

A
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
50
Q

Ectopische ureters (zie vorig deel)

A
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
51
Q

Hypospadias

A

De urogenitale plooi moet aan de ventrale zijde sluiten, en wanneer dit sluitingsproces niet volledig is of zelfs helemaal ontbreekt, dan krijg je bij het mannelijke dier hypospadias. Dit zijn gaten aan de onderkant van de penis en in de perineumstreek. Dit is relatief zeldzaam.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
52
Q

Cloacavorming

A

Hierbij komen de urinewegen samen met het uiteinde van het maagdarmkanaal en dit vormt samen een cloaca. Bij reptielen en bij vogels is dit normaal, bij zoogdieren niet. Bij zoogdieren ontstaat er normaal een scheiding tussen het spijsverteringsstelsel en het urogenitaalstelsel.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
53
Q

Leknavel

A

Persisterende open verbinding tussen blaas en navel. Urine lekt dan uit de navel, wat de wonde open en geïnfecteerd houdt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
54
Q

Stofwisselingsstoornissen

A
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
55
Q

Hydronefros

A

Als de druk pathologisch gaat toenemen, stimuleert dit de fibroblasten die zich bevinden in de propria mucosa. Bij langdurige druktoename zullen de fibroblasten geactiveerd worden en gaan zij collageen vormen. Een voorbeeld hiervan is de hydronefros. Je ziet hierbij dus fibrose, maar daarnaast zullen de epitheelcellen reageren met verminderde activiteit, wat aanleiding geeft tot atrofie. Hierbij komt ook nog atrofie van het nierparenchym en necrose van de medulla.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
56
Q

Uitzetting en hypertrofie van de ureter bij geleidelijk verhoogde weerstand

A

Door blaastumor: uitzetting en hypertrofie van de ureter.

Tumor geeft obstructie van ureter dilatatie + hypertrofie ureter

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
57
Q

Urolithiasis

A

We hebben altijd te veel fosfaat (- ion) in de urine. Als er dan overmaat is van + ion (bv ammonium of Mg), gaat dit neerslaan als zout.Als het oplosbaarheidsproduct wordt overschreden wordt, slaat het neer in de urine. Als er 1 steentje wordt gevormd zal de rest neerslaan errond en zal het steentje groter en groter worden.(concrement vorming in blaas, want daar is er stase van urine en dus tijd voor de aangroei van het steentje)

Chronische cystitis
Steentjes in de blaas beschadigen epitheel en zorgen voor continue ontsteking

Obstructie
Enkel bij mannen
Steentjes zijn klein genoeg om deels te passeren, maar te groot waardoor ze blijven vastzitten in smalle urethra van de man (vooral na castratie).
Urinelozing is niet meer mogelijk opstapeling urine in blaas blaasdilatatie overgangsepitheel w permeabel diffusie van urine naar bloedbaan uremie
+ ontsteking blaas
⦁ Bij de hond: achter os penis (urethra heeft daar minder plaats om te rekken)
⦁ Andere dieren: achterkant bekken, crura penis, blaasopening, begin urethra

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
58
Q

Pseudoconcrement

A

Na een fase van acute tubulusnecrose zullen er ineens heel veel cellen afsterven, en deze cellen kunnen samen een massa gaan vormen. Zo’n massa kan in de ureter of de urethra terechtkomen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
59
Q

FLUTD (FUS) – feline lower urinary tract disease (feline urethral syndrome)

A

FLUTD/ FUS
⦁ Urolithiasis bij de gecastreerde kater
⦁ Vaak multiple steentjes
⦁ Behandeling: ultrasoon => inbrengen van een ultrasone probe waardoor de steentjes barsten en uitgespoeld kunnen worden.
⦁ Ziektebeeld: Dit geeft weer een pathologische blaasdilatatie en een ontstekingsreactie in de blaaswand met streepbloedingen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
60
Q

Liggingsveranderingen van de urineblaas

A
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
61
Q

Eversie

A

Urineblaas gaat omstulpen = blaasprolaps
o Komt ook typisch voor bij partus
o De blaas kan dan uitpuilen tot in de vagina

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
62
Q

Hernia

A

Blaas kan hierin terechtkomen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
63
Q

Dilatatie

A

Het wordt pas blaasdilatatie genoemd als het pathologisch is
o Mechanischeobstructie
o Functioneleobstructie:neurogeen,innervatiestoorniswaardoorergeenurinelozingis
⦁ Urinelozingsreflex weg
⦁ Letsel kan in het lumbale ruggenmerg liggen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
64
Q

Ontstekingen

A
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
65
Q

Cystitis

A

Ontsteking van de blaas
⦁ Ontsteking altijd vanuit de urethra
⦁ Vrouwelijke dieren gevoeliger (korte urethra)
⦁ Meestal bacteriëel: E. Coli(kan op overgansepitheel adhereren door fimbriae) veroorzaken ontsteking
⦁ Histologie: neutrofielen, epitheelcellen en RBC

Secundaire cystitis:
Cystitis kan secundair zijn aan urethraobstructie (w snel haemorrhagisch). Vaak bij katers met FLUTD

Neonatale cystitis
Navelontsteking Bacteriën komen van het urachuskanaal of ontsteking komt van de venen en kan zo verder naar de lever gaan (geeft dan direct bacteriële septicemie)

Fibreuze/chronische cystitis
Na urolithiasis (concrementvorming)  Blaaswand w continu beschadigd  chronissche verdikking van de blaaswand (want chronische ontsteking gaat gepaard met fibrose)  chronische vorm leidt tot folliculaire cystitis
Chronische non-purulente ontsteking geeft organisatie van lymfocyten in follikels. Dit wordt macroscopisch zichtbaar als een dikke, hobbelige mucosa met bultjes die vaak afgelijnd zijn door een rood randje.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
66
Q

Groeistoornissen

A
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
67
Q

Balkenblaas

A

Balkenblaas is het effect van een subobstructie van de urethra. De meest typische oorzaak van verminderde doorgankelijkheid van de urethra is een hyperplasie en hypertrofie van de prostaat bij oudere, mannelijke dieren, voornamelijk honden. Hierdoor is er compensatorisch hypertrofie van de tunica muscularis van de blaas.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
68
Q

OVARIUM

A
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
69
Q

Congenitale afwijkingen

A
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
70
Q

Hermafroditisme

A

Primair geslachtsorgaan met kenmerkenvan zowel ovarium als testis
NIET hetzelfde als pseudohermafrodieten = Heeft primaire gonaden van het geslachtsstelsel dat genetisch bepaald is, maar de secundaire geslachtsorganen van een ander geslacht

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
71
Q

Stofwisselingsstoornissen

A
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
72
Q

Cysten

A

Ontstaan
⦁ Cysten uitgaande van ovarium zelf (vanuit de follikels) invloed op vruchtbaarheid
⦁ Cysten die vanuit de omgeving van het ovarium uitgaan Niet persé invloed op de vruchtbaarheid
(Als deze cysten heel groot worden, met name de cysten vanuit het ovariële zakje, hebben er wel invloed op, want die trekken aan het infundibulum. Dit zijn para-ovariële cysten en die zijn voornamelijk toevalsbevindingen.)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
73
Q

Cysten door subsurface epithelial ingrowths

= subsurface ovariële cysten

A

subsurface epithelial ingrowths
Germinaal epitheel aan het oppervlakte van het ovarium dat surface epithelial growths noemt. Deze secreteren dus. Als dit geblokkeerd zit, kan er een cyste ontstaan. (dus geen cyste die vanuit de follikels uitgaat, maar wel vanuit het ovarium) = subsurface ovariële cysten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
74
Q

Folliculaire cyste

A

Holte gevuld met secreet rond de graafse follikel, als deze niet openbarst gaat deze groeien en krijg je een folliculaire cyste.
Primaire invloed op de vruchtbaarheid = zoalng de cyste er is, gaat er geen nieuwe follikel ontwikkelen (geen ovulatie en geen bronst

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
75
Q

Luteine cyste

A

Bij ovulatie scheurt het oppervlak van het ovarium een beetje. Holte vult met bloed en dan met corpus luteum cellen. Als dit niet gebeurt vult het zich met vocht = luteïne cyste
Secundaire invloed vruchtbaarheid: verstoort de rijping via enocriene weg (zal rijping van andere follikels verstoren)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
76
Q

Circulatiestoornissen

A
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
77
Q

Ovariële bloeding

A

Ovariële bloedingen zijn de belangrijkste circulatiestoornissen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
78
Q

Ontstekingen

A
79
Q

Oöphoritis

A

Ontsteking ovarium
⦁ Komt niet vaak voor, want follikels hebben een zeer goed afweersysteem
⦁ Komst soms wel voor als uitbreiding van peritonitis

Gevolgen
Vergroeiing tussen infundibulum en ovarium irrecersibele infertiliteit (want het infundibulum moet flexibel zijn om de eicel op te kunnen vangen na ovulatie. )

80
Q

EILEIDER

A
81
Q

Vergroeiingen

A

Vaak bij vrouwelijk dier dat een peritonitis heeft doorgemaakt
Bij reptielen en vogels is de eileider de hele structuur die komt na het ovarium, en die is ingedeeld in verschillende onderdelen.
⦁ In het ovarium wordt de follikel en de eidooier gevormd.
⦁ Als de eidooier vrijkomt bij ovulatie komt deze in het infundibulum en errond wordt dan een vlies gelegd
⦁ daarrond het eiwit.
⦁ Rond het eiwit wordt een tweede vlies gevormd, namelijk het binnenste schaalvlies
⦁ daarrond komt de kalkschaal en een buitenste vlies.
⦁ hierna komt het ei in de buitenwereld terecht.
Bij vogels en reptielen is de eileider dus een complexe structuur die klierfuncties heeft.
Coronavirus kip: tast eileider aan voor geslachtsrijpheid, er zullen cysten ontwikkelen (omdat niet alle delen van de eileider even goed ontwikkelt zijn)
⦁ Ontstaan van hydrosalminx: eileider is een ak gevuld met vocht

82
Q

UTERUS

A
83
Q

Congenitale afwijkingen - uterus

A
84
Q

Hypoplasie van de uterus

A

Uterus is niet ontwikkelt

85
Q

Cervix duplex

A

Splitsing van de hoornen en corpus is te ver doorgegaan. Er is dan een ontdubbeling van de cervix

86
Q

Stofwisselingsstoornissen - uterus

A
87
Q

Torsio uteri

A

Tijdens de dracht zit de uterus vrij los (alles is uitgerokken) en deze kan torderen rond zijn as, samen met evt de baarmoeder. Je krijgt afsnoering van bloedvaten met haemorrhagische infarcering.
(Bij diersoorten die lange uterushoornen hebben is het ook mogelijk dat er torsie is van één uterushoorn.)

88
Q

Uterusprolaps

A

Complicatie van de partus

Na moeilijke partus niet genoeg energiereserves + naweeën (geven atonische uterus) spieren van uterus kunnen niet terug contraheren atonische slappe uterus die in cintact komt met de buitenwereld mucosa kan niet tegen uitdroging en beschadiging van de buitenwereld ontsteking + necrose uterus

Oplossing: beursnaad zetten om uterus binnen te houden
Gevoelig: Merrie, want grote uterus met enorme persdrang

89
Q

Uterustruptuur

A

Zelden
Soms als veulen een gat stampt door de uteruswand.
(De ontwikkeling van skeletspieren gebeurt pas aan het einde van de dracht, dus tijdens de dracht heeft een foetus de kracht niet om een gat in de uteruswand te stampen)

90
Q

Adenomyosis (endometriosis interna

- cysten)

A

⦁ Oestrogeenfase: oestradiol kliertjes van endometrium gaan groeien Kliertjes worden dieper en endometrium wordt dikker
⦁ Progesteronfase: Progesteron meer secretie van de endometrium kliertjes

Pathologisch
1 kliertje groeit dieper tot in myometrium, na atrofie van het endometrium blijft dit kliertje in het myometrium = ADENOMYOSIS.
Dit vormt pas ene probleem als het ene CYSTE gaat vormen in het myometrium

Dergelijke endometriosis interna kan soms aanleiding geven tot multipele cysten, en dan ontstaat er dus een organisatorisch probleem in de uterus. Hierdoor kan een bevruchte eicel zit niet meer innestelen en ontstaat er dus onvruchtbaarheid.

91
Q

Endometriumcysten

A

Als endometrium al atrofisch wordt, maar de kliertjes nog secreteren cyste vorming
Typisch bij oudere merries (hormoonspiegels stoppen niet meer abrupt)

92
Q

Parametriale cysten – serosal inclusion cysts

A

Cysten aan de serosakant van de uterus

typisch bij oudere dieren

93
Q

Exvraag

A

Examen: wat weet je over cysten van het geslachtsapparaat bij vrouwelijke dieren? Houd er rekening mee dat er behoorlijk wat verschillende ontstaansmechanismen en lokalisaties zijn!

94
Q

Circulatiestoornissen - uterus

A
95
Q

Verbloeding na sectio caesarea

A

Verbloeding na keizersnede
Uterus is dan sterk doorbloed, na het pe rongeluk insnijden van ene bloedvat kan dier doodbloeden

Verbloeding na gewone partus
⦁ Uterus sterk doorbloed, dus kan gemakkelijk beschadigd worden tijdens de partus.
⦁ Uterus kan klem komen te zitten foetus en pecten pubis
⦁ Als uterus zich vult met bloed, is er ene groot druk verlies in de circulatie Shock en sterfte

96
Q

Ontstekingen (ex !!) - uterus

A
97
Q

Endometritis

A

Ontsteking blijft beperkt tot endometrium + lumen

MERRIE
Oorzaak?
Slechte bacteriën in lumen van de uterus. Cervix staat open tijdens bronst toegang voor bacteriën uit buitenwereld
(normaal gezien geen probleem, want efficiente clearence van de baarmoeder door transmurale migratie en flushing van secreties Wel een probleme aan begin en eind van de bronst, want dan is dit systeem niet meer efficiënt)

Wanneer?
Na dekking of inseminatie is er een mogelijkheid op acute exsudatieve endometritis (katarrhaal). Dit is mild, maar interfereert met de vruchtbaarheid.

Soms wordt het veroorzaakt door relatief pathogene bacteriën in het inoculum. In dit laatste geval kan er een acute necrotiserende endometritis ontstaan. Dit is dus na de dekking, na de bronst.

TEEF Pyometra
Oorzaak ?
Bij de teef is tijdens de bronst de cervix open waardoor er colibacteriën vanuit de vagina in de uterus terecht kunnen komen. Kan glomerulonefritis geven.

Wanneer?
Tijdens de bronst. Na de oestrus zijn er nog geen klinische klachten bij de teef, die komen pas enkele weken na de dekken, wanneer ze plotseling veel begint te drinken en te plassen.

Bij wie?
Vooral bij oudere teven waarbij clearenc systeem niet meer heel efficiënt werkt

98
Q

Metritis (komt niet veel voor)

A

Ontsteking van Endometrium + myometrium + lumen = transmuraal

99
Q

Bacteriële endometritis na de partus door dystocia (moeilijke parttus)
= postpartum acute exsudatieve endometritis

A

Weinig
Symptomen ?
Veloopt meestal zonder complicaties.
De merrie kan tijdens de acute fase heel ziek zijn, maar zal in het chronisch stadium geen symptomen vertonen. Er is veel meer sclerose van de uterus, dus het is een zak gevuld met etter en de merrie is onvruchtbaar.

Oorzaak ?
Moeilijke partus waardoor merrie geen energie meer heeft om de baarmoeder te laten samentrekken na partus.–> Bacteriële groei in lumen.

Bij wie ?
Bij oudere merries, daar allarmerend omdat er veel bloedvaten door uterus lopen Bacteriën sneller in bloed acute septische metritis.
Als het trager verloopt, kan er chronische non- purulente endometritis ontstaan.

100
Q

Retentio (achterblijven van de placenta)

A

Placenta blijft achter waardoor de baarmoeder niet goed kan contraheren en gaat infecteren (kan ook gedeeltelijke placenta zijn).
Bij merries is dit in het acute stadium levensbedreigend. In het chronische stadium gaat het interfereren met de vruchtbaarheid.

Bij runderen is er meer risico dat het letsel er lokaal extreem ernstig uitziet. Dan kan het evolueren van acuut exsudatief naar acuut necrotiserend, van endometrium naar myometrium. Het kan dus een septicemische infectie geven.

101
Q

Lijstje van de ontstekingen

A

⦁ Acute exsudatieve endometritis: na dekking of postpartum
⦁ Acute necrotiserende endometritis: na dekking of postpartum
⦁ Acute septische metritis: postpartum bij de merrie
⦁ Acute necrotiserende metritis: postpartum bij rund en schaap
⦁ Chronische purulente endometritis (pyometra)
⦁ Chronische non-purulente endometritis
⦁ Abcessen
⦁ Granulomateuze metritis

102
Q

Pyometra –

cysteuze endometrium hyperplasie – mucometra

A

Wat ?
Post-oestrus endometritis

Bij wie ?
Teven van middelbare leeftijd

Oorzaak ?
Teef is gedurende 6 maand in anoestrus hormonale switch van oestradioldominantie naar een progesteronfase (onderdrukt elkaar)
Hormonale switch komt door de binding van hormonen op receptoren switch minder effectief bij oudere teven niet genoeg onderdrukking, dus oestradiol blijft kliertjes in endometrium blijven groeien cysteuze endometrium hyperplasie wordt gevormd (abnormaal dikk en cysteus endometrium) + overmatige mucussecretie (cyste vorming)
Uterus is dicht (metoestrus) , dus opstapeling van mucus (= mucometra nog niets erg)

Gevolg (erge fase)
Uterus gekoloniseerd door uropathogene E. Coli bacteriën (komt uterus binnen als cervis niet snel genoeg sluit na de oestrus) vrijstelling van bacteriële lipopolysacchariden inflammatie

Secundair
Secundair ontstaat er een glomerulonefritis door immuuncomplexen die in de circulatie terechtkomen.

103
Q

Granulomateuze endometritis

A

⦁ Chronische endometritis is meestal niet levensbedreigend, maar geeft wel aanleiding tot chronische vruchtbaarheidsstoornissen.
⦁ Zeker oudere merries hebben vaak chronische endometritis, waardoor ze moeilijk drachtig worden.

104
Q

Endometriumatrofie

A

Minder ontwikkelde uterus in oestrus

105
Q

Tumoren - uterus

A
106
Q

Endometriumpoliep bij de teef

A

Poliep
⦁ Gesteelde structuur bestaande uit losmazig mesenchymaal weefsel met daarin kliertjes en vaatjes
⦁ Pseudotumorale structuren die langzaam toenemen in volume
⦁ Een endometriumpoliep zit in het lumen van de uterus en zal dus gaan interfereren met de conceptie. De bevruchte eicel kan zich niet inplanten door de aanwezigheid van dit voorwerp in de uterus.

107
Q

DE FOETUS EN VRUCHTVLIEZEN

A
108
Q

Torsie van de navelstreng

A

Enkel pathologisch bij meer dan 14 windingen foetus wordt niet meer voorzien van zuurstof en nutriënten compressie ischemie

109
Q

Mummificatie

A

Er gebeurt geen abortus vocht onttrokken aan cellen (geen necrose, dan zouden er slechts bepaalde groepen cellen afsterven)

individu helemaal uitgedroogd is, maar dat het gehele skelet nog intact is. (gebeurt ook bij extra-uteriene dracht)
Droge vrucht !

110
Q

Maceratie

A

Foetus sterft af + groei van bacteriën vochtiger en risico voor de moeder bacteriële infectie kan verspreiden in lichaam en septicemie geven (omdat er een directe verbinding is met het bloed van het moederdier via de placenta)

Vochtige vrucht !

111
Q

Hydro-allantoïs

A

De allantoïsvochtregulatie kan foutlopen en dan ontstaat er een pathologische toename van de hoeveelheid vocht in de allantoïs, een hydro-allantoïs. Dit is levensbedreigend voor het moederdier, want de uterus wordt zodanig groot dat de druk op de buikorganen en uiteindelijk op de borstorganen zo extreem wordt, dat het moederdier zal stikken

112
Q

Focale villusatrofie van de chorio-allantoïs bij tweelingdracht

A

Bij tweelingdracht is er op de plaats waar de twee placenta’s tegen elkaar liggen geen uitwisseling, dus daar ziet de placenta er anders uit (glad).

113
Q

Arteriosclerose

A

Aan de foetale zijde van de placenta kan men vaak bij paarden zien dat de bloedvaten een extreem dikke wand hebben. Dit is arteriosclerose. Functioneel en klinisch heeft dit geen betekenis

114
Q

Focale necrose van de chorio-allantoïs

A

Er kan ischemische of avasculaire necrose zijn in de chorio-allantoïs. Aan de rand van de necrosehaard is er een duidelijke hyperemie (meer doorbloed). Dit heeft wel een pathologische betekenis. De necrose komt ook voor met ontsteking.

115
Q

DE VAGINA

A
116
Q

Congenitale afwijkingen - vagina

A

⦁ Het hymen persistens komt vooral voor bij de koe, als de eenvoudigste vorm van segmentele hypoplasie van de geslachtswegen bij witte vaarze ziekte (white heifer disease: zie hoger).
⦁ Soms is er ontdubbeling van het proximale deel van de vagina, wat meestal samengaat met ontdubbeling van de cervix (dit wordt soms vleesband genoemd).
⦁ Onder een vleesband in enge zin verstaat men een dorso-ventrale band, bestaande uit bindweefsel bekleed met vagina epitheel, die gelegen is vlak achter de portio vaginalis van de cervix. Dit is de eenvoudigste vorm van onvolledige fusie van de Müllerse buizen.
⦁ Cloacavorming en recto-vaginale fistel komen voor in aansluiting met atresia ani en / of recti

117
Q

Stofwisselingsstoornissen: CYSTEN

A

Cysten
De Gartnerse gangen zijn de caudale resten van de kanalen van Wolff. Bij het rund zijn ze goed ontwikkeld. Bij afsluiten van deze gangen kunnen cysten ontstaan die in 2 evenwijdige rijen in de ventro-laterale wand van de vagina liggen. Het afsluiten van deze gangen kan congenitaal zijn, of verworven door ontsteking of epitheelmetaplasie (verband met vaginitis, ovariële cysten of bepaalde intoxicaties, v.b. chloronaftaleen). Ook de Bartholinklieren in de laterale vaginawand kunnen afgesloten worden en cysteus omvormen.

118
Q

Circulatiestoornissen - vagina

A
119
Q

Vulvaoedeem

A

Tijdens oestrus oestrogeen bindt aan receptoren op epitheel oestragiol: permeabiliteit van de bloedvaatjes gaat verhogen gezwollen vulva (normaal tijdens oestrus)

120
Q

Dystocie

A

Moeilijke partus veel beschadiging aan vagina stimulatie van vasodilatatie en oedeem mucosa zwelt op en geboortekanaal wordt nog kleiner vicieuze cirkel

121
Q

Perivaginaal hematoom

A

Bij dieren die nogal hevig tekeergaan tijdens de partus, zoals merries, dan kan het passeren van de foetus door het geboortekanaal veel trauma geven. Hierbij kunnen grotere bloedvaten van de vagina beschadigd raken en kan er dus perivaginaal hematoom ontstaan.

122
Q

Ontstekingen - vagina

A
123
Q

Vaginitis

Losgekomen cellen

A

Normaal in vagina
Ongekernde cellen en lactobacillen

Abnormaal in vagina
Abnormaal als het nog gekernde cellen parabasale epitheelcellen (afgestorven voor hun maturatie proces ) zijn met andere bacteriën dan lactobacillen.
Een ander species van bacteriën heeft dan de overhand gekregen en heeft beschadiging van epitheel veroorzaakt. Als er ook nog neutrofielen zijn, dan is er sprake van vaginitis.

Vaginitis kan
⦁ Puur bacterieel zijn
⦁ Secundair zijn aan endometritis
⦁ Viraal zijn, zoals ibr of bkk bij runderen. Ulceratieve vaginitis is veel ernstiger bij bkk dan bij ibr. Vaginitis kan ook chronisch zijn, bijvoorbeeld door granuloom inducerende bacteriën.

124
Q

Soorten vaginitis

A

Katarrhale vulvo-vaginitis:
Dit kan eenvoudigweg het gevolg zijn van mechanische irritatie (o.a. tijdens de partus). Bij jonge teven rond de puberteit komt het voor door ascenderende infecties. De mucosa van de vagina is hierbij vaak sterk oedemateus gezwollen en rood. Soms zijn er tegelijk ook bloedingen aanwezig. Dergelijk letsel kan spontaan herstellen. Wanneer het echter veroorzaakt is door een specifiek pathogeen agens, dan kan het verder evolueren tot meer specifieke ontstekingsletsels.
Ulceratieve vaginitis:
Bij sommige agentia, zoals Herpesvirussen (v.b. IPV bij het rund, EHV3 of Exanthema coïtale bij het paard) ontstaan intra-epitheliale blaasjes, welke nadien evolueren tot pustulae en tot necrosehaardjes met oppervlakkige ulceratie. Histologisch zijn deze ulcera afgelijnd door neutrofiele granulocyten, lymfocyten en plasmacellen. Deze Herpesvirussen geven aanleiding tot intranucleaire inclusies in de geïnfekteerde epitheelcellen aan de rand van de necrosehaardjes.
Folliculaire vaginitis:
Vaginitis granulosa of – follicularis: Dit komt vooral voor bij het rund t.h.v. het vestibulum vaginae. De mucosa is rood en gezwollen, en rondom de clitoris zijn multipele miliaire verhevenheden aanwezig, die histologisch bestaan uit hyperplastische lymfefollikels in de lamina propria.
Necrotiserende vaginitis:
Dit komt af en toe voor bij het rund en het schaap (infekties met Fusobacterium necrophorum en met Clostridium, vaak in aansluiting met traumata bij de partus). Bij Clostridium infekties ontstaan soms echte flegmoneuze ontstekingen met gasvorming. Soms ontstaan in de wand van de vagina abcessen (bij het rund zijn deze vaak geïnfekteerd met Arcanobacterium pyogenes).
Gangreneuze perivaginitis:
Transmurale vagina scheuren in aansluiting met de partus of de dekking geven aanleiding tot een retroperitoneale inoculatie van bacteriën. In dit losmazig bindweefsel ontstaat een hevige gangreneuze ontstekingsreaktie. Uitwendig ziet men vooral stuwing en zwelling van de vulva randen en van de hele perineumstreek.

125
Q

DE UIER

A
126
Q

Congenitale afwijkingen - uier

A
127
Q

Polythelie

A

Meer dan normaal aantal tepels

128
Q

Polymastie

A

Meer dan normaal aantal tepels + bijkomende klierpaketten

129
Q

Pseudomelkfistel

A

Afvoer van het secreet (melk) van een accesorisch klierpakket via een opening in de wand van de tepel

130
Q

Hypothelie

A

Abnormaal gering aantal tepels komt geregeld voor bij teven (vooral bij kleine en dwergrassen)

131
Q

Kratertepels

A

(Onvoldoende uitstulping van de tepels) komen af en toe voor bij zeugen.

132
Q

Melanosis uberis

A

Aangeboren aanwezigheid van pigmentcellen in de uier. Dit komt zeldzaam voor bij het varken.

133
Q

Stofwisselingsstoornissen - uier

A
134
Q

Speentrappen

A

Na enkele lactaties gaat de uier lager hangen (uitrekken bindweefsel) koe trapt op eigen tepels necrotiserende kneuswonden

135
Q

Circulatiestoornissen - uier

A
136
Q

Gynaecomastie

Door zearelenone

A

Zearalenone heeft een pseudo-oestrogene werking en zorgt voor de ontwikkeling van tepels voor de puberteit
Kan ook veroorzaakt worden door een sertoli tumor abnormaal verdikte tepels (gynaecomastie) en afhangend preputium (preputium pendulans)

137
Q

Ontstekingen -uier

A
138
Q

Thelitis

A

Ontsteking van de tepel

139
Q

Galactoforitis

A

ontsteking van de afvoergangen van de uier

140
Q

Mastitis

A

Mastitis: ontsteking van het uierparenchym (meestal typisch bij melkkoeien)
⦁ Acuut katarrhaal: Streptococcus agalactiae
⦁ Chronische katarrhaal: Streptococcus agalactiae
⦁ Acuta gravis
⦁ Acuut fibrineus, etterig of necrotiserend: E. coli
⦁ Gangreneus (schaap): Clostridium perfringens
⦁ Apostematosa:chronischetterig,Trueperellapyogenes
⦁ Interstitialisnon-purulenta:Mycoplasma
⦁ Granulomateus: Actinobacillus lignieresii

141
Q

Mastitis 2

A

Bij teven
Primair traumatisch
⦁ Door tandjes van de pups
⦁ Door acuut spenen melkstuwing passief lekken van melk waardoor bacteriën kunnen opklimmen

Bij koeien
Vaak voorkomend
Meestal primair bacteriëel

In melk zitten er eiwitten, met name caseïne, vet, lactose en een niet verteerbare suikercomponent (oligosaccharidencomplex)
⦁ Het oligosaccharidencomplex heeft een heel specifieke functie, met name het stimuleren van het microbioom van de darm van het jong. De suikers zijn niet verteerbaar door het dier zelf, maar kunnen wel omgevormd worden door bacteriën.

Ontstoken klier permeabiliteit verandert
⦁ Bloedeiwitten in melk (vlokkerige structuur)
⦁ Bloed zelf diffundeert na een tijd = verkleuring bloed

142
Q

Hoe subklinische mastitis detecteren ?

A

Met flowcytometrie
Bij ontsteking is er ineens een veel grotere transmigratie van ontstekingscellen naar de melk. Voor de flow cytometer is er een bepaalde cutoff waarde, boven de cutoff is er sprake van een ontsteking

143
Q

Verschil acute vs chronische mastitis

A

Acute mastitis
In het acute stadium zie je een rodere uier.

Chronische mastitis
In het chronische stadium wordt het meer bindweefselig (fibrose) en dan krijg je een uierkwartier dat niet meer abnormaal groot is, maar eerder atrofisch zal worden. In dit geval zie je ook atrofie van het epitheel, dat nu dus helemaal afgeplat is, in plaats van hoog cilindrisch.
Je kun dan ook melkconcrementen vinden in het lumen. Dit noemt men corpora amylacea

144
Q

Postpartum coli mastitis (acuta gravis)

A

Algemeen
⦁ De postpartum coli mastitis (acuta gravis) is levensbedreigend voor het moederdier.
⦁ Vanuit de uier kan het uitbreiden naar de bloedbaan Septicemie sterfte
⦁ Sterk gezwollen, hard orgaan
⦁ Mat aspect, dus het is een fibrineuze ontsteking
⦁ Tijdens de puerperiumfase = begin van de lactatie

Bij konijnen
Typisch etterig, meestal veroorzaakt door Pasteurella infecties
In het chronisch stadium is er ook abcedatie.

Bij schapen
⦁ “blue bag”, uiergangreen, mastitis acuta gravis
⦁ De uier is extreem hard en pijnlijk en de dieren zijn heel suf
⦁ de Clostridium perfringens toxines veroorzaken enorme weefselschade. Hierdoor zullen de dieren in toxemie zijn
⦁ Bijna altijd dood (heel soms overleven, maar de uier valt er dan af)
⦁ Het chronische stadium van zo’n ernstige mastitis is een necrotiserende ontsteking

145
Q

Trueperellamastitis (apostematosa)

A

⦁ Typisch etterig en evolueert naar abcederend.
⦁ Dit noemt men ook zomermastitis omdat Trueperella wordt overgebracht door vliegen die aan het slotgat van de tepel gaan zitten.
⦁ In het chronisch stadium zie je multipele abcesjes met atrofie van het uierweefsel

146
Q

Ontsteking door mycoplasmen

A

⦁ Non-purulente ontsteking
⦁ Is relatief onopvallend
⦁ Evolueert in het chronisch stadium ook weer tot fibrose en atrofie.
⦁ Het uierweefsel neemt af in volume en produceert veel minder melk.
⦁ Mycoplasmen geven altijd een sluimerende, beetje onvoorspelbare pathologie.

147
Q

Testis, epididymis en ductes deferens

A
148
Q

Algemeen

A

In de testis zitten zaadbuisjes en interstitium
⦁ In het interstitium zitten de leydigcellen
⦁ In de zaadbuisjes zitten ,tussen de ontwikkelende spermacellen, de sertolicellen.
⦁ De sertolicellen produceren de vrouwelijke geslachtshormonen
⦁ De leydigcellen produceren de mannelijke geslachtshormonen. Leydigcellen stimuleren zichzelf, er is een autocrien effect

149
Q

Congenitale afwijkingen - testis, epididymis en ductes deferens

A
150
Q

Testishypoplasie

A

Testis die is afgedaald in het scrotum maar gewoon onderontwikkeld is bij een volwassen hengst. Testishypoplasie is erfelijk!

151
Q

Cryptorch

A

⦁ 1 of 2 testis zijn niet goed ingedaald
⦁ Testis zijn hypoplastisch, maar wel hyperplastische leydigcellen dus abnrmaal veel testosteronproductie (agressieve dieren)
⦁ Cryptorchidie kan uni- of bilateraal zijn.
⦁ Cryptorchidie is erfelijk!

152
Q

Stofwisselingsstoornissen - testis, epididymis en ductes deferens

A
153
Q

Testisatrofie

A

Redenen:
⦁ Langdurige erge koorts (geeft atrofie van de testes)
⦁ Trauma op de testis

Verschil testisatrofie en testishypoplasie
Atrofische testis
⦁ Oorspronkelijk een normale testis
⦁ Druk van de tunica albuginea gaat wegvallen
⦁ Stroma is verhoudingsgewijs ook veel meer aanwezig dan het parenchym.

Hypoplastische testis
⦁ Onderontwikkelde testis

154
Q

Testisnecrose

A

Komt door een slechte castratie waarbij niet enkel de zaadstrengen gekneusd worden, maar ook de bloedvaten.

155
Q

Spermatocoele: retentiecyste van het caput epididymis

A

Cysteuze uitstulping van de epididymis
De epididymis dient als opslag voor spermatozoa. Bij reuen die niet dekken zie je dus vaak dat er cysteuze verwijdingen ontstaan omdat de epididymes overvuld zijn, en dit noemt men spermatocoele. Als dergelijke dilataties gaan ruptureren, dan kan het sperma in het interstitium terechtkomen en daarop volgt een vreemd voorwerp ontstekingsreactie (granulomen

156
Q

Circulatiestoornissen - testis, epididymis en ductes deferens

A
157
Q

Torsie van de zaadstreng

A

Als er torsie is van de zaadstreng is er in de eerste plaats een afsnoering van de venen. Hierop volgt een hemorrhagische infarcering van de testis en de epididymis. Bij een cryptorch is er een groter risico voor torsie van de zaadstreng.

158
Q

Orchitis

A

Ontsteking van de testis
⦁ Intratubulaire orchitis: Orchitis primair in de zaadbuisjes
⦁ Interstitiële orchitis: Orchitis primair tussen de zaadbuisjes
⦁ Necrotiserende orchitis: Orchitis met uitgebreide necrose

159
Q

Ontstekingen - testis, epididymis en ductes deferens

A
160
Q

Funniculitis

A

Dit is ontsteking van de ductus deferens

⦁ Dit kan gepaard gaan met ontsteking van de accessoire geslachtsklieren

161
Q

ACESSOIRE GESLACHTSKLIEREN

A
162
Q

Necrotiserende prostatitis bij de reu

A

Necrotiserende prostatitis bij de reu geeft heel typisch een zeer pijnlijk effect en defecatieproblemen.
De primaire oorzaak is bacterieel en er zijn geen echte predisponerende factoren beschreven

163
Q

Prostaathypertrofie – prostaathyperplasie

A

Een reu van middelbare leeftijd (7-9 jaar) ontwikkelt vaak een hypertrofie van de prostaat, meestal de pars externa.
Pars externa
⦁ Geeft aanleiding tot een hypertrofie van de tunica muscularis van de blaas Geeft een balkenblaas
⦁ Hypertrofische prostaat gaat bekkendoorgang vernauwen moeite met defeceren

Pars interna
⦁ Bultjes in de urethra, maar GEEN urethraobstructie

164
Q

PENIS EN PREPUTIUM

A
165
Q

Congenitale afwijkingen- penis en preputium

A
166
Q

Paraphimosis - phimosis

A

Paraphimosis
Er is een fibreuze ring rond de penis, waardoor deze niet terug kan inschachten na erectie
Phimosis
Penis kan helemaal zelf niet meer uitschachten

167
Q

Hypospadias
Letterlijk “kleine gaatjes”
Hypo = klein
Spadias= ruimtes

A

Er zijn openingen aan de ventrale zijde van de urethra, waardoor er urine kan uitsijpelen over heel de lengte van de urethra.
Er zijn openingen in de urethra omdat de urogenitale plooi niet volledig is gesloten tijdens de ontwikkeling.

168
Q

Stofwisselingsstoornis - penis en preputium

A
169
Q

Penisprolaps

A

⦁ Bij hengsten mag je bepaalde tranquillizers niet gebruiken omdat die een penisprolaps gaan veroorzaken.
⦁ De penis gaat zich passief opvullen met bloed en dit blijft zo.
⦁ Het bloed wordt dan zuurstofarm en dit veroorzaakt necrose.

170
Q

Ontstekingen - penis en preputium

A
171
Q

Balanopostitis

A

Ontsteking van de glanspenis en de mucusa van het preputium.
⦁ Frequent bij oudere reuen
⦁ Typisch komen er intermitterend etterdruppeltjes uit het preputium
⦁ De dieren hebben er weinig last van, maar het is wel chronisch
⦁ De mucosa is rood en heeft bubbeltjes erop, dit is een folliculaire ontstekingsreactie
⦁ Bij stieren zijn er ook ulceratieve en erosieve letsels die typisch zijn voor ibr

172
Q

HET HART

A
173
Q

HART ALGEMEEN

A

Het hartritme wordt bepaald door de bundel van His

Als je wilt controleren of een dier een shunt heeft, moet je kijken naar de dikte van het linker en rechter ventrikel. Als de dikte van de ventrikels niet gelijk is, dan weet je dat er een shunt kan zijn maar dat deze functioneel waarschijnlijk van weinig betekenis is.

De allometrie (verhouding tussen hartgewicht en lichaamsgewicht) van het hart is

174
Q

Congenitale afwijkingen - hart

A
175
Q

Embryogenese

A

Shunts zijn verbindingen tussen de kleine en grote circulatie, die hebben te maken met dingen die blijven steken in een embryonaal stadium.

Fenomeen

  1. Tussen de ventrikels: septum membranaceum gaat dicht voor de geboorte
  2. Tussen de atria: septum primum en secundum klapt dicht ten gevolge van de druktoename links

Na de geboorte
3. Tussen de aorta en de truncus pulmonalis. Ductus van Botalli: gaat dicht door spastische contractie

176
Q

Atriaal septumdefect

A

Foramen ovale persistens
Gat is te groot tussen de atria (septum secundum niet volledig aanglegd) hierdoor gaat klepeffect weg (geen druk door te groot gat)

Ostium secundum defect
septum secundum niet of maar een beetje aangelegd. Het verschil tussen foramen ovale persistens en ostium secundum defect is alleen de ergheid.

Ostium primum defect
Ook het septum primum is niet aangelegd.
Ergste variant (wel nog een kleine scheiding tussen de atria)

Core triloculare monoatriale
Hart heeft zelf maar 3 kamers ipv 4 (ergste vorm)

177
Q

Trilogie van Fallot

A
Ostium secundum defect + onderontwikkeling van de truncus pulmonalis 
TRILOGIE VAN FALLOT: 
⦁	Ostium secundum defect
⦁	Stenose van de truncus pulmonalis  
⦁	Hypertrofie van het rechter ventrikel 

De rechter ventrikel moet hard pompen om het bloed door de truncus pulmonalis te krijgen, waardoor er hypertrofie van de spieren optreedt. Voor de geboorte is het normaal dat linker en rechter ventrikel even dik zijn, na de geboorte is dit abnormaal.

178
Q

Interventriculair septumdefect

A

Septum tussen ventrikels blijft open (septum membraneceum).

Druk in beide ventrikels is dus gelijk, ventrikelwand is links dus even dik als rechts.

179
Q

Myocardhypertrofie

A

Myocard = hartspier

Extreme verdikking van het rechterhart
Door een shunt blijft druk gelijk in LH en RH Druk dat in longen terecht komt is daardoor veel te hoog Stuwing in de longen fibroblasten reageren hierop door fibrose van de long te creëren De druk in truncus pulmonalis is hoger dan in de aorta Stroom (in intraventriculair septumdefect) zal omkeren Spierwand van rechterventrikel neemt toe (myocardhypertrofie) vicieuze cirkel.
Dieren leven maximum enkele maanden.

180
Q

Tetralogie van Fallot

A
  1. Truncus pulmonalis stenose (secundair)
  2. Hoog interventriculair septumdefect (primair)
  3. Rijdende aorta
  4. Hypertrofie van het rechter ventrikel (secundair)
181
Q

Trilogie van Fallot vs Tetralogie van Fallot

A
Trilogie van Fallot
⦁	Interatriale setum defect
⦁	Ostium secundum defect (atria)
⦁	Stenose van de truncus pulmonalis  
⦁	Hypertrofie van het rechter ventrikel 
Tetralogie van Fallot
⦁	Hoog interventriculair septumdeffect
⦁	Hoog interventriculair septumdefect (primair)
⦁	Truncus pulmonalis stenose (secundair)
⦁	 Hypertrofie van het rechter ventrikel (secundair) 
⦁	Rijdende aorta
182
Q

Rijdende aorta

A

Hoog intraventriculair septumdefect opening in ventrikel ligt dicht bij aorta toegang Aorta krijgt bloed van beide ventrikels (zuurstof arm- en zuurstof rijk bloed hypertrofie van het rechter ventrikel

183
Q

Arteriële sclerose

A

Subvalvulaire stenose
Een ring voor de kleppen (nog in het hart zelf)
Tijdensde embryogenese zijn de mesenchymale cellen maar een deel omgevormd tot klep, de andere zijn gewoon een bult gebleven. We horen een murmur, doordat er geen lammellaire stroom is

Valvulaire stenose
Stenose ter hoogte van de kleppen
Mesenchymale cellen zijn wel gedeeltelijk ontwikkeld tot kleppen, maar ze zijn niet volledig gematureerd en zijn veel dikker dan de normale dunne kleppen. Soms ook ongelijke kleppen of gaten in de kleppen.

De perifere weefsels krijgen dan niet genoeg zuurstof voorziening

Supravalvulair
Stenose aan het begin van een bloedvat

184
Q

Ductus arteriosus persistens

A

Shunt (verbinding kleine- en grote bloedsomloop) tussen thoracale aorta en truncus pulmonalis.
(moet normaal sluiten door contractie gladde spiercellen)

Gevolg
Open verbinding, dus drukken blijven gelijk. Heeft ene effect op d eventrikelwand.

185
Q

Persisterende rechter aortaboog

A

Aorta ontstata uit de rechterkieuwboog ipv uit de linker kieuwboog de aortaboog vormt dan een vasculaire ring rond de oesofagus slokdarm kan daardoor maar hele beperkt uitzetten (dieren gaan regurteren)

186
Q

Klepcyste - klephematoom

A

Klein deffect in het epithele van de klep waar vocht (cyste) of bloed (hematoom) onder komt. Verder symptoomloos

187
Q

Stofwisselingsstoornissen - hart

A
188
Q

Hydropericard - hemopericard

A

Vocht in het hartzakje regeling van de mesotheelcellen verstoord waardoor ze te vele vocht produceren.
(hartzakje maakt dat de dilatatie van het hart niet te groot wordt als het aan het pompen is, dus we kunnen het niet verwijderen, tenzij we het dier daarna verbieden om een inspanning te doen)
Als er te veel vocht in het hartzakje zit dan kan het hart maar een beperkt slagvolume hebben weefsels krijgen te weinig O2

189
Q

Haemopericard

A

Bloed in het hartzakje

Oorzaak ?
⦁ Tumor in endotheelcellen (heangiosarcomen): Als daar een tumorale woekering ontstaat van endotheelcellen, dan gaan die niet meer goed bloed vasthouden in perfect afgesloten ruimtes en dan ontstaat er dus bloeding.
⦁ Trauma

190
Q

Pericarditis urica

A

Door jicht concentratie urinezuur w overschreden en slaat neer in het hartzakje (beleg van urinezuurkristallen aan het hart)

191
Q

Digitalisglycosiden

A

Digitalisglycosiden worden gebruikt als ondersteuning van de hartcontractie, ze stimuleren de hartcontractie. Als er teveel van wordt opgenomen, dan ontstaat er hartinsufficiëntie en hartblokkade. Dit zal een toxische degeneratie geven van het hart.

192
Q

Myocarddegeneratie

A

Als het myocard kapot gaat dan komen de eiwitten vrij die gaan neerslaan Witte plekken op hart
Bi degeneratie neemt permeabiliteit van de capillairen toe bloedingen op hart

Hyperacuut verloop
Door toxische beschadiging bv digitalis
Gaat zodanig snel dat er geen andere letsels zijn

Trager verloop
Bv door ionoforen coccidiostatica
Geeft witte opklaringen door acute zwelling

Vitamine E defficiëntie
Geeft membraanlekkage door zuurstofradicalen + opname vocht met calcium in.
Spierverval en fibrose in de plaats.
(maar meestal overleert het dier dit niet)

193
Q

Myocardnecrose

A

Wanneer er cellen afsterven in het myocard, myocardnecrose, dan is er sowieso verlittekening als het dier het overleeft.
Oorzaken
1. Anemisch infarct: thrombose
2. Vitamine E-deficiëntie
3. Toxines (thallium, monensine, …) 4. Uremie
5. Postanesthetische ischemie Er is minder doorbloeding van het hart na anesthesie

194
Q

Metastatische endocardverkalking – dystrofische endocardverkalking

A