Strafrecht W1 Flashcards

1
Q

Bronnen van het materiële strafrecht
1. Wetboek van Strafrecht
Het Wetboek van Strafrecht bestaat uit drie boeken:
a. Het Algemeen Deel (boek 1)
b. De misdrijven (boek 2)
c. De overtredingen (boek 3)

  1. Bijzondere wetten
  2. Gedelegeerde en lagere wetgeving
A

Bronnen van het materiële strafrecht
1. Wetboek van Strafrecht
Het Wetboek van Strafrecht bestaat uit drie boeken:
a. Het Algemeen Deel (boek 1)
In het Algemeen Deel zijn algemene leerstukken opgenomen. Weet echter dat een andere belangrijke bron hiervoor, zeker binnen het vak Materieel Strafrecht, de jurisprudentie is.
b. De misdrijven (boek 2)
Over het algemeen zijn misdrijven de ernstigere delicten, zoals mishandeling en moord.
c. De overtredingen (boek 3)
Overtredingen zijn minder ernstige ingrijpen, zoals openbaar dronkenschap.

  1. Bijzondere wetten
    Op grond van de schakelbepaling van art. 91 Sr zijn bijzondere wetten in beginsel onderworpen aan het regime van de algemene bepalingen van het Algemeen Deel van het Wetboek. Voorbeelden van bijzondere wetten zijn de Opiumwet, Auteurswet, Wegenverkeerswet, et cetera. Hierin kun je ook misdrijven en overtredingen vinden.
  2. Gedelegeerde en lagere wetgeving
    Dit is opgesteld door lagere wetgevers. Deze wetgeving kan alleen overtredingen bevatten, nooit misdrijven. Misdrijven zijn slechts te vinden in wetten in formele zin (opgesteld door hoogste wetgever: de regering en Staten-Generaal gezamenlijk).
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat zijn de functies van het materiële strafrecht?

A
  1. Rechtsbescherming
  2. Instrumentaliteit
  3. Rechtsbescherming
    - Rechtsbescherming van rechtsgoederen tegen inbreuken op rechten en vrijheden van burgers door anderen.
    - Rechtsbescherming van een (potentiële) verdachte tegen inbreuken op rechten en vrijheden door de overheid.
  • Het uitgangspunt is dat het particuliere belang van het slachtoffer niet voorop staat. Het betreft immers publiekrecht. Dit betekent dat het in eerste instantie gaat over de bescherming van de samenleving en de rechtsorde. Het is wel zo dat het belang van het slachtoffer een steeds prominentere rol inneemt binnen het strafrecht.
  1. Instrumentaliteit
  • Strafrecht wordt als middel ingezet om criminaliteit te bestrijden.
  • Naarmate het strafrecht instrumenteler wordt, grijpen we steeds eerder en sneller naar strafrechtelijke aansprakelijkheid.

Er dient een evenwicht te zijn tussen de rechtsbescherming en de instrumentaliteit. Meer rechten en waarborgen voor een verdachte kan namelijk leiden tot minder bescherming van rechtsgoederen. Vice versa kan toenemende instrumentaliteit leiden tot verkorting van rechtsbescherming van de verdachte tegen de overheid. Afgelopen decennia vond er een verschuiving plaats naar een meer instrumenteel strafrecht. Het vinden van een balans tussen rechtsbescherming enerzijds en criminaliteitsbestrijding anderzijds, blijft een terugkomend dilemma in het materiële strafrecht.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wat regelt het materiële strafrecht?

A

Het materiële strafrecht regelt het volgende:

  • Welke gedragingen strafbaar zijn en onder welke omstandigheden
    (zie hiervoor de algemeen geldende bepalingen neergelegd in het Algemene Deel van het Wetboek van Strafrecht)
  • Waaruit de straffen bestaan
    (zie het sanctiestelsel oftewel het geheel van straffen en maatregelen)
  • Onder welke voorwaarden het strafrecht mag worden toegepast.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

De geest van het Wetboek van Strafrecht
Het Wetboek van Strafrecht trad in werking in 1886, nadat het was voorbereid door Commissie De Wal. Deze commissie bestond geheel uit klassieke denkers (Klassieke Richting), waardoor het ontwerp sober en eenvoudig was. Tot op de dag van vandaag kent het Wetboek geen driedeling, maar een tweedeling van strafbare feiten (misdrijven en overtredingen). Een vrijheidsstraf werd de belangrijkste strafsoort geacht, die tenuitvoergelegd zou moeten worden via een cellulair stelsel (eenzame opsluiting; denk hierbij aan het idee van de koepelgevangenissen).

Het toegebrachte leed moest zoveel mogelijk worden vergolden (iemand straffen om het onrecht dat hij of zij je heeft aangedaan) via dit stelsel. Hierbij kwam een grote vrijheid toe aan de rechter ter zake van de straftoemeting. De delictsomschrijvingen waren sober en eenvoudig opgesteld, waardoor de rechter het toegebracht leed per individu moest vergelden door middel van een door hem gepast geachte straf.

Daarnaast bepaalde het ‘sobere’ Wetboek van Strafrecht geen algemene kernbegrippen, zoals daderschap, wederrechtelijkheid, schuld, causaliteit, et cetera. Deze begrippen kregen nadere duiding door de jurisprudentie. De strafrechtsdogmatiek hierachter is dat de principes en grondslagen van het strafrecht mee kunnen bewegen met maatschappelijke ontwikkelingen, zodat het strafrecht adequaat en consistent blijft.

In de periode vanaf 1911 hebben tal van bijstellingen plaatsgevonden van deze sobere klassieke denkbeelden van het Wetboek onder invloed van de Moderne Richting. Allereerst op het gebied van de zedendelicten in 1911, waarbij de strafwet werd gewijzigd en aangevuld. Daarnaast kwam de bemoeienis van de reclassering in 1923 opzetten, welke de zorg tijdens en na de detentie op zich ging nemen. Een andere belangrijke invloed van de Moderne Richting was het opportuniteitsbeginsel voor het OM. Dit beginsel brengt mee dat het OM zelf bepaalt wanneer het overgaat tot vervolging, afhankelijk van het algemeen belang. Deze veranderingen laten zien dat er meer aandacht kwam voor de persoon van de dader en niet slechts de vergelding centraal stond in het strafrecht. Het strafrecht werd zodoende meer humaan onder de denkbeelden van de Moderne Richting. Uiteindelijk is het Wetboek van Strafrecht een compromis (middenweg) geworden tussen deze twee denkrichtingen. We spreken daarom van de verenigingstheorie: vergelding is hierbij de grondslag van de straf, echter met de bijzondere doelen voor de dader als persoon in oogschouw genomen

A

De geest van het Wetboek van Strafrecht
Het Wetboek van Strafrecht trad in werking in 1886, nadat het was voorbereid door Commissie De Wal. Deze commissie bestond geheel uit klassieke denkers (Klassieke Richting), waardoor het ontwerp sober en eenvoudig was. Tot op de dag van vandaag kent het Wetboek geen driedeling, maar een tweedeling van strafbare feiten (misdrijven en overtredingen). Een vrijheidsstraf werd de belangrijkste strafsoort geacht, die tenuitvoergelegd zou moeten worden via een cellulair stelsel (eenzame opsluiting; denk hierbij aan het idee van de koepelgevangenissen).

Het toegebrachte leed moest zoveel mogelijk worden vergolden via dit stelsel. Hierbij kwam een grote vrijheid toe aan de rechter ter zake van de straftoemeting. De delictsomschrijvingen waren sober en eenvoudig opgesteld, waardoor de rechter het toegebracht leed per individu moest vergelden door middel van een door hem gepast geachte straf.

Daarnaast bepaalde het ‘sobere’ Wetboek van Strafrecht geen algemene kernbegrippen, zoals daderschap, wederrechtelijkheid, schuld, causaliteit, et cetera. Deze begrippen kregen nadere duiding door de jurisprudentie. De strafrechtsdogmatiek hierachter is dat de principes en grondslagen van het strafrecht mee kunnen bewegen met maatschappelijke ontwikkelingen, zodat het strafrecht adequaat en consistent blijft.

In de periode vanaf 1911 hebben tal van bijstellingen plaatsgevonden van deze sobere klassieke denkbeelden van het Wetboek onder invloed van de Moderne Richting. Allereerst op het gebied van de zedendelicten in 1911, waarbij de strafwet werd gewijzigd en aangevuld. Daarnaast kwam de bemoeienis van de reclassering in 1923 opzetten, welke de zorg tijdens en na de detentie op zich ging nemen. Een andere belangrijke invloed van de Moderne Richting was het opportuniteitsbeginsel voor het OM. Dit beginsel brengt mee dat het OM zelf bepaalt wanneer het overgaat tot vervolging, afhankelijk van het algemeen belang. Deze veranderingen laten zien dat er meer aandacht kwam voor de persoon van de dader en niet slechts de vergelding centraal stond in het strafrecht. Het strafrecht werd zodoende meer humaan onder de denkbeelden van de Moderne Richting. Uiteindelijk is het Wetboek van Strafrecht een compromis (middenweg) geworden tussen deze twee denkrichtingen. We spreken daarom van de verenigingstheorie: vergelding is hierbij de grondslag van de straf, echter met de bijzondere doelen voor de dader als persoon in oogschouw genomen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Het ultimum remedium-karakter van het strafrecht (laatste redmiddel)
De strafrechtscultuur reageert terughoudend met straffen. Het strafrecht moet gezien worden als uiterst redmiddel: ultimum remedium. Door het straffen komen rechten, zoals de fysieke vrijheid van personen, in het geding. Men dient zich dus telkens bewust te zijn van het ingrijpende en pijnlijke karakter van een straf. Voordat iemand gestraft mag worden, zal de wetgever op zoek moeten gaan naar andere wegen om het teweeggebrachte leed op te lossen (met uitzondering van de ernstige klassieke delicten). Hierbij moet men denken aan civiel recht, bestuursrecht, tuchtrecht of para-juridische wegen.

Het opportuniteitsbeginsel van het OM en de mogelijkheid van de rechter om van een straf af te zien (artikel 9a Sr) bieden mogelijkheden om aan deze terughoudendheid gehoor te geven. Daarnaast moet men zich realiseren dat het strafrecht er niet op is gericht om het aangebrachte leed te herstellen of ongedaan te maken. Het strafrecht biedt hier wel de mogelijkheden toe, door middel van een schadevergoeding of diverse maatregelen, maar dit is niet de grondslag van het strafrecht. De primaire grondslag van het strafrecht is vergelding (genoegdoening) ‘wie een strafbaar feit begaat, mag daar niet mee wegkomen’.

A

Het ultimum remedium-karakter van het strafrecht (laatste redmiddel)
De strafrechtscultuur reageert terughoudend met straffen. Het strafrecht moet gezien worden als uiterst redmiddel: ultimum remedium. Door het straffen komen rechten, zoals de fysieke vrijheid van personen, in het geding. Men dient zich dus telkens bewust te zijn van het ingrijpende en pijnlijke karakter van een straf. Voordat iemand gestraft mag worden, zal de wetgever op zoek moeten gaan naar andere wegen om het teweeggebrachte leed op te lossen (met uitzondering van de ernstige klassieke delicten). Hierbij moet men denken aan civiel recht, bestuursrecht, tuchtrecht of para-juridische wegen.

Het opportuniteitsbeginsel van het OM en de mogelijkheid van de rechter om van een straf af te zien (artikel 9a Sr) bieden mogelijkheden om aan deze terughoudendheid gehoor te geven. Daarnaast moet men zich realiseren dat het strafrecht er niet op is gericht om het aangebrachte leed te herstellen of ongedaan maken. Het strafrecht biedt hier wel de mogelijkheden toe, door middel van een schadevergoeding of diverse maatregelen, maar dit is niet de grondslag van het strafrecht. De primaire grondslag van het strafrecht is vergelding (genoegdoening) ‘wie een strafbaar feit begaat, mag daar niet mee wegkomen’

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

De geest van het Wetboek van Strafrecht (deel 2)
Het Wetboek van Strafrecht trad in werking in 1886 nadat het was voorbereid door de Commissie De Wal. Deze commissie bestond uit klassieke denkers (Klassieke Richting), waardoor het onderwerp sober en eenvoudig was.

Een vrijheidsstraf werd de belangrijkste strafsoort geacht, die tenuitvoergelegd zou moeten worden via een cellulair stelsel (eenzame opsluiting; bijv. koepelgevangenissen). Het toegebrachte leed moest zoveel mogelijk worden vergolden via dit stelsel. Hierbij kwam een grote vrijheid toe aan de rechter ter zake van de straftoemeting.

Daarnaast bepaalde het ‘sobere’ Wetboek van Strafrecht geen algemene kernbegrippen, zoals daderschap, wederrechtelijkheid, schuld, causaliteit etc. Deze begrippen werden ingevuld door de jurisprudentie. De strafrechtsdogmatiek hierachter is dat de principes en grondslagen van het strafrecht mee kunnen bewezen met maatschappelijke ontwikkelingen, zodat het strafrecht adequaat en consistent blijft.

Periode vanaf 1911 bijstellingen plaatsgevonden onder invloed van de Moderne Richting. Eerst op gebied van de zedendelicten in 1911. Daarna kwam de bemoeienis van de reclassering in 1923. En het opportuniteitsbeginsel kwam voor het OM. Deze veranderingen laten zien dat er meer aandacht kwam voor de persoon van de dader en niet slechts de vergelding centraal stond in het strafrecht.

Uiteindelijk is het wetboek van strafrecht een compromis (middenweg) geworden tussen deze twee denkrichtingen. De verenigingstheorie: vergelding is hierbij de grondslag van de straf, echter met de bijzondere doelen voor de dader als persoon in oogschouw genomen.

A

De geest van het Wetboek van Strafrecht (deel 2)
Het Wetboek van Strafrecht trad in werking in 1886 nadat het was voorbereid door de Commissie De Wal. Deze commissie bestond uit klassieke denkers (Klassieke Richting), waardoor het onderwerp sober en eenvoudig was.

Een vrijheidsstraf werd de belangrijkste strafsoort geacht, die tenuitvoergelegd zou moeten worden via een cellulair stelsel (eenzame opsluiting: bijv. koepelgevangenissen). Het toegebrachte leed moest zoveel mogelijk worden vergolden via dit stelsel. Hierbij kwam een grote vrijheid toe aan de rechter ter zake van de straftoemeting.

Daarnaast bepaalde het ‘sobere’ Wetboek van Strafrecht geen algemene kernbegrippen, zoals daderschap, wederrechtelijkheid, schuld, causaliteit etc. Deze begrippen werden ingevuld door de jurisprudentie. De strafrechtsdogmatiek hierachter is dat de principes en grondslagen van het strafrecht mee kunnen bewezen met maatschappelijke ontwikkelingen, zodat het strafrecht adequaat en consistent blijft.

Periode vanaf 1911 bijstellingen plaatsgevonden onder invloed van de Moderne Richting. Eerst op gebied van de zedendelicten in 1911. Daarna kwam de bemoeienis van de reclassering in 1923. En het opportuniteitsbeginsel kwam voor het OM. Deze veranderingen laten zien dat er meer aandacht kwam voor de persoon van de dader en niet slechts de vergelding centraal stond in het strafrecht.

Uiteindelijk is het wetboek van strafrecht een compromis (middenweg) geworden tussen deze twee denkrichtingen. De vergeldingstheorie: vergelding is hierbij de grondslag van de straf, echter met de bijzondere doelen voor de dader als persoon in oogschouw genomen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Het ultimum remedium-karakter van het strafrecht (laatste redmiddel) deel 2
De strafrechtscultuur reageert terughoudend met straffen. Het strafrecht moet gezien worden als uiterst redmiddel: ultimum remedium. Door het straffen komen rechten, zoals de fysieke vrijheid van personen, in het geding. Men dient zich dus telkens bewust te zijn van het ingrijpende en pijnlijke karakter van een straf. Voordat iemand gestraft mag worden, zal de wetgever op zoek moeten gaan naar andere wegen om het teweeggebrachte leed op te lossen (met uitzondering van de ernstige klassieke delicten). Hierbij moet men denken aan civiel recht, bestuursrecht, tuchtrecht of para-juridische wegen.

Het opportuniteitsbeginsel van het OM en de mogelijkheid van de rechter om van een straf af te zien (artikel 9a Sr) bieden mogelijkheden om aan deze terughoudendheid gehoor te geven.

A

Het ultimum remedium-karakter van het strafrecht (laatste redmiddel) deel 2
De strafrechtscultuur reageert terughoudend met straffen. Het strafrecht moet gezien worden als uiterst redmiddel: ultimum remedium. Door het straffen komen rechten, zoals de fysieke vrijheid van personen, in het geding. Men dient zich dus telkens bewust te zijn van het ingrijpende en pijnlijke karakter van een straf. Voordat iemand gestraft mag worden, zal de wetgever op zoek moeten gaan naar andere wegen om het teweeggebrachte leed op te lossen (met uitzondering van de ernstige klassieke delicten). Hierbij moet men denken aan civiel recht, bestuursrecht, tuchtrecht of para-juridische wegen.

Het opportuniteitsbeginsel van het OM en de mogelijkheid van de rechter om van een straf af te zien (artikel 9a Sr) bieden mogelijkheden om aan deze terughoudendheid gehoor te geven.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

De verschillende richtingen en hun rechtvaardiging van het strafrecht
Door de jaren heen zijn verschillende richtingen ontstaan met ieder hun eigen politieke en morele uitgangspunten die de straf kunnen rechtvaardigen:
- Plato is van mening dat de straf vooral de misdadiger moet verbeteren.
- Volgens Hugo de Groot was de straf juist de wil van de dader: hij heeft het feit begaan omdat hij de straf, als gevolg van zijn misdaad, simpelweg wilde.
- Rousseau gaat uit van het ‘contrat social’, dat mensen, net als bij een privaatrechtelijke overeenkomst, bindt aan de gevolgen van het strafrecht.

Tegenwoordig proberen we het strafrecht te rechtvaardigen aan de hand van de verenigingstheorie.

Absolute vergeldingstheorieën (vergelding)
In deze theorie vormt het misdrijf de grond voor de straf, waarbij ‘slechts’ het gepleegde misdrijf de rechtvaardiging vormt voor de straf. Het uiteindelijke doel is in deze theorie geheel ondergeschikt. Kant was van mening dat onrecht moest worden vergolden, door Kant ook wel het ‘Kategorischen Imperativ’ genoemd. Hegel was van mening dat de vergelding bestond uit een juiste afweging tussen de straf en het gepleegde misdrijf.

Klassieke richting (vergelding)
Ook de klassieke richting ziet de vergelding als grondslag voor de straf. Beccaria is de geestelijk vader van deze richting, waarin het reeds genoemde ‘contrat social’ een essentieel uitgangspunt vormt. Dit uitgangspunt gaat er, nogmaals, van uit dat door burgers onderling een contract is gesloten voor de uitoefening van de overheidsmacht. Iedere burger is in zoverre vrij (liberale gedachte) en de staat onthoudt zich van ingrijpen. Beccaria was namelijk van mening dat het maximale geluk moest worden nagestreefd voor zoveel mogelijk mensen. Dit moest worden bewerkstelligd door het voorkomen van criminaliteit en goede wetgeving. Voor het strafrecht betekende dit het volgende:
- uitsluitend geschreven wetboeken om willekeur uit te bannen;
- geen onnodige strafbaarstellingen;
- duidelijke en heldere formuleringen voor de rechtszekerheid;
- straffen voor zover de gestrafte zich aan de rechten van anderen heeft vergrepen;
- proportionaliteit van straffen;
- generaal-preventieve werking (bevolking);
- retrospectief reageren (terugblikkend).
Als het goed is herken je enkele van deze punten nog steeds in het hedendaagse strafrecht. Al met al kan gezegd worden dat het klassieke strafrecht een daadstrafrecht blijft.

Relatieve of doeltheorieën
De rechtvaardiging van de straf is gelegen in het doel daarvan, dit in tegenstelling tot de absolute theorieën, waar het doel door de vergelding door de vergelding wordt bepaald.

Moderne Richting en de IKV
IKV (Internationale Kriminalistische Vereinigung) werd in 1891 opgericht en had tot doel om crimineel-politieke doeleinden na te streven. Het uitgangspunt was dat speciale preventie (het ‘verbeteren’ van een gestrafte) een doorslaggevende betekenis moest gaan vervullen; de straf moest meer worden toegespitst op niet alleen het gepleegde delict, maar ook de persoon van de dader. Er kwam aldus een nadruk op de individualisering van het strafrecht. Deze individualisering moet het falen van het sanctiestelsel van de Klassieke Richting verbeteren. In de Moderne Richting gingen de ontwikkelingen van vele wetenschappen (sociologie, psychologie en psychiatrie) een belangrijke rol vervullen, waardoor het uitgangspunt eruit ging bestaan dat niet de daad, maar de dader centraal moet staan bij de oplegging van een straf. Waar in de Klassieke Richting de liberale vrijheid centraal stond, waar slechts door nauw omschreven wetten een inbreuk op mocht worden gemaakt, wordt er bij de Moderne Richting uitgegaan van buiten zijn vrije wil gelegen invloeden (denk aan opvoeding, milieu, psychische afwijking etc.) De Moderne Richting borduurt voort op de relatieve theorieën of doeltheorieën waarbij het doel hier dus ook centraal staat. Het proportioneel handelen van de Klassieke Richting moet hier - indien nodig - plaatsmaken voor disproportioneel doel-denken. Doordat er wordt uitgegaan van ‘buiten zijn vrije wil’ sluit het enigszins aan bij de deterministische visie (geen vrije wil).
De Moderne Richting heeft onder andere tot de Kinderwetten in 1901, de voorwaardelijke veroordeling in 1915, de uitbreiding van de mogelijkheden om een geldboete op te leggen in 1925 en de Psychopathenwetten in 1928 geleid.

Verenigingstheorie (dominant in onze strafrechtscultuur)
In Nederland gaan we tegenwoordig uit van de verenigingstheorie. In deze theorie wordt een hard onderscheid gemaakt tussen de rechtsgrond enerzijds en het doel van het strafrecht anderzijds. De rechtvaardiging voor de straf is in deze gemende theorie de vergelding. Het biedt echter ook bescherming aan de verdachte vanwege ‘de proportionaliteit in relatie tot de ernst van het verwijt dat hem daarvan mag worden gemaakt’. Dit geeft handvatten aan de rechter bij de oplegging van de straf. Voorbeeld: Diefstal van een brood door een arme zwerver uit nood rechtvaardigt een geheel andere straf dan een diefstal van een brood door een rijkaard met hebzucht.
Verschil met de Moderne Richting is dat de doelen nooit boven de grens van vergelding uit mogen komen; er mag dus niet disproportioneel worden gehandeld naar een bepaald doel. De rechter kan dus verschillende doeleinden beogen (bijv. gedragsbeïnvloeding en generale preventie), maar wel binnen de gegeven grenzen.

A

De verschillende richtingen en hun rechtvaardiging van het strafrecht
Door de jaren heen zijn verschillende richtingen ontstaan met ieder hun eigen politieke en morele uitgangspunten die de straf kunnen rechtvaardigen:
- Plato is van mening dat de straf vooral de misdadiger moet verbeteren.
- Volgens Hugo de Groot was de straf juist de wil van de dader: hij heeft het feit begaan, omdat hij de straf, als gevolg van zijn misdaad, simpelweg wilde.
- Rousseau gaat uit van het ‘contrat social’, dat mensen, net als bij een privaatrechtelijke overeenkomst, bindt aan de gevolgen van het strafrecht.

Tegenwoordig proberen we het strafrecht te rechtvaardigen aan de hand van de verenigingstheorie.

Absolute vergeldingstheorieën (vergelding)
In deze theorie vormt het misdrijf de grond voor de straf, waarbij ‘slechts’ het gepleegde misdrijf de rechtvaardiging vormt voor de straf. Het uiteindelijke doel is in deze theorie geheel ondergeschikt. Kant was van mening dat onrecht moest worden vergolden, door Kant ook wel het ‘Kategorischen Imperativ’ genoemd. Hegel was van mening dat de vergelding bestond uit een juiste afweging tussen de straf en het gepleegde misdrijf.

Klassieke richting (vergelding)
Ook de klassieke richting ziet de vergelding als grondslag voor de straf. Beccaria is de geestelijk vader van deze richting, waarin het reeds genoemde ‘contrat social’ een essentieel uitgangspunt vormt. Dit uitgangspunt gaat er, nogmaals, van uit dat door burgers onderling een contract is gesloten voor de uitoefening van de overheidsmacht. Iedere burger is in zoverre vrij (liberale gedachte) en de staat onthoudt zich van ingrijpen. Beccaria was namelijk van mening dat het maximale geluk moest worden nagestreefd voor zoveel mogelijk mensen. Dit moest worden bewerkstelligd door het voorkomen van criminaliteit en goede wetgeving. Voor het strafrecht betekende dit het volgende:
- uitsluitend geschreven wetboeken om willekeur uit te bannen;
- geen onnodige strafbaarstellingen;
- duidelijke en heldere formuleringen voor de rechtszekerheid;
- straffen voor zover de gestrafte zich aan de rechten van anderen heeft vergrepen;
- proportionaliteit van straffen;
- generaal-preventieve werking (bevolking);
- retrospectief reageren (terugblikkend).
Als het goed is herken je enkele van deze punten nog steeds in het hedendaagse strafrecht. Al met al kan gezegd worden dat het klassieke strafrecht een daadstrafrecht blijft.

Relatieve of doeltheorieën
De rechtvaardiging van de straf is gelegen in het doel daarvan, dit in tegenstelling tot de absolute theorieën, waar het doel door de vergelding door de vergelding wordt bepaald.

Moderne Richting en de IKV
IKV (Internationale Kriminalistische Vereinigung) werd in 1891 opgericht en had tot doel om crimineel-politieke doeleinden na te streven. Het uitgangspunt was dat speciale preventie (het ‘verbeteren’ van een gestrafte) een doorslaggevende betekenis moest gaan vervullen; de straf moest meer worden toegespitst op niet alleen het gepleegde delict, maar ook de persoon van de dader. Er kwam aldus een nadruk op de individualisering van het strafrecht. Deze individualisering moet het falen van het sanctiestelsel van de Klassieke Richting verbeteren. In de Moderne Richting gingen de ontwikkelingen van vele wetenschappen (sociologie, psychologie en psychiatrie) een belangrijke rol vervullen, waardoor het uitgangspunt eruit ging bestaan dat niet de daad, maar de dader centraal moet staan bij de oplegging van een straf. Waar in de Klassieke Richting de liberale vrijheid centraal stond, waar slechts door nauw omschreven wetten een inbreuk op mocht worden gemaakt, wordt er bij de Moderne Richting uitgegaan van buiten zijn vrije wil gelegen invloeden (denk aan opvoeding, milieu, psychische afwijking etc.) De Moderne Richting borduurt voort op de relatieve theorieën of doeltheorieën waarbij het doel hier dus ook centraal staat. Het proportioneel handelen van de Klassieke Richting moet hier - indien nodig - plaatsmaken voor disproportioneel doel-denken. Doordat er wordt uitgegaan van ‘buiten zijn vrije wil’ sluit het enigszins aan bij de deterministische visie (geen vrije wil).
De Moderne Richting heeft onder andere tot de Kinderwetten in 1901, de voorwaardelijke veroordeling in 1915, de uitbreiding van de mogelijkheden om een geldboete op te leggen in 1925 en de Psychopathenwetten in 1928 geleid.

Verenigingstheorie (dominant in onze strafrechtscultuur)
In Nederland gaan we tegenwoordig uit van de verenigingstheorie. In deze theorie wordt een hard onderscheid gemaakt tussen de rechtsgrond enerzijds en het doel van het strafrecht anderzijds. De rechtvaardiging voor de straf is in deze gemende theorie de vergelding. Het biedt echter ook bescherming aan de verdachte vanwege ‘de proportionaliteit in relatie tot de ernst van het verwijt dat hem daarvan mag worden gemaakt’. Dit geeft handvatten aan de rechter bij de oplegging van de straf. Voorbeeld: Diefstal van een brood door een arme zwerver uit nood rechtvaardigt een geheel andere straf dan een diefstal van een brood door een rijkaard met hebzucht.
Verschil met de Moderne Richting is dat de doelen nooit boven de grens van vergelding uit mogen komen; er mag dus niet disproportioneel worden gehandeld naar een bepaald doel. De rechter kan dus verschillende doeleinden beogen (bijv. gedragsbeïnvloeding en generale preventie), maar wel binnen de gegeven grenzen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q
  • Klassieke Richting + Absolute theorieën (vergelding, proportioneel).
  • Moderne Richting + Relatieve theorieën of doeltheorieën (doel, disproportioneel (dader staat centraal)).
A
  • Klassieke Richting + Absolute theorieën (vergelding, proportioneel).
  • Moderne Richting + Relatieve theorieën of doeltheorieën (doel, disproportioneel (dader staat centraal)).
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

De Utrechtse School
Na de Tweede Wereldoorlog is binnen het strafrecht het accent van de vergelding meer verschoven naar de maatschappelijke doelgerichtheid. Deze ontwikkeling heeft geresulteerd in verschillende denkrichtingen. Zo heeft Willem Pompe de Utrechtse School geïnitieerd, hetgeen een grote invloed op de Nederlandse strafrechtspleging heeft gehad. In het door Willem Pompe opgerichte Criminologisch Instituut vond een samenwerking plaats tussen strafrechtswetenschap, criminologie, penologie, sociologie, forensische psychiatrie en psychologie. Pompe pleitte samen met Kempe en Baan voor meer aandacht voor de dader als persoon in combinatie met de grondslag van vergelding.

De opvattingen van Pompe sluiten aan bij de verenigingstheorie: ‘verhelderend is zijn scherpe onderscheid tussen het wezen van de straf: de vergelding der schuld, het doel van de straf als instituut van het recht: de behartiging van het algemeen welzijn, en de werking van de straf: speciale en generale preventie’. De Utrechtse School benadrukte een benadering van de mens in heel zijn wezen. Deze benadering vond zijn grondslag in de samenwerking tussen de verschillende wetenschappen in het Instituut. Een resultaat hiervan is bijvoorbeeld het Pieter Baan Centrum.

Gesteld kan worden dat de Utrechtse School ervoor heeft gezorgd dat de persoon des daders meer centraal komt te staan (humanisering) en aldus heeft bijgedragen aan een vermildering van het Nederlandse strafklimaat in de zin van de detentiesituaties.

A

De Utrechtse School
Na de Tweede Wereldoorlog is binnen het strafrecht het accent van de vergelding meer verschoven naar de maatschappelijke doelgerichtheid. Deze ontwikkeling heeft geresulteerd in verschillende denkrichtingen. Zo heeft Willem Pompe de Utrechtse School geïnitieerd, hetgeen een grote invloed op de Nederlandse strafrechtspleging heeft gehad. In het door Willem Pompe opgerichte Criminologisch Instituut vond een samenwerking plaats tussen strafrechtswetenschap, criminologie, penologie, sociologie, forensische psychiatrie en psychologie. Pompe pleitte samen met Kempe en Baan voor meer aandacht voor de dader als persoon in combinatie met de grondslag van vergelding.

De opvattingen van Pompe sluiten aan bij de verenigingstheorie: ‘verhelderend is zijn scherpe onderscheid tussen het wezen van de straf: de vergelding der schuld, het doel van de straf als instituut van het recht: de behartiging van het algemeen welzijn, en de werking van de straf: speciale en generale preventie’. De Utrechtse School benadrukte een benadering van de mens in heel zijn wezen. Deze benadering vond zijn grondslag in de samenwerking tussen de verschillende wetenschappen in het Instituut. Een resultaat hiervan is bijvoorbeeld het Pieter Baan Centrum.

Gesteld kan worden dat de Utrechtse School ervoor heeft gezorgd dat de persoon des daders meer centraal komt te staan (humanisering) en aldus heeft bijgedragen aan een vermildering van het Nederlandse strafklimaat in de zin van de detentiesituaties.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Culturele bepaaldheid
Nederland heeft zich steeds meer van nachtwakersstaat naar verzorgingsstaat ontwikkeld. Individuele belangen staan steeds meer voorop, ook die van het slachtoffer. Dit heeft consequenties voor het belang van legaliteit. Om als rechter slachtoffers te kunnen beschermen, moeten strafbepalingen namelijk extensiever (uitgebreid) uitgelegd worden.

Een toelichting aan de hand van HR Vertonen in de zin van art. 240a Sr: Valt het versturen van een Whatsapp-bericht onder ‘vertonen’? De Hoge Raad heeft volgens de wetshistorische interpretatie geoordeeld. Rozemond heeft hier kritiek op geleverd: hoe kan de wetgever in het jaar 2000 nou aan Whatsapp-berichten hebben gedacht bij het opstellen van de wetsbepaling, als Whatsapp of überhaupt ‘sexting’ nog niet bestond? Wanneer men kijkt naar het rechtsgoed dat wordt geschonden, is het echter heel goed verdedigbaar om deze gedraging alsnog strafbaar te achten. In het kader van de rechtsbescherming/voorzienbaarheid vormt het geen probleem - de verdachte had zich prima af kunnen vragen bij het versturen van de beelden of het wel zo legaal was of niet.

A

Culturele bepaaldheid
Nederland heeft zich steeds meer van nachtwakersstaat naar verzorgingsstaat ontwikkeld. Individuele belangen staan steeds meer voorop, ook die van het slachtoffer. Dit heeft consequenties voor het belang van legaliteit. Om als rechter slachtoffers te kunnen beschermen, moeten strafbepalingen namelijk extensiever (uitgebreid) uitgelegd worden.

Een toelichting aan de hand van HR Vertonen in de zin van art. 240a Sr: Valt het versturen van een Whatsapp-bericht onder ‘vertonen’? De Hoge Raad heeft volgens de wetshistorische interpretatie geoordeeld. Rozemond heeft hier kritiek op geleverd: hoe kan de wetgever in het jaar 2000 nou aan Whatsapp-berichten hebben gedacht bij het opstellen van de wetsbepaling, als Whatsapp of überhaupt ‘sexting’ nog niet bestond? Wanneer men kijkt naar het rechtsgoed dat wordt geschonden, is het echter heel goed verdedigbaar om deze gedraging alsnog strafbaar te achten. In het kader van de rechtsbescherming/voorzienbaarheid vormt het geen probleem - de verdachte had zich prima af kunnen vragen bij het versturen van de beelden of het wel zo legaal was of niet.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel
Het materieelstrafrechtelijk legaliteitsbeginsel kan worden gevonden in art. 1 Sr. Let op: het materiële strafrecht is niet alleen in het Wetboek van Strafrecht te vinden, maar ook in lagere wetgeving, zoals de Gemeentewet en de Provinciewet.

Deelnormen
Dit legaliteitsbeginsel omvat zeven deelnormen:
1 Lex certa (een duidelijk geformuleerde delictsomschrijving)
2 Strikte interpretatie
3 Verbod van analogie
4 Lex scripta (gewoonte is geen directe bron)
5 Verbod van terugwerkende kracht
6 Nulla poena-regel
7 Noodzaak om de wet te kennen

  1. Lex certa (een duidelijk geformuleerde delictsomschrijving)
    De wet moet duidelijk zijn in zijn bewoordingen. Voor de wetgever in het strafrecht is het echter van belang zo min mogelijk bestanddelen in de delictsomschrijving op te nemen, want elk bestanddeel moet door het OM in de tenlastelegging worden gesteld, met bewijs worden gestaafd en door de rechter bewezen worden verklaard. Het is van belang dat de wetgever een consistente techniek toepast, die de duidelijkheid van zijn bedoelingen zoveel mogelijk ten goede moet komen. De strafwet kent verschillende methoden om delicten te formuleren:

1 Soms wordt volstaan met een typering van het delict door middel van uitsluitend een juridische benaming, een kwalificatie. Een voorbeeld is art. 300 Sr: ‘mishandeling wordt gestraft met…’ Het is dan aan de rechtspraak om aan die juridische benaming een nadere omlijning te geven.

2 Het opsommen van bestanddelen, gedragingen en omstandigheden, zonder daarbij een kwalificatie te noemen. Een voorbeeld is huisvredebreuk art. 138 Sr.

3 Een combinatie van het opsommen en een juridische benaming. Een voorbeeld zijn vermogensdelicten (bijv. 310 Sr): ‘hij die enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort wegneemt, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, wordt, als schuldig aan diefstal, gestraft met…’.

De terminologie moet zo duidelijk en precies mogelijk zijn: vage termen moeten worden vermeden. Open delictsomschrijvingen worden naar concrete gevallen ingevuld. Hierbij is sprake van een ruime interpretatie, omdat er zeer veel manieren bestaan waarop een dergelijke delictsomschrijving kan worden vervuld. In wezen staat het gebruik van open termen op gespannen voet met het lex certa-beginsel, want een delictsomschrijving moet eigenlijk voor zichzelf spreken. Het lex certa-beginsel vormt een inspanningsverplichting voor de wetgever.

  1. Strikte interpretatie (gebondenheid van de rechter aan de wettekst)
    De betekenis van delictsomschrijvingen zijn niet altijd onmiddellijk duidelijk. In die gevallen moet de rechter de wet interpreteren, waarbij hij wel strikt gebonden blijft aan de tekst van de wet. Dit kun je zien als de noodzakelijke keerzijde van het lex certa-beginsel. Er bestaan verschillende interpretatiemethoden:
    1 Grammaticale interpretatie: De rechter stemt zijn interpretatie af op de ‘evident uit de tekst van de desbetreffende wettelijke bepaling sprekende betekenis’.

2 Wetshistorische interpretatiemethode: De rechter stelt de uitleg van de bepaling afhankelijk van de bedoeling die de wetgever heeft gehad met het in het leven roepen van de wettelijke bepaling. De rechter maakt dan gebruik van (parlementaire) documenten die bij de totstandkoming of de voorgeschiedenis van de desbetreffende bepaling zijn geproduceerd.

3 Wetssystematische interpretatiemethode: De rechter stemt zijn interpretatie af op argumenten die hij ontleent aan het systeem van de regeling waarvan de bepaling deel uitmaakt.

4 Teleologische interpretatiemethode: De interpretatie van een delictsbestanddeel wordt mede ontleend aan de strekking of de ratio van de bepaling waarin het bestanddeel figureert. Het gaat hier vooral om de betekenis van de bepaling naar hedendaagse opvattingen.

5 Functionele interpretatiemethode: In overeenstemming met de maatschappelijke functie die de desbetreffende strafbepaling vervult, verkrijgt die betekenis voor het concrete geval.

In de rechtspraak komt het vaak voor dat de rechter extensief (uitbreidend) interpreteert, ofwel een bepaling in meer of mindere mate uitbreidend uitlegt (niet strikt). Dit kan problematisch zijn met het oog op het legaliteitsbeginsel. Hieronder worden een aantal interpretatieproblemen uit de rechtspraak genoemd:
- Verschuivende betekenissen van termen of begrippen die in de wettekst gebruikt worden.
- Verschuivende maatschappelijke ontwikkelingen en verschuivingen in algemene, maatschappelijke opvattingen.
- Technologische ontwikkelingen en modernisering voegen soms een nieuwe betekenis toe aan de betekenis die op zichzelf duidelijke delictsbestanddelen tot nog toe hebben gehad.
- Conflicterende rechtsbelangen zorgen ervoor dat in de meeste gevallen zal worden gekozen voor de meest overtuigende redenering in het licht van wat naar het rechtsgevoel het meest voor de hand liggend of acceptabel is, dan wel met het oog op het resultaat dat men wenselijk vindt.

  1. Verbod van analogische wetsinterpretatie
    Analogie houdt in dat uit een bestaand wettelijk voorschrift een grondregel gedestilleerd en toegepast wordt op een geval dat strikt genomen niet onder dit voorschrift valt, maar dat niet essentieel verschilt van een geval waarvoor het voorschrift bedoeld is te gelden. Dit is niet toegestaan. De normen voelen gelijksoortig aan, maar komen in wezen niet op hetzelfde neer. Tegen een analogische, verruimde interpretatie is op zichzelf een groot bezwaar te maken vanuit het oogpunt dat de wetgever nauwgezet delictsomschrijvingen formuleert die de grenzen van de strafbaarheid vormen. Wanneer de rechter een bestaande wettelijke strafbaarheidstelling analogisch toepast op een geval waarvoor de strafbepaling niet is geschreven, vult hij op eigen houtje een lacune in de wetgeving en maakt hij gebruik van een staatsbevoegdheid die alleen de wetgever toekomt.
  2. Lex scripta
    Deze deelnorm houdt in dat de gewoonte geen directe bron is van strafrecht. Slechts de geschreven wet en meer specifiek de geschreven wet in materiële zin mag een bron van het strafrecht zijn. Een beroep op gewoonte als onmiddellijke bron van strafbaarheid kan willekeur in de hand werken, waartegen het legaliteitsbeginsel zich nou juist verzet. Wel kan de gewoonte op een indirecte wijze een feit strafbaar laten zijn. Vooral bij open delictsomschrijvingen kan gewoonte een rol spelen.
  3. Verbod van terugwerkende kracht
    Dit verbod ligt besloten in art. 1 lid 1 Sr. Dit artikel stelt dat strafbepalingen vooraf moeten gaan aan het gepleegde strafbare feit. Het feit kan dus enkel strafbaar zijn als reeds een dergelijke wettelijke strafbepaling bestond. Dit is niet alleen vanuit de noodzaak van rechtszekerheid, maar ook vanuit het belang van de generaal-preventieve werking van het strafrecht: een delictsomschrijving kan alleen afschrikkend werken met betrekking tot gedragingen die na de totstandkoming van de wettelijke strafbaarstelling worden verricht. Lid 2 van art. 1 Sr bepaalt daarbij dat bij verandering van wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan de voor de verdachte gunstige bepaling wordt toegepast.
  4. Nulla poena-regel
    De rechter is gebonden aan de wet. Er mogen geen onbekende straffen of straffen die het wettelijke maximum te boven gaan, worden opgelegd.

7 Noodzaak de wet te kunnen kennen
Op grond van art. 88 Gw kunnen wetten pas in werking treden wanneer zij op bij de wet geregelde wijze bekend zijn gemaakt. Deze bepaling weerspiegelt deze deelnorm. Het niet kunnen kennen van de strafrechtelijke voorschriften is in strijd met het beginsel van rechtszekerheid en staat eveneens de generaal-preventieve werking van het strafrecht in de weg.

Dit neemt niet weg dat bij burgers nadere vragen over de betekenis van een bepaald bestanddeel of over de reikwijdte van een bepaalde wet kunnen rijzen, die van tevoren niet voor iedereen zijn te beantwoorden. Wie hierover bij een als deskundig en bevoegd te beschouwen persoon verkeerde inlichtingen verwerft, treft, wegens voldoende gebleken inspanning om zich op de hoogte te stellen, geen verwijt.

A

Het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel
Het materieelstrafrechtelijk legaliteitsbeginsel kan worden gevonden in art. 1 Sr. Let op: het materiële strafrecht is niet alleen in het Wetboek van Strafrecht te vinden, maar ook in lagere wetgeving, zoals de Gemeentewet en de Provinciewet.

Deelnormen:
Dit legaliteitsbeginsel omvat zeven deelnormen:
1 Lex certa (een duidelijk geformuleerde delictsomschrijving)
2 Strikte interpretatie
3 Verbod van analogie
4 Lex scripta (gewoonte is geen directe bron)
5 Verbod van terugwerkende kracht
6 Nulla poena-regel
7 Noodzaak om de wet te kennen

  1. Lex certa (een duidelijk geformuleerde delictsomschrijving)
    De wet moet duidelijk zijn in zijn bewoordingen. Voor de wetgever in het strafrecht is het echter van belang om zo min mogelijk bestanddelen in de delictsomschrijving op te nemen, want elk bestanddeel moet door het OM in de tenlastelegging worden gesteld, met bewijs worden gestaafd en door de rechter bewezen worden verklaard. Het is van belang dat de wetgever een consistente techniek toepast, die de duidelijkheid van zijn bedoelingen zoveel mogelijk ten goede moet komen. De strafwet kent verschillende methoden om delicten te formuleren:
  2. Soms wordt volstaan met een typering van het delict door middel van uitsluitend een juridische benaming, een kwalificatie. Een voorbeeld is art. 300 Sr: ‘Mishandeling wordt gestraft met…’ Het is dan aan de rechtspraak om aan die juridische benaming een nadere omlijning te geven.
  3. Het opsommen van bestanddelen, gedragingen en omstandigheden, zonder daarbij een kwalificatie te noemen. Een voorbeeld is huisvredebreuk art. 138 Sr.
  4. Een combinatie van het opsommen en een juridische benaming. Een voorbeeld zijn vermogensdelicten (bijv. 310 Sr: ‘hij die enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort wegneemt, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, wordt, als schuldig aan diefstal, gestraft met…’.

De terminologie moet zo duidelijk en precies mogelijk zijn: vage termen moeten worden vermeden. Open delictsomschrijvingen worden naar concrete gevallen ingevuld. Hierbij is sprake van een ruime interpretatie, omdat er zeer veel manieren bestaan waarop een dergelijke delictsomschrijving kan worden vervuld. In wezen staat het gebruik van open termen op gespannen voet met het lex certa-beginsel, want een delictsomschrijving moet eigenlijk voor zichzelf spreken. Het lex certa-beginsel vormt een inspanningsverplichting voor de wetgever.

  1. Strikte interpretatie (gebondenheid van de rechter aan de wettekst)
    De betekenis van delictsomschrijvingen zijn niet altijd onmiddellijk duidelijk. In die gevallen moet de rechter de wet interpreteren, waarbij hij wel strikt gebonden blijft aan de tekst van de wet. Dit kun je zien als de noodzakelijke keerzijde van het lex certa-beginsel. Er bestaan verschillende interpretatiemethoden:
    1 Grammaticale interpretatie: De rechter stemt zijn interpretatie af op de ‘evident uit de tekst van de desbetreffende wettelijke bepaling sprekende betekenis’.

2 Wetshistorische interpretatiemethode: De rechter stelt de uitleg van de bepaling afhankelijk van de bedoeling die de wetgever heeft gehad met het in het leven roepen van de wettelijke bepaling. De rechter maakt dan gebruik van (parlementaire) documenten die bij de totstandkoming of de voorgeschiedenis van de desbetreffende bepaling zijn geproduceerd.

3 Wetssystematische interpretatiemethode: De rechter stemt zijn interpretatie af op argumenten die hij ontleent aan het systeem van de regeling waarvan de bepaling deel uitmaakt.

4 Teleologische interpretatiemethode: De interpretatie van een delictsbestanddeel wordt mede ontleend aan de strekking of de ratio van de bepaling waarin het bestanddeel figureert. Het gaat hier vooral om de betekenis van de bepaling naar hedendaagse opvattingen.

5 Functionele interpretatiemethode: In overeenstemming met de maatschappelijke functie die de desbetreffende strafbepaling vervult, verkrijgt die betekenis voor het concrete geval.

In de rechtspraak komt het vaak voor dat de rechter extensief (uitbreidend) interpreteert, ofwel een bepaling in meer of mindere mate uitbreidend uitlegt (niet strikt). Dit kan problematisch zijn met het oog op het legaliteitsbeginsel. Hieronder worden een aantal interpretatieproblemen uit de rechtspraak genoemd:
- Verschuivende betekenissen van termen of begrippen die in de wettekst gebruikt worden.
- Verschuivende maatschappelijke ontwikkelingen en verschuivingen in algemene, maatschappelijke opvattingen.
- Technologische ontwikkelingen en modernisering voegen soms een nieuwe betekenis toe aan de betekenis die op zichzelf duidelijke delictsbestanddelen tot nog toe hebben gehad.
- Conflicterende rechtsbelangen zorgen ervoor dat in de meeste gevallen zal worden gekozen voor de meest overtuigende redenering in het licht van wat naar het rechtsgevoel het meest voor de hand liggend of acceptabel is, dan wel met het oog op het resultaat dat men wenselijk vindt.

  1. Verbod van analogische wetsinterpretatie
    Analogie houdt in dat uit een bestaand wettelijk voorschrift een grondregel gedestilleerd en toegepast wordt op een geval dat strikt genomen niet onder dit voorschrift valt, maar dat niet essentieel verschilt van een geval waarvoor het voorschrift bedoeld is te gelden. Dit is niet toegestaan. De normen voelen gelijksoortig aan, maar komen in wezen niet op hetzelfde neer. Tegen een analogische, verruimde interpretatie is op zichzelf een groot bezwaar te maken vanuit het oogpunt dat de wetgever nauwgezet delictsomschrijvingen formuleert die de grenzen van de strafbaarheid vormen. Wanneer de rechter een bestaande wettelijke strafbaarheidstelling analogisch toepast op een geval waarvoor de strafbepaling niet is geschreven, vult hij op eigen houtje een lacune in de wetgeving en maakt hij gebruik van een staatsbevoegdheid die alleen de wetgever toekomt.
  2. Lex scripta
    Deze deelnorm houdt in dat de gewoonte geen directe bron is van strafrecht. Slechts de geschreven wet en meer specifiek de geschreven wet in materiële zin mag een bron van het strafrecht zijn. Een beroep op gewoonte als onmiddellijke bron van strafbaarheid kan willekeur in de hand werken, waartegen het legaliteitsbeginsel zich nou juist verzet. Wel kan de gewoonte op een indirecte wijze een feit strafbaar laten zijn. Vooral bij open delictsomschrijvingen kan gewoonte een rol spelen.
  3. Verbod van terugwerkende kracht
    Dit verbod ligt besloten in art. 1 lid 1 Sr. Dit artikel stelt dat strafbepalingen vooraf moeten gaan aan het gepleegde strafbare feit. Het feit kan dus enkel strafbaar zijn als reeds een dergelijke wettelijke strafbepaling bestond. Dit is niet alleen vanuit de noodzaak van rechtszekerheid, maar ook vanuit het belang van de generaal-preventieve werking van het strafrecht: een delictsomschrijving kan alleen afschrikkend werken met betrekking tot gedragingen die na de totstandkoming van de wettelijke strafbaarstelling worden verricht. Lid 2 van art. 1 Sr bepaalt daarbij dat bij verandering van wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan de voor de verdachte gunstige bepaling wordt toegepast.
  4. Nulla poena-regel
    De rechter is gebonden aan de wet. Er mogen geen onbekende straffen of straffen die het wettelijke maximum te boven gaan, worden opgelegd.

7 Noodzaak de wet te kunnen kennen
Op grond van art. 88 Gw kunnen wetten pas in werking treden wanneer zij op bij de wet geregelde wijze bekend zijn gemaakt. Deze bepaling weerspiegelt deze deelnorm. Het niet kunnen kennen van de strafrechtelijke voorschriften is in strijd met het beginsel van rechtszekerheid en staat eveneens de generaal-preventieve werking van het strafrecht in de weg.

Dit neemt niet weg dat bij burgers nadere vragen over de betekenis van een bepaald bestanddeel of over de reikwijdte van een bepaalde wet kunnen rijzen, die van tevoren niet voor iedereen zijn te beantwoorden. Wie hierover bij een als deskundig en bevoegd te beschouwen persoon verkeerde inlichtingen verwerft, treft, wegens voldoende gebleken inspanning om zich op de hoogte te stellen, geen verwijt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Dimensies
Het legaliteitsbeginsel van art. 1 Sr kan gezien worden als de strafrechtelijke verschijningsvorm van een algemeen publiekrechtelijk beginsel dat betrekking heeft op de verhouding tussen individu en staat, dat vooral ziet op de begrenzing van de macht die de staat jegens het individu uit mag oefenen. Het legaliteitsbeginsel heeft verschillende dimensies:
1. Constitutionele dimensie:
Dit betreft de taakverdeling tussen de rechter en de wetgever (machtenscheiding). De rechter mag namelijk niet zelf strafbaarheid creëren, maar heeft daarvoor een wettelijke grondslag nodig.

  1. Rechtsbeschermende dimensie:
    Dit betreft de individuele rechtszekerheid. De burger moet weten voor welke gedragingen onder welke omstandigheden hij strafbaar zal zijn. Zo kan hij zijn gedrag daarop afstemmen. Het uitgangspunt van het Europese Hof is dat de wet toegankelijk en voorzienbaar moet zijn.
  2. Generaal-preventieve dimensie:
    Generale preventie zou ervoor moeten zorgen dat burgers zich onthouden van het plegen van strafbare feiten door de waarschuwende werking van het strafrecht. De wet moet hierbij duidelijk zijn over wat strafbaar is.
A

Dimensies
Het legaliteitsbeginsel van art. 1 Sr kan gezien worden als de strafrechtelijke verschijningsvorm van een algemeen publiekrechtelijk beginsel dat betrekking heeft op de verhouding tussen individu en staat, dat vooral ziet op de begrenzing van de macht die de staat jegens het individu uit mag oefenen. Het legaliteitsbeginsel heeft verschillende dimensies:
1. Constitutionele dimensie:
Dit betreft de taakverdeling tussen de rechter en de wetgever (machtenscheiding). De rechter mag namelijk niet zelf strafbaarheid creëren, maar heeft daarvoor een wettelijke grondslag nodig.

  1. Rechtsbeschermende dimensie:
    Dit betreft de individuele rechtszekerheid. De burger moet weten voor welke gedragingen onder welke omstandigheden hij strafbaar zal zijn. Zo kan hij zijn gedrag daarop afstemmen. Het uitgangspunt van het Europese Hof is dat de wet toegankelijk en voorzienbaar moet zijn.
  2. Generaal-preventieve dimensie:
    Generale preventie zou ervoor moeten zorgen dat burgers zich onthouden van het plegen van strafbare feiten door de waarschuwende werking van het strafrecht. De wet moet hierbij duidelijk zijn over wat strafbaar is.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Het begrip strafbaar feit
Ook het begrip strafbaar feit kent drie dimensies:
1 Historisch:
de gedraging van iemand in een bepaalde context met een ongewenst resultaat levert een strafbaar feit op, omdat het in de wet zo beschreven wordt. Denk bijv. aan een vechtpartij die wordt waargenomen op straat.

  1. Wettelijk:
    De gedraging kan onder een wettelijke delictsomschrijving worden gebracht en vervult daarbij alle delictsbestanddelen. Denk bijv. aan de toepassing van art. 287 Sr.
  2. Juridisch:
    Er bestaan algemene voorwaarden voor strafbaarheid.
A

Het begrip strafbaar feit
Ook het begrip strafbaar feit kent drie dimensies:
1 Historisch:
de gedraging van iemand in een bepaalde context met een ongewenst resultaat levert een strafbaar feit op, omdat het in de wet zo beschreven wordt. Denk bijv. aan een vechtpartij die wordt waargenomen op straat.

  1. Wettelijk:
    De gedraging kan onder een wettelijke delictsomschrijving worden gebracht en vervult daarbij alle delictsbestanddelen. Denk bijv. aan de toepassing van art. 287 Sr.
  2. Juridisch:
    Er bestaan algemene voorwaarden voor strafbaarheid.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Voorwaarden voor strafbaarheid
In de Nederlandse definitie van een strafbaar feit moet er sprake zijn van:
1. Een gedraging van een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, die
2. een wettelijke delictsomschrijving vervult,
3. wederrechtelijk is en
4. aan schuld te wijten is ofwel verwijtbaar is.

A

Voorwaarden voor strafbaarheid
In de Nederlandse definitie van een strafbaar feit moet er sprake zijn van:
1. Een gedraging van een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, die
2. een wettelijke delictsomschrijving vervult,
3. wederrechtelijk is en
4. aan schuld te wijten is ofwel verwijtbaar is.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Gedraging
De gedraging is de eerste voorwaarde voor strafbaarheid. Dit kan een bepaalde handeling zijn of juist een nalaten.
Als de gedraging een ‘handelen’ betreft, wordt gesproken van een commissiedelict. Het uitgangspunt is dat sprake is van een ‘gewilde spierbeweging’.

Als de gedraging een ‘nalaten’ betreft, wordt gesproken van een omissiedelict. In dit geval wordt een rechtsplicht tot handelen van de verdachte gevergd.

A

Gedraging
De gedraging is de eerste voorwaarde voor strafbaarheid. Dit kan een bepaalde handeling zijn of juist een nalaten.
Als de gedraging een ‘handelen’ betreft, wordt gesproken van een commissiedelict. Het uitgangspunt is dat sprake is van een ‘gewilde spierbeweging’.

Als de gedraging een ‘nalaten’ betreft, wordt gesproken van een omissiedelict. In dit geval wordt een rechtsplicht tot handelen van de verdachte gevergd.

17
Q

Soorten delicten
1
- Commissiedelict = handelen in strijd met een verbiedende norm (norm die voorschrijft zich van een bepaald handelen te onthouden) bijv. diefstal.
- Omissiedelict = handelen in strijd met een gebiedende norm (norm die voorschrijft wat men behoort te doen). bijv. nalaten om iemand in levensgevaar te helpen, dus iemand die verdrinkt in een rivier).
- Oneigenlijk omissiedelict = wettelijke omschrijving van een oneigenlijk commissiedelict is vervuld door juist niet te handelen. Voorbeeld: een moeder laat haar kind verhongeren door haar niet te voeden. Zo berooft zij haar van het leven (= commissiedelict).

2
- Materieel omschreven delict = het handelen is naar het gevolg omschreven, bv. art. 287 doodslag.
- Formeel omschreven delict = het handelen is in de delictsomschrijving scherp getypeerd, specifiek aangeduid, bv. diefstal 310 Sr, afpersing 317 Sr en vernieling of beschadiging 350 Sr.

3
- Krenkingsdelict- het delict bestaat uit een daadwerkelijke krenking (inbreuk/belediging) van een bepaald rechtsgoed. Het gaat er voornamelijk om gedragingen die een directe inbreuk maken op een beschermd rechtsgoed, precies beschreven inbreuken en gedragingen zijn strafbaar: niet zozeer de achterliggende norm. Bv. dood door schuld art. 307 Sr en diefstal 310 Sr.
- Gevaarzettingsdelict = voor strafbaarstelling is het in gevaar brengen van het rechtsgoed al voldoende. Bv. opzettelijk brandstichten waarvan gemeen gevaar voor goederen of levensgevaar voor een ander te duchten is. Of art. 164 Sr het opzettelijk veroorzaken van gevaar voor het spoorwegverkeer. Rechtsgoederen worden niet beschermd, maar normen worden gehandhaafd.

4
- Misdrijven = hebben over het algemeen een schuldbestanddeel (opzet/culpa)
- Overtredingen = is dit niet het geval.

5
- Gekwalificeerd = een delict dat strafverzwarende gevolgen heeft (bv. moord ten opzichte van doodslag). Anders gezegd: extra bestanddelen zijn toegevoegd aan het gronddelict. Vb. moord (toegevoegde bestanddeel is ‘voorbedachte rade’ Let op! Hogere straf dan bij gronddelict.

  • Geprivilegieerd = een delict dat juist voor strafvermindering zorgt. Het geprivilegieerde delict is een lichtere variant van het gronddelict. Vb. kinderdoodslag of kindermoord door de moeder bij of kort na de geboorte gepleegd uit vrees voor ontdekking.

Een enkele delictsomschrijving bevat een bijkomende voorwaarde van strafbaarheid: ‘dit is een omstandigheid die nog niet aanwezig is op het moment van de gedraging, noch er een direct gevolg van is, maar die pas later intreedt. Het gaat hier om een voorwaarde waarvan het intreden een gedragen pas strafbaar maakt, terwijl zonder het intreden ervan de desbetreffende gedraging straffeloos blijft.’ Deze bijkomende voorwaarde is geobjectiveerd, dus wordt niet beheerst door opzet of onachtzaamheid. Een voorbeeld hiervan is het behulpzaam zijn bij het plegen van zelfdoding; dit is pas strafbaar indien de zelfdoding volgt.

A

Soorten delicten
1
- Commissiedelict = handelen in strijd met een verbiedende norm (norm die voorschrijft zich van een bepaald handelen te onthouden) bijv. diefstal.
- Omissiedelict = handelen in strijd met een gebiedende norm (norm die voorschrijft wat men behoort te doen). bijv. nalaten om iemand in levensgevaar te helpen, dus iemand die verdrinkt in een rivier).
- Oneigenlijk omissiedelict = wettelijke omschrijving van een oneigenlijk commissiedelict is vervuld door juist niet te handelen. Voorbeeld: een moeder laat haar kind verhongeren door haar niet te voeden. Zo berooft zij haar van het leven (= commissiedelict).

2
- Materieel omschreven delict = het handelen is naar het gevolg omschreven, bv. art. 287 doodslag.
- Formeel omschreven delict = het handelen is in de delictsomschrijving scherp getypeerd, specifiek aangeduid, bv. diefstal 310 Sr, afpersing 317 Sr en vernieling of beschadiging 350 Sr.

3
- Krenkingsdelict- het delict bestaat uit een daadwerkelijke krenking (inbreuk/belediging) van een bepaald rechtsgoed. Het gaat er voornamelijk om gedragingen die een directe inbreuk maken op een beschermd rechtsgoed, precies beschreven inbreuken en gedragingen zijn strafbaar: niet zozeer de achterliggende norm. Bv. dood door schuld art. 307 Sr en diefstal 310 Sr.
- Gevaarzettingsdelict = voor strafbaarstelling is het in gevaar brengen van het rechtsgoed al voldoende. Bv. opzettelijk brandstichten waarvan gemeen gevaar voor goederen of levensgevaar voor een ander te duchten is. Of art. 164 Sr het opzettelijk veroorzaken van gevaar voor het spoorwegverkeer. Rechtsgoederen worden niet beschermd, maar normen worden gehandhaafd.

4
- Misdrijven = hebben over het algemeen een schuldbestanddeel (opzet/culpa)
- Overtredingen = is dit niet het geval.

5
- Gekwalificeerd = een delict dat strafverzwarende gevolgen heeft (bv. moord ten opzichte van doodslag). Anders gezegd: extra bestanddelen zijn toegevoegd aan het gronddelict. Vb. moord (toegevoegde bestanddeel is ‘voorbedachte rade’ Let op! Hogere straf dan bij gronddelict.

  • Geprivilegieerd = een delict dat juist voor strafvermindering zorgt. Het geprivilegieerde delict is een lichtere variant van het gronddelict. Vb. kinderdoodslag of kindermoord door de moeder bij of kort na de geboorte gepleegd uit vrees voor ontdekking.

Een enkele delictsomschrijving bevat een bijkomende voorwaarde van strafbaarheid: ‘dit is een omstandigheid die nog niet aanwezig is op het moment van de gedraging, noch er een direct gevolg van is, maar die pas later intreedt. Het gaat hier om een voorwaarde waarvan het intreden een gedragen pas strafbaar maakt, terwijl zonder het intreden ervan de desbetreffende gedraging straffeloos blijft.’ Deze bijkomende voorwaarde is geobjectiveerd, dus wordt niet beheerst door opzet of onachtzaamheid. Een voorbeeld hiervan is het behulpzaam zijn bij het plegen van zelfdoding; dit is pas strafbaar indien de zelfdoding volgt.

18
Q

Daderschap
Het begrip daderschap
Het daderschap is van belang in het kader van de eerste vraag van art. 350 Sv; men dient te kijken of de verdachte het ten laste gelegde feit ook daadwerkelijk heeft begaan.

Over het algemeen vinden we de dader aan de hand van de delictsomschrijving. Wie de delictsomschrijving vervult en dus de delictsgedraging verricht, valt meestal als dader aan te wijzen. De delictsgedraging kan een handelen (commissiedelicten) of een nalaten (omissiedelicten) zijn. Deze delictsgedraging kan zowel door één of meerdere natuurlijke personen, als een rechtspersoon begaan worden. Dit zullen we later in de cursus uitgebreider behandelen.

Soms kan het echter zijn dat niet uit de delictsomschrijving valt af te leiden wie de dader is of kan met het vervullen van de delictsomschrijving niet worden volstaan. Hiervoor kunnen verschillende redenen zijn:
1. De delictsomschrijving formuleert niet duidelijk wanneer deze wordt vervuld en wie daarvoor aansprakelijk is. Het gevolg hiervan is dat iedere indicatie voor het daderschap van het desbetreffende delict ontbreekt. Dit was bijvoorbeeld het geval in het arrest ‘Laadbak’.
2. Andere wettelijke bepalingen dan alleen de delictsomschrijving zijn medebepalend voor het daderschap. Dit is bijvoorbeeld het geval als iemand een poging doet om een misdrijf te plegen maar in de voltooiing daarvan niet slaagt, of wanneer iemand een deelnemer is bij een strafbaar feit.
3. Op het daderschap is in het concrete geval een bepaalde strafrechtelijke dogmatische opvatting mede van invloed. Het is naar maatschappelijke opvattingen niet altijd reëel om de fysieke pleger, die de delictsomschrijving feitelijk vervult, ook als dader daarvoor aansprakelijk te stellen. Soms geldt een andere persoon als dader op basis van diens maatschappelijke functie; dit geldt met name in het economisch verkeer. Een goed voorbeeld hiervan is het IJzerdraad-arrest. Voorts kan incidenteel de vaststelling van een causaal verband afbreuk doen aan het daderschap dat op het eerste gezicht was aangenomen, als tussen het door het delict vereiste gevolg en de gedraging van de verdachte het verband ontbreekt.

Tot wie richt zich de strafbepaling?
Bij het daderschap is het van belang om te bepalen wie het verboden gedrag bewerkstelligt. Wie kan het delict begaan? Er wordt zogezegd gekeken wie normadressaat is. Degene tot wie zich een strafbepaling als potentiële dader richt, wordt ‘normadressaat’ genoemd. Zoals eerder gezegd kan de delictsomschrijving hierover echter onduidelijk zijn. Je moet bovendien alert zijn op bijzondere gevallen, zoals kwaliteitsdelicten en het voorbeeld in HR Laadbak waarbij de vraag rijst of de huurder of de eigenaar moet worden aangesproken (zie de arrestanalyse).

We zien hierbij een verschuiving van een ‘gewilde spierbeweging’ naar ‘vergeestelijkt’ daderschap. Zo ziet men een sprong van de persoon van de fysieke pleger naar de functionele dader. Denk hierbij aan het voorbeeld dat in het maatschappelijk verkeer het zo is dat de aannemer het huis ‘bouwt’ en niet de metselaar. Door deze verschuiving wordt het mogelijk om natuurlijke personen en rechtspersonen aansprakelijk te houden voor gedragingen die door iemand anders zijn verricht. Daarnaast zien we ook een uitbreiding van de strafrechtelijke aansprakelijkheid.

A

Daderschap
Het begrip daderschap
Het daderschap is van belang in het kader van de eerste vraag van art. 350 Sv; men dient te kijken of de verdachte het ten laste gelegde feit ook daadwerkelijk heeft begaan.

Over het algemeen vinden we de dader aan de hand van de delictsomschrijving. Wie de delictsomschrijving vervult en dus de delictsgedraging verricht, valt meestal als dader aan te wijzen. De delictsgedraging kan een handelen (commissiedelicten) of een nalaten (omissiedelicten) zijn. Deze delictsgedraging kan zowel door één of meerdere natuurlijke personen, als een rechtspersoon begaan worden. Dit zullen we later in de cursus uitgebreider behandelen.

Soms kan het echter zijn dat niet uit de delictsomschrijving valt af te leiden wie de dader is of kan met het vervullen van de delictsomschrijving niet worden volstaan. Hiervoor kunnen verschillende redenen zijn:
1. De delictsomschrijving formuleert niet duidelijk wanneer deze wordt vervuld en wie daarvoor aansprakelijk is. Het gevolg hiervan is dat iedere indicatie voor het daderschap van het desbetreffende delict ontbreekt. Dit was bijvoorbeeld het geval in het arrest ‘Laadbak’.
2. Andere wettelijke bepalingen dan alleen de delictsomschrijving zijn medebepalend voor het daderschap. Dit is bijvoorbeeld het geval als iemand een poging doet om een misdrijf te plegen maar in de voltooiing daarvan niet slaagt, of wanneer iemand een deelnemer is bij een strafbaar feit.
3. Op het daderschap is in het concrete geval een bepaalde strafrechtelijke dogmatische opvatting mede van invloed. Het is naar maatschappelijke opvattingen niet altijd reëel om de fysieke pleger, die de delictsomschrijving feitelijk vervult, ook als dader daarvoor aansprakelijk te stellen. Soms geldt een andere persoon als dader op basis van diens maatschappelijke functie; dit geldt met name in het economisch verkeer. Een goed voorbeeld hiervan is het IJzerdraad-arrest. Voorts kan incidenteel de vaststelling van een causaal verband afbreuk doen aan het daderschap dat op het eerste gezicht was aangenomen, als tussen het door het delict vereiste gevolg en de gedraging van de verdachte het verband ontbreekt.

Tot wie richt zich de strafbepaling?
Bij het daderschap is het van belang om te bepalen wie het verboden gedrag bewerkstelligt. Wie kan het delict begaan? Er wordt zogezegd gekeken wie normadressaat is. Degene tot wie zich een strafbepaling als potentiële dader richt, wordt ‘normadressaat’ genoemd. Zoals eerder gezegd kan de delictsomschrijving hierover echter onduidelijk zijn. Je moet bovendien alert zijn op bijzondere gevallen, zoals kwaliteitsdelicten en het voorbeeld in HR Laadbak waarbij de vraag rijst of de huurder of de eigenaar moet worden aangesproken (zie de arrestanalyse).

We zien hierbij een verschuiving van een ‘gewilde spierbeweging’ naar ‘vergeestelijkt’ daderschap. Zo ziet men een sprong van de persoon van de fysieke pleger naar de functionele dader. Denk hierbij aan het voorbeeld dat in het maatschappelijk verkeer het zo is dat de aannemer het huis ‘bouwt’ en niet de metselaar. Door deze verschuiving wordt het mogelijk om natuurlijke personen en rechtspersonen aansprakelijk te houden voor gedragingen die door iemand anders zijn verricht. Daarnaast zien we ook een uitbreiding van de strafrechtelijke aansprakelijkheid.

19
Q

Beslissingsschema van art. 350 Sv
Op grond van artikel 348 Sv dient de rechter een viertal formele voorvragen te beantwoorden, namelijk nagaan of de dagvaarding geldig is, de rechter zelf bevoegd is, de officier van justitie (hierna: OvJ) ontvankelijk is en of er geen redenen zijn tot schorsing van de vervolging. Deze vragen behoren tot het formele stafrecht en zijn voor nu verder niet relevant. Daarna moet de rechter uit hoofde van artikel 350 Sv de volgende vier materiële vragen beantwoorden:
1) Is het ten laste gelegde feit bewezen verklaard?
2) Is het feit strafbaar?
a Kan het bewezenverklaarde worden gekwalificeerd?*
b Is het feit ook in casu strafbaar?
Dit is een vraag naar de wederrechtelijkheid. Dit ontbreekt als er een rechtvaardigingsgrond is.
3) Is de verdachte strafbaar?
Dit is een vraag naar de verwijtbaarheid. Dit ontbreekt als er een schulduitsluitingsgrond is.
4) Welke straf en/of maatregel is toepasselijk?

Wordt niet bewezen verklaard dat het ten laste gelegde feit door de verdachte is begaan, dan leidt de eerste vraag van art. 350 Sv tot vrijspraak (zie art. 352 Sv). Levert het bewezenverklaarde geen strafbaar feit op of is de verdachte niet strafbaar dan leiden de tweede en derde vraag van art. 350 Sv tot ontslag van alle rechtsvervolging. Tenslotte leidt de vierde vraag van art. 350 Sv tot de oplegging van een straf en/of maatregel, of eventueel tot schuldigverklaring zonder straf (art. 9a Sr).

De eerste vraag van art. 350 Sv
De tenlastelegging moet zich baseren op een historisch feit dat zo feitelijk en duidelijk mogelijk is omschreven, maar waarbij de contouren van de delictsomschrijving geheel worden gevolgd. De tenlastelegging wordt hierop dus toegesneden. Alle bestanddelen van het desbetreffende delict dienen in de tenlastelegging te worden verwerkt, omdat anders de bewezenverklaring van het ten laste gelegde geen strafbaar feit oplevert. In dat geval kan de OvJ er wel voor kiezen een minder zwaar delict ten laste te leggen dan zich in werkelijkheid heeft voorgedaan; het opportuniteitsbeginsel staat hem dat immers toe. De rechter is hieraan gebonden en mag niet méér of anders bewezen verklaren dan in de tenlastelegging is opgenomen. Als een bestanddeel niet bewezen wordt verklaard, zal dit betekenen dat het ten laste gelegde ook niet bewezen kan worden verklaard en volgt vrijspraak op grond van art. 352 lid 1 Sv.

De tweede vraag van art. 350 Sv
Als het ten laste gelegde feit bewezen is verklaard, moet vervolgens de vraag beantwoord worden welk strafbaar feit dat oplevert. Dit betreft de kwalificatie van de bewezenverklaring, ofwel de vraag welke wettelijke delictsomschrijving daarop past. Hierbij moet goed gelet worden op de bestanddelen van de delictsomschrijving: komen zij allemaal voor in de tenlastelegging? Als het allemaal goed is gegaan, heeft de OvJ de bestanddelen van de desbetreffende delictsomschrijving in de tenlastelegging verwerkt. Als hij een bestanddeel is vergeten, is er sprake van verzuim en kan het bewezenverklaarde dus niet worden gekwalificeerd. Hierop volgt ontslag van alle rechtsvervolging op grond van art. 352 lid 2 Sv.

Naast de kwalificatie behelst de tweede vraag nog een ander aspect van de strafbaarheid, namelijk de wederrechtelijkheid. Is de gedraging in strijd met het recht of kan de dader zich met succes beroepen op een rechtvaardigingsgrond? Een rechtvaardigheidsgrond ontneemt alsnog het wederrechtelijk karakter aan het strafbare feit en betreft derhalve de objectieve kant van het strafbare feit. Acht de rechter een rechtvaardigingsgrond in een concreet geval aannemelijk, dan luidt zijn beslissing, evenals wanneer geen kwalificatie plaats kan vinden, ontslag van alle rechtsvervolging wegens niet strafbaarheid van het feit (art. 352 lid 2 Sv).

De derde vraag van art. 350 Sv
De derde vraag van artikel 350 Sv ziet op de verwijtbaarheid (schuld) van de dader. De verwijtbaarheid vervalt indien de dader zich met succes kan beroepen op een schulduitsluitingsgrond. Een schulduitsluitingsgrond betreft de subjectieve kant van het strafbare feit. De schuld in de zin van verwijtbaarheid van de dader wordt er door uitgesloten. Acht de rechter de aanwezigheid van een schulduitsluitingsgrond aannemelijk, dan volgt ontslag van alle rechtsvervolging wegens niet strafbaarheid van de dader (art. 352 lid 2 Sv).

De vierde vraag van art. 350 Sv
Ten slotte moet de rechter een straf en/of maatregel opleggen, dan wel een verdachte schuldig verklaren zonder de oplegging van een straf of maatregel (art. 9a Sr). De vierde vraag is technisch gezien de straftoemetingsvraag en staat los van de vier vereisten van een strafbaar feit. Op dit punt staat dus al vast dat de verdachte het feit heeft begaan. Welke straf en/of maatregel behoort hij nu te krijgen? De voorwaarde om deze vraag te mogen beantwoorden is dus dat de eerste drie vragen, die de vier voorwaarden van het strafbare feit bevatten, bevestigend zijn beantwoord.

A

Beslissingsschema van art. 350 Sv
Op grond van artikel 348 Sv dient de rechter een viertal formele voorvragen te beantwoorden, namelijk nagaan of de dagvaarding geldig is, de rechter zelf bevoegd is, de officier van justitie (hierna: OvJ) ontvankelijk is en of er geen redenen zijn tot schorsing van de vervolging. Deze vragen behoren tot het formele stafrecht en zijn voor nu verder niet relevant. Daarna moet de rechter uit hoofde van artikel 350 Sv de volgende vier materiële vragen beantwoorden:
1) Is het ten laste gelegde feit bewezen verklaard?
2) Is het feit strafbaar?
a Kan het bewezenverklaarde worden gekwalificeerd?*
b Is het feit ook in casu strafbaar?
Dit is een vraag naar de wederrechtelijkheid. Dit ontbreekt als er een rechtvaardigingsgrond is.
3) Is de verdachte strafbaar?
Dit is een vraag naar de verwijtbaarheid. Dit ontbreekt als er een schulduitsluitingsgrond is.
4) Welke straf en/of maatregel is toepasselijk?

Wordt niet bewezen verklaard dat het ten laste gelegde feit door de verdachte is begaan, dan leidt de eerste vraag van art. 350 Sv tot vrijspraak (zie art. 352 Sv). Levert het bewezenverklaarde geen strafbaar feit op of is de verdachte niet strafbaar dan leiden de tweede en derde vraag van art. 350 Sv tot ontslag van alle rechtsvervolging. Tenslotte leidt de vierde vraag van art. 350 Sv tot de oplegging van een straf en/of maatregel, of eventueel tot schuldigverklaring zonder straf (art. 9a Sr).

De eerste vraag van art. 350 Sv
De tenlastelegging moet zich baseren op een historisch feit dat zo feitelijk en duidelijk mogelijk is omschreven, maar waarbij de contouren van de delictsomschrijving geheel worden gevolgd. De tenlastelegging wordt hierop dus toegesneden. Alle bestanddelen van het desbetreffende delict dienen in de tenlastelegging te worden verwerkt, omdat anders de bewezenverklaring van het ten laste gelegde geen strafbaar feit oplevert. In dat geval kan de OvJ er wel voor kiezen een minder zwaar delict ten laste te leggen dan zich in werkelijkheid heeft voorgedaan; het opportuniteitsbeginsel staat hem dat immers toe. De rechter is hieraan gebonden en mag niet méér of anders bewezen verklaren dan in de tenlastelegging is opgenomen. Als een bestanddeel niet bewezen wordt verklaard, zal dit betekenen dat het ten laste gelegde ook niet bewezen kan worden verklaard en volgt vrijspraak op grond van art. 352 lid 1 Sv.

De tweede vraag van art. 350 Sv
Als het ten laste gelegde feit bewezen is verklaard, moet vervolgens de vraag beantwoord worden welk strafbaar feit dat oplevert. Dit betreft de kwalificatie van de bewezenverklaring, ofwel de vraag welke wettelijke delictsomschrijving daarop past. Hierbij moet goed gelet worden op de bestanddelen van de delictsomschrijving: komen zij allemaal voor in de tenlastelegging? Als het allemaal goed is gegaan, heeft de OvJ de bestanddelen van de desbetreffende delictsomschrijving in de tenlastelegging verwerkt. Als hij een bestanddeel is vergeten, is er sprake van verzuim en kan het bewezenverklaarde dus niet worden gekwalificeerd. Hierop volgt ontslag van alle rechtsvervolging op grond van art. 352 lid 2 Sv.

Naast de kwalificatie behelst de tweede vraag nog een ander aspect van de strafbaarheid, namelijk de wederrechtelijkheid. Is de gedraging in strijd met het recht of kan de dader zich met succes beroepen op een rechtvaardigingsgrond? Een rechtvaardigheidsgrond ontneemt alsnog het wederrechtelijk karakter aan het strafbare feit en betreft derhalve de objectieve kant van het strafbare feit. Acht de rechter een rechtvaardigingsgrond in een concreet geval aannemelijk, dan luidt zijn beslissing, evenals wanneer geen kwalificatie plaats kan vinden, ontslag van alle rechtsvervolging wegens niet strafbaarheid van het feit (art. 352 lid 2 Sv).

De derde vraag van art. 350 Sv
De derde vraag van artikel 350 Sv ziet op de verwijtbaarheid (schuld) van de dader. De verwijtbaarheid vervalt indien de dader zich met succes kan beroepen op een schulduitsluitingsgrond. Een schulduitsluitingsgrond betreft de subjectieve kant van het strafbare feit. De schuld in de zin van verwijtbaarheid van de dader wordt er door uitgesloten. Acht de rechter de aanwezigheid van een schulduitsluitingsgrond aannemelijk, dan volgt ontslag van alle rechtsvervolging wegens niet strafbaarheid van de dader (art. 352 lid 2 Sv).

De vierde vraag van art. 350 Sv
Ten slotte moet de rechter een straf en/of maatregel opleggen, dan wel een verdachte schuldig verklaren zonder de oplegging van een straf of maatregel (art. 9a Sr). De vierde vraag is technisch gezien de straftoemetingsvraag en staat los van de vier vereisten van een strafbaar feit. Op dit punt staat dus al vast dat de verdachte het feit heeft begaan. Welke straf en/of maatregel behoort hij nu te krijgen? De voorwaarde om deze vraag te mogen beantwoorden is dus dat de eerste drie vragen, die de vier voorwaarden van het strafbare feit bevatten, bevestigend zijn beantwoord.

20
Q

Elementen wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid

Onderscheid bestanddelen en elementen
Bestanddelen staan in de wettelijke delictsomschrijving. Elementen staan niet in de delictsomschrijving en zijn ongeschreven voorwaarden voor strafbaarheid. Wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid zijn elementen.
Wederrechtelijkheid: dat wat gebeurd is, is de facto in strijd met het objectieve recht.
Verwijtbaarheid: de verdachte is persoonlijk verwijtbaar.

Wederrechtelijkheid of verwijtbaar als delictsbestanddeel
De wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid kunnen ook een delictsbestanddeel zijn. Opzet/culpa staat dan in de wettelijke delictsomschrijving. In dat geval verschuift de wederrechtelijkheid/verwijtbaarheid naar vraag 1 – de bewezenverklaring van het ten laste gelegde. De OvJ moet namelijk in de tenlastelegging de delictsbestanddelen opnemen. Aangezien de wederrechtelijkheid/verwijtbaarheid nu een bestanddeel is, dient dit ook in de tenlastelegging opgenomen te worden. Alleen zo kan namelijk aan de kwalificatievraag worden voldaan.
Stel er zou door een strafuitsluitingsgrond niet voldaan zijn aan de wederrechtelijkheid/verwijtbaarheid, dan zou dat in dit geval niet leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging maar tot vrijspraak. Wat eerst een element was, is nu immers deel geworden van de bewijsvraag.

A

Elementen wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid

Onderscheid bestanddelen en elementen
Bestanddelen staan in de wettelijke delictsomschrijving. Elementen staan niet in de delictsomschrijving en zijn ongeschreven voorwaarden voor strafbaarheid. Wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid zijn elementen.
Wederrechtelijkheid: dat wat gebeurd is, is de facto in strijd met het objectieve recht.
Verwijtbaarheid: de verdachte is persoonlijk verwijtbaar.

Wederrechtelijkheid of verwijtbaar als delictsbestanddeel
De wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid kunnen ook een delictsbestanddeel zijn. Opzet/culpa staat dan in de wettelijke delictsomschrijving. In dat geval verschuift de wederrechtelijkheid/verwijtbaarheid naar vraag 1 – de bewezenverklaring van het ten laste gelegde. De OvJ moet namelijk in de tenlastelegging de delictsbestanddelen opnemen. Aangezien de wederrechtelijkheid/verwijtbaarheid nu een bestanddeel is, dient dit ook in de tenlastelegging opgenomen te worden. Alleen zo kan namelijk aan de kwalificatievraag worden voldaan.
Stel er zou door een strafuitsluitingsgrond niet voldaan zijn aan de wederrechtelijkheid/verwijtbaarheid, dan zou dat in dit geval niet leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging maar tot vrijspraak. Wat eerst een element was, is nu immers deel geworden van de bewijsvraag.

21
Q

Theoretische reflectie

Retributivisme
De retributivistische benadering (absolute theorie) gaat ervan uit dat straffen van het gepleegde intrinsiek (innerlijk) goed is. Binnen deze benadering wordt onderscheid gemaakt tussen twee groepen: het negatief en positief retributivisme. Negatief retributivisme berust op het principe dat alleen schuldigen gestraft mogen worden en niet zwaarder (proportionaliteit) dan evenredigheid toelaat. Echter, deze categorie is niet volledig als theorie van straf. Er wordt bij het negatief retributivisme geen algemene rechtvaardiging gegeven waarom een straf is toegestaan, dit doet het positief retributivisme daarentegen wel. De positieve opvatting stelt dat er een morele noodzaak is om te straffen en wel op het maximum van wat het negatieve principe toelaat. Kant kan tot dit positief retributivisme worden gerekend met zijn eerder aan bod gekomen Kategorisch Imperativ: een misdadiger verdient een straf omdat hij iets moreel verwerpelijks heeft gedaan.

Maar een helder antwoord waarom er gestraft moet worden geeft Kant niet, terwijl dit nu de algemene rechtvaardiging vormt voor de positieve retributivistische benadering: het herstellen van de balans. Een misdadiger die een delict pleegt verstoort de balans in de samenleving. Door het uitdelen van een straf wordt die balans min of meer hersteld. Belangrijk om daarbij te realiseren is dat de straf dus puur en alleen op het verleden is gericht. Een andere benadering is de balans tussen baten en lasten in de samenleving (denk aan le contrat social van de Klassieke Richting). De maatschappij heeft een soort contract: om van de baten te kunnen genieten moeten bepaalde neigingen onderdrukt worden. Indien iemand dit niet kan (strafbaar feit), geniet hij oneigenlijk voordeel wat moet worden ontnomen. De terechte vraag hierbij is dan of een ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel dan niet voldoende is? Het antwoord luidt nee. De misdadiger heeft iets moreel verwerpelijks gedaan wat een (bijkomende) straf verdient. Of zoals de Nederlander Polak het verwoordt, ten eerste wordt het oneigenlijke voordeel ontnomen (stap 1) en vervolgens wordt een straf uitgedeeld vanwege de overtreding van de geldige moraliteit (stap 2). Nozick gaat voorbij aan deze baten en lasten-benadering. Hij is van mening dat nog voordat sprake is van een straf het oneigenlijk verkregen voordeel dient te worden afgenomen. Nadat deze balans is hersteld, moet er een morele boodschap worden overgebracht in de vorm van een leed toevoegende straf (vergelding). Zodoende wordt de balans van normen en waarden ook hersteld.

Utilitarisme
Utilitaristen slaan een geheel andere weg in. Een straf moet ten goede komen aan het algemeen nut; het vergroten van het algemeen welzijn. Dit vergroten van het algemeen welzijn rechtvaardigt het toegebrachte leed in de zin van de straf. Het nut moet dus vooral zien op de toekomst; reductie (afname) en preventie van criminaliteit. Om deze reductie en preventie te bereiken zijn er verschillende elementen beschikbaar. Ten eerste de individuele en algemene afschrikking. Ten tweede rehabilitatie(herstel)/resocialisatie(herintegratie). Dit element ziet op het beïnvloeden van de persoonlijkheid van een pleger van een delict of van diens positie in de samenleving, zodat hij in de toekomst zal afzien van criminele handelingen. De rehabilitatie vindt zijn oorsprong in de deterministische opvatting dat individuen niet uit vrije wil handelen, maar daartoe worden bewogen door omstandigheden waar ze verder geen vat op hebben. Ten derde de incapacitatie(dader kan geen nieuwe misdaden begaan). Dit gaat vanzelfsprekend over de opsluiting van een persoon waardoor zijn bewegingsvrijheid wordt ontnomen. Discussie bestaat over de effectiviteit. Het is in beginsel slechts effectief voor de duur dat iemand in detentie zit.

Deze instrumenten dienen dus om het toekomstgerichte doel te bereiken: algemene preventie. Men dient te onthouden dat preventie iets anders inhoudt dan afschrikking. Afschrikking dient om preventie te bereiken. En daarbij komen we aan bij een kritiek op deze benadering: is alles geoorloofd om dit doel te bereiken? Een erg lange gevangenisstraf voor een gering delict schrikt een persoon wel af, maar is dit proportioneel? Bij twee invloedrijke utilitaristen, Bentham en Beccaria, behelst deze afschrikking een centraal element in de benadering. Bentham stelt dat criminaliteit leed veroorzaakt en het totale geluk in de samenleving vermindert. Een methode om dit te voorkomen is straffen. Uit een straf moet blijken dat het plezierige effect van een strafbaar feit niet opweegt tegenover het leed van de straf, oftewel afschrikking. Echter, daarbij merkt hij op dat de straf nooit meer mag zijn dan wat nodig is om de beoogde utiliteit (nut) te dienen. Indirect zegt hij daarmee ook dat indien een straf geen enkel nut heeft, het dus ook geen noodzaak is om te allen tijde een straf op te leggen. Een kritiekpunt op de benadering van Bentham is dat zijn theorie het niet uitsluit om een onschuldige te straffen indien dit toekomstig nut heeft. Beccaria daarentegen heeft daar wel ‘iets’ op. Zijn ideeën berusten gedeeltelijk op het maatschappelijk contract ( le contrat social). Hij stelt dat de mens in essentie egocentrisch is en dat zonder maatschappelijk contract er een toestand bestaat van chaos en oorlog. De samenleving heeft het contract afgesloten om in vrijheid te kunnen leven en te genieten van de vrijheid die dan voor eenieder ontstaat. Om mensen aan het contract te houden bestaan er straffen, die de mens moet afschrikken om van het contract af te wijken. Net zoals Bentham is Beccaria van mening dat de straf nooit zwaarder mag zijn dan nodig om het algemeen nut te bereiken. Voor het straffen van onschuldigen wijst Beccaria op het contract dat ooit is opgesteld voor het individu en niet voor de utiliteit. De vrijheid die een onschuldige heeft opgeofferd voor het contract, biedt de overheid niet de macht om diegene te straffen ten behoeve van het algemeen nut.

Verenigingstheorieën
In de verenigingstheorie worden elementen uit zowel de retributivistische als uit de utilistische benadering onttrokken en gecombineerd. Er zijn min of meer twee vormen:
1. Utilisme met daar overheen gelegd het negatief retributivistische principe: alleen schuldigen worden gestraft in evenredigheid met de ernst van het feit en de schuld van de dader.
2. Retributivisme dat wordt afgezwakt met utilistische overwegingen. Het uitdelen van straffen aan misdadigers tot de bovengrens van het negatieve principe is niet langer een plicht. Daarnaast wordt toegestaan dat er minder of niet wordt gestraft. Deze tweede vorm is de dominante benadering in Nederland.

Pompe verdedigde deze tweede vorm. Vergelding vormt volgens Pompe de rechtvaardiging van straffen, maar het algemeen welzijn speelt wel degelijk een belangrijke rol. De straf dient wel gericht te zijn op dat algemeen welzijn.

Herstelrecht
Herstelrecht beoogt op den duur geleidelijke vervanging van het traditionele strafrechtssysteem (vorm 2) door herstelrechtelijke aspecten. In het herstelrecht wordt niet gesproken van straffen, maar van interventie (ingrijpen). De rechtvaardiging voor een interventie bestaat uit de geleden schade. Criminaliteit wordt beschouwd als sociaal conflict tussen pleger en slachtoffer. Het is de taak van de overheid om hier op de achtergrond als bemiddelaar bij te acteren in tegenstelling tot de actieve houding in het huidige strafrechtssysteem. De kritiek op deze benadering is dat het van een geheel andere orde is dan het huidige systeem. Ten eerste is het huidige strafrechtssysteem non-reparatoir. Ten tweede wordt de te herstellen schade subjectief vastgesteld door het slachtoffer en ten derde de evenredigheid tussen enerzijds de ernst van het strafbare feit en de schuld en anderzijds de interventie.

Weten wat wordt verstaan onder retributivisme negatief en positief, relativisme, verenigingstheorieën. Weten

A

Theoretische reflectie

Retributivisme
De retributivistische benadering (absolute theorie) gaat ervan uit dat straffen van het gepleegde intrinsiek (innerlijk) goed is. Binnen deze benadering wordt onderscheid gemaakt tussen twee groepen: het negatief en positief retributivisme. Negatief retributivisme berust op het principe dat alleen schuldigen gestraft mogen worden en niet zwaarder (proportionaliteit) dan evenredigheid toelaat. Echter, deze categorie is niet volledig als theorie van straf. Er wordt bij het negatief retributivisme geen algemene rechtvaardiging gegeven waarom een straf is toegestaan, dit doet het positief retributivisme daarentegen wel. De positieve opvatting stelt dat er een morele noodzaak is om te straffen en wel op het maximum van wat het negatieve principe toelaat. Kant kan tot dit positief retributivisme worden gerekend met zijn eerder aan bod gekomen Kategorisch Imperativ: een misdadiger verdient een straf omdat hij iets moreel verwerpelijks heeft gedaan.

Maar een helder antwoord waarom er gestraft moet worden geeft Kant niet, terwijl dit nu de algemene rechtvaardiging vormt voor de positieve retributivistische benadering: het herstellen van de balans. Een misdadiger die een delict pleegt verstoort de balans in de samenleving. Door het uitdelen van een straf wordt die balans min of meer hersteld. Belangrijk om daarbij te realiseren is dat de straf dus puur en alleen op het verleden is gericht. Een andere benadering is de balans tussen baten en lasten in de samenleving (denk aan le contrat social van de Klassieke Richting). De maatschappij heeft een soort contract: om van de baten te kunnen genieten moeten bepaalde neigingen onderdrukt worden. Indien iemand dit niet kan (strafbaar feit), geniet hij oneigenlijk voordeel wat moet worden ontnomen. De terechte vraag hierbij is dan of een ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel dan niet voldoende is? Het antwoord luidt nee. De misdadiger heeft iets moreel verwerpelijks gedaan wat een (bijkomende) straf verdient. Of zoals de Nederlander Polak het verwoordt, ten eerste wordt het oneigenlijke voordeel ontnomen (stap 1) en vervolgens wordt een straf uitgedeeld vanwege de overtreding van de geldige moraliteit (stap 2). Nozick gaat voorbij aan deze baten en lasten-benadering. Hij is van mening dat nog voordat sprake is van een straf het oneigenlijk verkregen voordeel dient te worden afgenomen. Nadat deze balans is hersteld, moet er een morele boodschap worden overgebracht in de vorm van een leed toevoegende straf (vergelding). Zodoende wordt de balans van normen en waarden ook hersteld.

Utilitarisme
Utilitaristen slaan een geheel andere weg in. Een straf moet ten goede komen aan het algemeen nut; het vergroten van het algemeen welzijn. Dit vergroten van het algemeen welzijn rechtvaardigt het toegebrachte leed in de zin van de straf. Het nut moet dus vooral zien op de toekomst; reductie (afname) en preventie van criminaliteit. Om deze reductie en preventie te bereiken zijn er verschillende elementen beschikbaar. Ten eerste de individuele en algemene afschrikking. Ten tweede rehabilitatie(herstel)/resocialisatie(herintegratie). Dit element ziet op het beïnvloeden van de persoonlijkheid van een pleger van een delict of van diens positie in de samenleving, zodat hij in de toekomst zal afzien van criminele handelingen. De rehabilitatie vindt zijn oorsprong in de deterministische opvatting dat individuen niet uit vrije wil handelen, maar daartoe worden bewogen door omstandigheden waar ze verder geen vat op hebben. Ten derde de incapacitatie(dader kan geen nieuwe misdaden begaan). Dit gaat vanzelfsprekend over de opsluiting van een persoon waardoor zijn bewegingsvrijheid wordt ontnomen. Discussie bestaat over de effectiviteit. Het is in beginsel slechts effectief voor de duur dat iemand in detentie zit.

Deze instrumenten dienen dus om het toekomstgerichte doel te bereiken: algemene preventie. Men dient te onthouden dat preventie iets anders inhoudt dan afschrikking. Afschrikking dient om preventie te bereiken. En daarbij komen we aan bij een kritiek op deze benadering: is alles geoorloofd om dit doel te bereiken? Een erg lange gevangenisstraf voor een gering delict schrikt een persoon wel af, maar is dit proportioneel? Bij twee invloedrijke utilitaristen, Bentham en Beccaria, behelst deze afschrikking een centraal element in de benadering. Bentham stelt dat criminaliteit leed veroorzaakt en het totale geluk in de samenleving vermindert. Een methode om dit te voorkomen is straffen. Uit een straf moet blijken dat het plezierige effect van een strafbaar feit niet opweegt tegenover het leed van de straf, oftewel afschrikking. Echter, daarbij merkt hij op dat de straf nooit meer mag zijn dan wat nodig is om de beoogde utiliteit (nut) te dienen. Indirect zegt hij daarmee ook dat indien een straf geen enkel nut heeft, het dus ook geen noodzaak is om te allen tijde een straf op te leggen. Een kritiekpunt op de benadering van Bentham is dat zijn theorie het niet uitsluit om een onschuldige te straffen indien dit toekomstig nut heeft. Beccaria daarentegen heeft daar wel ‘iets’ op. Zijn ideeën berusten gedeeltelijk op het maatschappelijk contract ( le contrat social). Hij stelt dat de mens in essentie egocentrisch is en dat zonder maatschappelijk contract er een toestand bestaat van chaos en oorlog. De samenleving heeft het contract afgesloten om in vrijheid te kunnen leven en te genieten van de vrijheid die dan voor eenieder ontstaat. Om mensen aan het contract te houden bestaan er straffen, die de mens moet afschrikken om van het contract af te wijken. Net zoals Bentham is Beccaria van mening dat de straf nooit zwaarder mag zijn dan nodig om het algemeen nut te bereiken. Voor het straffen van onschuldigen wijst Beccaria op het contract dat ooit is opgesteld voor het individu en niet voor de utiliteit. De vrijheid die een onschuldige heeft opgeofferd voor het contract, biedt de overheid niet de macht om diegene te straffen ten behoeve van het algemeen nut.

Verenigingstheorieën
In de verenigingstheorie worden elementen uit zowel de retributivistische als uit de utilistische benadering onttrokken en gecombineerd. Er zijn min of meer twee vormen:
1. Utilisme met daar overheen gelegd het negatief retributivistische principe: alleen schuldigen worden gestraft in evenredigheid met de ernst van het feit en de schuld van de dader.
2. Retributivisme dat wordt afgezwakt met utilistische overwegingen. Het uitdelen van straffen aan misdadigers tot de bovengrens van het negatieve principe is niet langer een plicht. Daarnaast wordt toegestaan dat er minder of niet wordt gestraft. Deze tweede vorm is de dominante benadering in Nederland.

Pompe verdedigde deze tweede vorm. Vergelding vormt volgens Pompe de rechtvaardiging van straffen, maar het algemeen welzijn speelt wel degelijk een belangrijke rol. De straf dient wel gericht te zijn op dat algemeen welzijn.

Herstelrecht
Herstelrecht beoogt op den duur geleidelijke vervanging van het traditionele strafrechtssysteem (vorm 2) door herstelrechtelijke aspecten. In het herstelrecht wordt niet gesproken van straffen, maar van interventie (ingrijpen). De rechtvaardiging voor een interventie bestaat uit de geleden schade. Criminaliteit wordt beschouwd als sociaal conflict tussen pleger en slachtoffer. Het is de taak van de overheid om hier op de achtergrond als bemiddelaar bij te acteren in tegenstelling tot de actieve houding in het huidige strafrechtssysteem. De kritiek op deze benadering is dat het van een geheel andere orde is dan het huidige systeem. Ten eerste is het huidige strafrechtssysteem non-reparatoir. Ten tweede wordt de te herstellen schade subjectief vastgesteld door het slachtoffer en ten derde de evenredigheid tussen enerzijds de ernst van het strafbare feit en de schuld en anderzijds de interventie.

Weten wat wordt verstaan onder retributivisme negatief en positief, relativisme, verenigingstheorieën. Weten

22
Q

Morele theorieën
In morele theorieën over straf zijn doorgaans twee lagen te onderkennen. De eerste laag betreft de algemene rechtvaardiging van de praktijk van het straffen. Daarin wordt antwoord gegeven op de vraag waarom de praktijk van het straffen goed en gerechtvaardigd zou zijn. De tweede laag betreft, in samenhang met de eerste laag, doorgaans antwoorden op de vraag wie in aanmerking komen voor straf en op welke wijze gestraft behoort te worden. In deze tweede laag vinden we de concrete strafdoelen terug die in specifieke zaken behoren te worden nagestreefd.

De twee bekendste en meeste invloedrijke benaderingen van zin en doelen van straf zijn utilitaristische theorieën (relatieve theorieën) en retributivistische theorieën (absolute theorieën of vergeldingstheorieën). Het belangrijkste verschil ligt in het temporele perspectief van de benaderingen.

Utilitaristische benaderingen (relatieve theorieën) zijn toekomstgericht. De algemene rechtvaardiging voor de praktijk van straffen wordt gevonden in het veronderstelde nut ervan (utiliteit) voor de toekomst. Deze utiliteit rechtvaardigt (dat wil zeggen weegt zwaarder dan) het leed dat aan individuele daders wordt toegevoegd door middel van straf. Utilitaristische theorieën worden dan ook regelmatig consequentialistische of instrumentalistische theorieën genoemd. Waar utilitaristische theorieën zich concentreren op de reductie (afname) van criminaliteit, wordt door sommige auteurs ook wel de term ‘reductivisme’ gebruikt.

Retributivistische theorieën (absolute theorieën of vergeldingstheorieën), de algemene rechtvaardiging voor de praktijk van het straffen ligt in deze theorieën doorgaans in een (morele) balans die verstoord is ten gevolge van een misdrijf. Het uitdelen van straf is in zichzelf rechtvaardig, verdiend en moreel goed omdat daarmee de verstoorde balans hersteld wordt. Straf heeft een inherente morele waarde als reactie op criminaliteit die geen rechtvaardiging nodig heeft in termen van toekomstige nut.

Elementen uit utilitarisme en retributivisme kunnen gecombineerd worden, waardoor hybride of verenigingstheorieën ontstaan. Hoewel aldus verkregen theorieën weinig nieuws te bieden hebben in termen van theoretische inzichten, gaat er voor velen een grote aantrekkingskracht van uit, omdat als resultaat van de mix, potentiële excessen van de ene component van de ‘vereniging’ gematigd (kunnen) worden door een andere component.

|Retributivisime
Positief en negatief retributivisme
Gemeenschappelijk aan de verschillende versies van retributivisme is dat het straffen van plegers van delicten intrinsiek goed is. Maar waarin ligt die morele noodzaak van straf, of waarom is juist straf (in termen van het toevoegen van leed) de meeste geschikte reactie op normovertredend gedrag? In de antwoorden op deze vragen vinden we de grootste verschillende tussen retributivisten onderling. Soms kunnen deze antwoorden geïnterpreteerd worden in utilitaristische (teleologische) termen waardoor sommige retributivisten ervan beticht worden ‘crypto-utilitaristen’ of ‘vermomde utilitaristen’ zijn.

Een nuttig onderscheid is dat tussen negatief en positief retributivisme. Negatief retributivisme berust op het op het (negatieve) principe dat alleen zij die schuldig zijn gestraft mogen worden waarbij de straf niet zwaarder mag zijn dan evenredigheid toelaat. Straf is daarmee niet een noodzakelijke reactie op criminaliteit; het is toegestaan, maar slechts waar verenigbaar met dit negatieve principe. Het ‘negatieve’ van dit principe is te vinden in de limiterende werking die er van uitgaat op straffend handelen. Het retributieve element is gelegen in de centrale rol die proportionaliteit speelt: een verdachte die schuldig is bevonden mag, in tegenstelling tot wat men vanuit instrumenteel oogpunt zou (kunnen) willen, niet zwaarder gestraft worden dan evenredig aan zijn schuld en de ernst van het delict. Eveneens verbiedt het negatieve principe het straffen van onschuldigen om potentiële daders af te schrikken. Negatief retributivisme is echter onvolledig als theorie van straf. Er wordt niet voorzien in een algemene rechtvaardiging voor de praktijk van straffen: waarom straf is toegestaan. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het negatieve retributie principe wordt teruggevonden in combinatie met een utilitaristische algemene rechtvaardiging.

Positief retributisivme is wel volledig in haar verantwoording van straf. In de positieve benaderingen wordt gesteld dat ‘gerechtigheid’ eist dat straf uitgedeeld wordt aan plegers van delicten; het is niet slechts toegestaan om schuldigen te straffen, maar er is sprake van een (morele) noodzaak of plicht om dit te doen en wel op het maximum van wat het negatieve principe toelaat. De klassieke formulering hiervan is afkomstig van Kant die stelde dat straffen van plegers van delicten een categorisch imperatief is, een morele noodzaak, zonder enige referentie aan goede of slechte effecten van de straf. Een misdadiger verdient straf, omdat hij iets moreel verwerpelijks heeft gedaan, omdat hij een misdrijf gepleegd heeft en voor geen andere reden.

Herstellen van een balans
De meeste positief retributivisten verwijzen naar een balans in de samenleving die verstoord kan worden door een criminele daad. Het uitdelen van straf is benodigd om die balans te herstellen. Daarmee is de straf strikt op het verleden gericht en in zichzelf moreel gerechtvaardigd (het deontologsiche argument). Een klassieke uiting van deze redenering is te vinden in het werk van Hegel. Hegel stelt dat een misdrijf een ontkenning van het recht inhoudt. Deze ontkenning dient opgeheven (geneutraliseerd) te worden door middel van straf. Straf als ‘annulering’ bewerkstelligt een terugkeer naar de eerdere stand van zaken. Daarmee wordt het recht in waarde hersteld en de ongeldigheid van de criminele daad uitgedrukt.

4 Utilitarisme (relatieve theorieën)
De algemene rechtvaardiging en de instrumenten
Utilitaristen hoeven ‘slechts’ te wijzen op nut voor de toekomst: het vergroten van het algemeen welzijn. Het nut dat met straf wordt bereikt, rechtvaardigt het leed dat aan individuele daders wordt toegevoegd. Dit toekomstig nut in de utilitaristische benadering van straf is gelegen in reductie (afname) en preventie van criminaliteit: de algemene rechtvaardiging voor de praktijk van straffen. Daartoe zijn binnen die praktijk de volgende instrumenten beschikbaar:

  • Individuele en algemene afschrikking
    Wanneer iemand afziet van een bepaalde handeling vanwege angst voor de negatieve gevolgen ervan, is deze persoon afgeschrikt. Een individuele pleger van een misdrijf kan afgeschrikt worden van herhaling, doordat de onplezierige ervaring van straf nog vers in het geheugen ligt en de strafbedreiging onverminderd geldt. Dit is individuele of speciale afschrikking. Personen die in de verleiding zijn om een misdrijf te begaan, kunnen het idee verlaten uit angst voor straf die zij opgelegd zien aan andere die het misdrijf begaan hebben. Dit is algemene of generale afschrikking. Hiervan wordt tevens verwacht dat het een normbevestigende functie heeft.
  • Rehabilitatie (herstel van een vroegere toestand, renovatie, rechtsherstel)
    Rehabilitatie en resocialisatie worden in de literatuur doorgaans uitwisselbaar gebruikt. Het betreft het beïnvloeden van de persoonlijkheid van een pleger van een delict of van diens positie in de samenleving zodat deze af zal zien van verder crimineel gedrag. Door middel van cursussen, trainingen (bijvoorbeeld sociale vaardigheidstraining), (psychologische) begeleiding en een variëteit aan taken wordt getracht rehabilitatie en resocialisatie te bewerkstelligen. Het rehabilitatie-ideaal vindt haar oorsprong in de positieve richting in de criminologie waar de deterministische gedachte heerste dat individuen niet uit eigen vrije wil misdrijven plegen, maar daartoe bewogen worden door krachten waar ze geen vat op hebben.
  • Incapacitatie (de dader kan tijdens het uitzitten van zijn straf geen nieuwe misdaden begaan)
    Incapacitatie, onschadelijkmaking en beveiliging zijn eveneens begrippen die in de literatuur afwisselend gebruikt worden. Het betreft de beperking of volledige beroving van de bewegingsvrijheid (of in het ultieme geval de dood) van plegers van delicten om het hen moeilijk of onmogelijk te maken om in herhaling te vallen. Ofschoon er weinig discussie bestaat over de effectiviteit van incapacitatie, kan het slechts effectief zijn voor de duur van de interventie (actieve handeling om een probleem op te lossen). De vraag wie wordt geïncapaciteerd en voor hoelang, hangt onder andere af van de voorspelling van gevaarlijkheid. Het algemene probleem met de incapacitatie-strategie is dat dergelijke voorspellingen vaak onbetrouwbaar zijn, in welke gevallen het toegevoegde leed nutteloos is.

De begrippen generale (algemene) afschrikking en speciale (individuele) afschrikking zijn geen synoniemen van respectievelijke generale (algemene) preventie en speciale (individuele) preventie. De eerste genoemde begrippen zijn middelen om de laatst genoemden te bereiken. Algemene afschrikking is een middel ter algemene preventie, zoals individuele afschrikking een middel ter individuele preventie is.

Een ander middel ter algemene preventie is het opvoedende effect dat van straffen zou uitgaan op het algemene publiek in de zin van normbevestiging. In tegenstelling tot de retributivistische benadering, waar deze expressieve, afkeurende functie van straf een inherente morele waarde heeft, wordt er in de instrumentele gedachtegang een toekomstig nut van verwacht: algemene preventie. Individuele preventie kan, naast individuele afschrikking, ook gediend zijn met rehabilitatie (rechtsherstel) en incapacitatie (dader kan tijdens het uitzitten van zijn straf geen nieuwe misdaden begaan).

Individuele en algemene preventie zijn onlosmakelijk verbonden zijn met het utilitarisme. Toch kunnen er conflicterende eisen van uitgaan met betrekking tot de soort en de zwaarte van straffen. Terwijl, bijv., een individuele dader effectief afgewend zou kunnen worden van toekomstig crimineel gedrag door behandeling van zijn tekortkomingen, zou vanuit een afschrikkingsbenadering gericht op de algemene preventie een zware en exemplarische straf het meest geëigend zijn.

Los van de potentiële conflicten binnen het utilitarisme, staan twee punten centraal in de kritiek op deze benadering. Wat blijft over van de utilitaristische rechtvaardiging van straf als blijkt dat de beoogde positieve effecten niet of niet in voldoende mate worden bereikt? Accepteren we onevenredige zware straffen of zelfs het straffen van onschuldigen als het netto effect daarvan een vergroting van het algemeen welzijn zou betekening. De eerste vraag ligt ten grondslag aan verhitte discussies over de effectiviteit van straffen, met name in termen van het voorkomen van recidive door middel van rehabilitatie: het ‘wat werkt?’- debat. Daarnaast worden in de wetenschappelijke literatuur regelmatig twijfels geuit over de individueel en algemeen afschrikkende werking van straffen. De tweede vraag heeft ertoe geleid dat veel moderne utilitaristen (op humanitaire gronden) het negatief retributieve principe omarmd hebben terwijl de algemene rechtvaardiging van de praktijk van straffen utilitaristisch is gebleven.
Om de grondslagen en problemen van het utilitarisme te verhelderen ga ik in op het werk van Bentham en Beccaria: twee invloedrijke utilitaristen waarbij afschrikking een centraal element in de benadering vormde.

4.2 Bentham en Beccaria:
Jeremy Bentham geeft in An introduction to the principles of morals and legislation een verantwoording van straf geënt op het principe van utiliteit. Het is een verantwoording waarin afschrikking een centrale rol speelt. Het denken en doen van ieder mens wordt volgens Bentham gedomineerd door het utiliteitsprincipe. Ieder individu weegt het verwachte plezier van een handeling af tegen de verwachte pijn. Wanneer de verwachte pijn zwaarder weegt dan het verwachte plezier, wordt van de handeling afgezien. Het utiliteitsprincipe is niet alleen van toepassing op individuen, maar, aldus Bentham, ook op de overheid. Een handeling van de overheid is conform aan het utiliteitsprincipe wanneer daardoor het totale geluk in de samenleving toeneemt. Een van de hulpmiddelen waarover de overheid beschikt ter bevordering van het geluk in de samenlevingbeschikking is de praktijk van het straffen.

Bentham ziet echter in dat straf zelf een kwaad is, omdat er opzettelijk leed wordt toegevoegd. Het kan daarom alleen gerechtvaardigd zijn ‘as far as it promises to exclude some greater evil’: de preventie-gedachte. Voor een effectieve preventie, stelt Bentham dat de zwaarte van de straf nooit minder mag zijn dan wat nodig is ter voordeelscompensering.

Ten aanzien van de zwaarte van de straf geldt verder dat deze nooit meer mag zijn dan wat nodig is om de beoogde utiliteit te bereiken. Waar dat wel gebeurt is sprake van nodeloze leedtoevoeging, hetgeen zou conflicteren met het utiliteitsprincipe. Dit is Benthams utilitaristische versie van proportionaliteit. Er is ook sprake van nodeloze leedtoevoeging in gevallen waar van straf geen enkel nut te verwachten is. In die gevallen dient straf nagelaten te worden.

Beccaria’s werk was een belangrijke bron van inspiratie voor Bentham. Beccaria’s utilitaristische benadering van straf verschilt echter op een aantal fundamentele punten van die van Bentham.
De ideeën van Beccaria berusten op de combinatie van een contract-theorie met utilitarisme. Zijn uitgangspunt was dat genot en pijn de motiverende krachten bij uitstek van alle wezens zijn. De mens is in essentie een egocentrisch wezen dat eerder misbruik maakt van anderen dan uit eigen beweging bij te dragen aan het algemeen welzijn. Om te voorkomen dat de samenleving aan die neigingen ten onder gaat en wederom in de oude toestand van chaos belandt, zijn ‘tastbare middelen’ nodig: de straffen die de wetsovertreders bedreigen. Straffen, aldus Beccaria, vormen het tegengewicht voor de egoïstische driften die in het algemeen welzijn in gevaar brengen. Dit kan alleen effectief zijn wanneer er een evenredigheid (proportie) bestaat tussen het delict en de straf.

5 Verenigingstheorieën
In verenigingstheorieën, ook wel gemengde of hybride theorieën genoemd, worden elementen uit (doorgaans) retributivisme en utilitarisme onttrokken en gecombineerd. Door de combinatie en integratie van principes uit beide benaderingen wordt de ene wijze van redenen gemodereerd door de andere. De specifieke vorm van een verenigingstheorie is afhankelijk van het uitgangspunt.

1 Utiliteit (relatieve theorieën) (bevorderen van het algemeen welzijn) als algemene rechtvaardiging voor de praktijk. Het negatief retributivistische principe wordt daar overheen gelegd als een rem (beperking) op het straffen met preventief oogmerk; alleen de schuldigen mogen gestraft worden en alleen in evenredigheid met de ernst van het feit en de schuld van de dader.

2 Retributie (absolute theorieën) als algemene rechtvaardiging voor de praktijk. Retributieve eisen aan de straf worden afgezwakt op basis van utilitaristische overwegingen. Hoewel retributie de algemene rechtvaardiging vormt, is het uitdelen van straf aan plegers van delicten tot de bovengrens van het negatieve principe niet langer een (morele) plicht. Utilitaire overwegingen staan toe dat er minder gestraft wordt en zelfs dat er, waar dat opportuun geacht wordt, van straf afgezien mag worden.

De eerste vorm van verenigingstheorie is terug te vinden bij utilitaristen die de noodzaak inzagen van een onafhankelijke begrenzing van straf, waarmee het opzettelijk straffen van onschuldigen en het excessief straffen van schuldigen onmogelijk werd.
In de tweede vorm van verenigingstheorie is de redenering omgekeerd. Vergelding vormt het wezen van de straf. Beneden de (boven)grens gesteld door vergelding zijn het echter utilitaire overwegingen die de keuze voor soort en zwaarte van straf leiden. In tegenstelling tot Kants categorisch imperatief is straf geen plicht, maar een toegestane reactie op criminaliteit. Retributie vormt een ondergrens in de zin dat alleen zij die schuldig zijn aan een misdrijf voor straf in aanmerking komen.

Willem Pompe, een van de grondleggers van de invloedrijke Utrechtse School, verdedigde een verenigingstheorie van dit tweede type. Pompes opvatting van vergelding, welke de algemene rechtvaardiging van straf vormt, was gebaseerd op noties van collectieve intuitie, gecompleteerd met de verstoring van de objectieve zedelijke orde en de persoonlijke schuld van de dader. De zedelijke orde wordt door Pompe gedefinieerd als de gewenste orde van redelijke en vrije wezens, gestructureerd door zedelijk wezen, in bezit van vrije wil, staat centraal in de benadering van Pompe.

6 Herstelrecht (‘restorative justice’)
Herstelrecht beoogt de geleidelijke vervanging van het traditionele strafrechtsysteem (gedomineerd door retributivistische en utilitaristische gedachten) door herstelrechtelijke noties. Terwijl de lange termijn doelstellingen dus radicaal van aard zijn, is de korte termijn insteek vaak binnen de huidige praktijk. Binnen de herstelrechtelijke benadering wordt niet langer van straf (i.e. opzettelijke leedtoevoeging) gesproken, maar heeft de term ‘interventie’ de voorkeur. De algemene rechtvaardiging voor de interventie wordt gevonden in de schade (zowel materieel als immaterieel) die berokkend is. In zogenaamde slachtofferloze delicten of waar de schade moeilijk te definiëren is, wordt deze rechtvaardiging gecomplementeerd met de te herstellen verstoorde sociale orde; de verstoorde relatie tussen de dader en de samenleving. Bovendien werd er een nieuwe maatregel geïntroduceerd: de schadevergoedingsmaatregel art. 36f Sr.
Bovendien waarschuwen sommige ervoor dat de toenemende ‘victimalisering van het strafrecht’ de kern van ons systeem aantast. Dit is echter precies wat beoogd wordt vanuit het herstelrecht.

Kritiek op de herstelrechtelijke benadering komt op twee punten neer: gelijke behandeling van daders en evenredigheid tussen het delict en de interventie. In herstelrecht wordt de te herstellen schade bepaald door de subjectieve ervaring van het slachtoffer. Dit betekent dat voor gelijke delicten, afhankelijk van de subjectieve ervaring van schade door slachtoffers, het verlangde herstel zeer uiteenlopend kan zijn.
Het tweede punt van kritiek betreft de evenredigheid tussen enerzijds ernst van het feit en de schuld van de dader en anderzijds de interventie. Met aangericht schade als referentiepunt en herstel daarvan als doel kunnen herstelrechtelijke interventies zelfs punitiever blijken te zijn (in termen van leedtoevoeging) dan straffen vanuit retributief oogmerk.

A

Morele theorieën
In morele theorieën over straf zijn doorgaans twee lagen te onderkennen. De eerste laag betreft de algemene rechtvaardiging van de praktijk van het straffen. Daarin wordt antwoord gegeven op de vraag waarom de praktijk van het straffen goed en gerechtvaardigd zou zijn. De tweede laag betreft, in samenhang met de eerste laag, doorgaans antwoorden op de vraag wie in aanmerking komen voor straf en op welke wijze gestraft behoort te worden. In deze tweede laag vinden we de concrete strafdoelen terug die in specifieke zaken behoren te worden nagestreefd.

De twee bekendste en meeste invloedrijke benaderingen van zin en doelen van straf zijn utilitaristische theorieën (relatieve theorieën) en retributivistische theorieën (absolute theorieën of vergeldingstheorieën). Het belangrijkste verschil ligt in het temporele perspectief van de benaderingen.

Utilitaristische benaderingen (relatieve theorieën) zijn toekomstgericht. De algemene rechtvaardiging voor de praktijk van straffen wordt gevonden in het veronderstelde nut ervan (utiliteit) voor de toekomst. Deze utiliteit rechtvaardigt (dat wil zeggen weegt zwaarder dan) het leed dat aan individuele daders wordt toegevoegd door middel van straf. Utilitaristische theorieën worden dan ook regelmatig consequentialistische of instrumentalistische theorieën genoemd. Waar utilitaristische theorieën zich concentreren op de reductie (afname) van criminaliteit, wordt door sommige auteurs ook wel de term ‘reductivisme’ gebruikt.

Retributivistische theorieën (absolute theorieën of vergeldingstheorieën), de algemene rechtvaardiging voor de praktijk van het straffen ligt in deze theorieën doorgaans in een (morele) balans die verstoord is ten gevolge van een misdrijf. Het uitdelen van straf is in zichzelf rechtvaardig, verdiend en moreel goed omdat daarmee de verstoorde balans hersteld wordt. Straf heeft een inherente morele waarde als reactie op criminaliteit die geen rechtvaardiging nodig heeft in termen van toekomstige nut.

Elementen uit utilitarisme en retributivisme kunnen gecombineerd worden, waardoor hybride of verenigingstheorieën ontstaan. Hoewel aldus verkregen theorieën weinig nieuws te bieden hebben in termen van theoretische inzichten, gaat er voor velen een grote aantrekkingskracht van uit, omdat als resultaat van de mix, potentiële excessen van de ene component van de ‘vereniging’ gematigd (kunnen) worden door een andere component.

|Retributivisime
Positief en negatief retributivisme
Gemeenschappelijk aan de verschillende versies van retributivisme is dat het straffen van plegers van delicten intrinsiek goed is. Maar waarin ligt die morele noodzaak van straf, of waarom is juist straf (in termen van het toevoegen van leed) de meeste geschikte reactie op normovertredend gedrag? In de antwoorden op deze vragen vinden we de grootste verschillende tussen retributivisten onderling. Soms kunnen deze antwoorden geïnterpreteerd worden in utilitaristische (teleologische) termen waardoor sommige retributivisten ervan beticht worden ‘crypto-utilitaristen’ of ‘vermomde utilitaristen’ zijn.

Een nuttig onderscheid is dat tussen negatief en positief retributivisme. Negatief retributivisme berust op het op het (negatieve) principe dat alleen zij die schuldig zijn gestraft mogen worden waarbij de straf niet zwaarder mag zijn dan evenredigheid toelaat. Straf is daarmee niet een noodzakelijke reactie op criminaliteit; het is toegestaan, maar slechts waar verenigbaar met dit negatieve principe. Het ‘negatieve’ van dit principe is te vinden in de limiterende werking die er van uitgaat op straffend handelen. Het retributieve element is gelegen in de centrale rol die proportionaliteit speelt: een verdachte die schuldig is bevonden mag, in tegenstelling tot wat men vanuit instrumenteel oogpunt zou (kunnen) willen, niet zwaarder gestraft worden dan evenredig aan zijn schuld en de ernst van het delict. Eveneens verbiedt het negatieve principe het straffen van onschuldigen om potentiële daders af te schrikken. Negatief retributivisme is echter onvolledig als theorie van straf. Er wordt niet voorzien in een algemene rechtvaardiging voor de praktijk van straffen: waarom straf is toegestaan. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het negatieve retributie principe wordt teruggevonden in combinatie met een utilitaristische algemene rechtvaardiging.

Positief retributisivme is wel volledig in haar verantwoording van straf. In de positieve benaderingen wordt gesteld dat ‘gerechtigheid’ eist dat straf uitgedeeld wordt aan plegers van delicten; het is niet slechts toegestaan om schuldigen te straffen, maar er is sprake van een (morele) noodzaak of plicht om dit te doen en wel op het maximum van wat het negatieve principe toelaat. De klassieke formulering hiervan is afkomstig van Kant die stelde dat straffen van plegers van delicten een categorisch imperatief is, een morele noodzaak, zonder enige referentie aan goede of slechte effecten van de straf. Een misdadiger verdient straf, omdat hij iets moreel verwerpelijks heeft gedaan, omdat hij een misdrijf gepleegd heeft en voor geen andere reden.

Herstellen van een balans
De meeste positief retributivisten verwijzen naar een balans in de samenleving die verstoord kan worden door een criminele daad. Het uitdelen van straf is benodigd om die balans te herstellen. Daarmee is de straf strikt op het verleden gericht en in zichzelf moreel gerechtvaardigd (het deontologsiche argument). Een klassieke uiting van deze redenering is te vinden in het werk van Hegel. Hegel stelt dat een misdrijf een ontkenning van het recht inhoudt. Deze ontkenning dient opgeheven (geneutraliseerd) te worden door middel van straf. Straf als ‘annulering’ bewerkstelligt een terugkeer naar de eerdere stand van zaken. Daarmee wordt het recht in waarde hersteld en de ongeldigheid van de criminele daad uitgedrukt.

4 Utilitarisme (relatieve theorieën)
De algemene rechtvaardiging en de instrumenten
Utilitaristen hoeven ‘slechts’ te wijzen op nut voor de toekomst: het vergroten van het algemeen welzijn. Het nut dat met straf wordt bereikt, rechtvaardigt het leed dat aan individuele daders wordt toegevoegd. Dit toekomstig nut in de utilitaristische benadering van straf is gelegen in reductie (afname) en preventie van criminaliteit: de algemene rechtvaardiging voor de praktijk van straffen. Daartoe zijn binnen die praktijk de volgende instrumenten beschikbaar:

  • Individuele en algemene afschrikking
    Wanneer iemand afziet van een bepaalde handeling vanwege angst voor de negatieve gevolgen ervan, is deze persoon afgeschrikt. Een individuele pleger van een misdrijf kan afgeschrikt worden van herhaling, doordat de onplezierige ervaring van straf nog vers in het geheugen ligt en de strafbedreiging onverminderd geldt. Dit is individuele of speciale afschrikking. Personen die in de verleiding zijn om een misdrijf te begaan, kunnen het idee verlaten uit angst voor straf die zij opgelegd zien aan andere die het misdrijf begaan hebben. Dit is algemene of generale afschrikking. Hiervan wordt tevens verwacht dat het een normbevestigende functie heeft.
  • Rehabilitatie (herstel van een vroegere toestand, renovatie, rechtsherstel)
    Rehabilitatie en resocialisatie worden in de literatuur doorgaans uitwisselbaar gebruikt. Het betreft het beïnvloeden van de persoonlijkheid van een pleger van een delict of van diens positie in de samenleving zodat deze af zal zien van verder crimineel gedrag. Door middel van cursussen, trainingen (bijvoorbeeld sociale vaardigheidstraining), (psychologische) begeleiding en een variëteit aan taken wordt getracht rehabilitatie en resocialisatie te bewerkstelligen. Het rehabilitatie-ideaal vindt haar oorsprong in de positieve richting in de criminologie waar de deterministische gedachte heerste dat individuen niet uit eigen vrije wil misdrijven plegen, maar daartoe bewogen worden door krachten waar ze geen vat op hebben.
  • Incapacitatie (de dader kan tijdens het uitzitten van zijn straf geen nieuwe misdaden begaan)
    Incapacitatie, onschadelijkmaking en beveiliging zijn eveneens begrippen die in de literatuur afwisselend gebruikt worden. Het betreft de beperking of volledige beroving van de bewegingsvrijheid (of in het ultieme geval de dood) van plegers van delicten om het hen moeilijk of onmogelijk te maken om in herhaling te vallen. Ofschoon er weinig discussie bestaat over de effectiviteit van incapacitatie, kan het slechts effectief zijn voor de duur van de interventie (actieve handeling om een probleem op te lossen). De vraag wie wordt geïncapaciteerd en voor hoelang, hangt onder andere af van de voorspelling van gevaarlijkheid. Het algemene probleem met de incapacitatie-strategie is dat dergelijke voorspellingen vaak onbetrouwbaar zijn, in welke gevallen het toegevoegde leed nutteloos is.

De begrippen generale (algemene) afschrikking en speciale (individuele) afschrikking zijn geen synoniemen van respectievelijke generale (algemene) preventie en speciale (individuele) preventie. De eerste genoemde begrippen zijn middelen om de laatst genoemden te bereiken. Algemene afschrikking is een middel ter algemene preventie, zoals individuele afschrikking een middel ter individuele preventie is.

Een ander middel ter algemene preventie is het opvoedende effect dat van straffen zou uitgaan op het algemene publiek in de zin van normbevestiging. In tegenstelling tot de retributivistische benadering, waar deze expressieve, afkeurende functie van straf een inherente morele waarde heeft, wordt er in de instrumentele gedachtegang een toekomstig nut van verwacht: algemene preventie. Individuele preventie kan, naast individuele afschrikking, ook gediend zijn met rehabilitatie (rechtsherstel) en incapacitatie (dader kan tijdens het uitzitten van zijn straf geen nieuwe misdaden begaan).

Individuele en algemene preventie zijn onlosmakelijk verbonden zijn met het utilitarisme. Toch kunnen er conflicterende eisen van uitgaan met betrekking tot de soort en de zwaarte van straffen. Terwijl, bijv., een individuele dader effectief afgewend zou kunnen worden van toekomstig crimineel gedrag door behandeling van zijn tekortkomingen, zou vanuit een afschrikkingsbenadering gericht op de algemene preventie een zware en exemplarische straf het meest geëigend zijn.

Los van de potentiële conflicten binnen het utilitarisme, staan twee punten centraal in de kritiek op deze benadering. Wat blijft over van de utilitaristische rechtvaardiging van straf als blijkt dat de beoogde positieve effecten niet of niet in voldoende mate worden bereikt? Accepteren we onevenredige zware straffen of zelfs het straffen van onschuldigen als het netto effect daarvan een vergroting van het algemeen welzijn zou betekening. De eerste vraag ligt ten grondslag aan verhitte discussies over de effectiviteit van straffen, met name in termen van het voorkomen van recidive door middel van rehabilitatie: het ‘wat werkt?’- debat. Daarnaast worden in de wetenschappelijke literatuur regelmatig twijfels geuit over de individueel en algemeen afschrikkende werking van straffen. De tweede vraag heeft ertoe geleid dat veel moderne utilitaristen (op humanitaire gronden) het negatief retributieve principe omarmd hebben terwijl de algemene rechtvaardiging van de praktijk van straffen utilitaristisch is gebleven.
Om de grondslagen en problemen van het utilitarisme te verhelderen ga ik in op het werk van Bentham en Beccaria: twee invloedrijke utilitaristen waarbij afschrikking een centraal element in de benadering vormde.

4.2 Bentham en Beccaria:
Jeremy Bentham geeft in An introduction to the principles of morals and legislation een verantwoording van straf geënt op het principe van utiliteit. Het is een verantwoording waarin afschrikking een centrale rol speelt. Het denken en doen van ieder mens wordt volgens Bentham gedomineerd door het utiliteitsprincipe. Ieder individu weegt het verwachte plezier van een handeling af tegen de verwachte pijn. Wanneer de verwachte pijn zwaarder weegt dan het verwachte plezier, wordt van de handeling afgezien. Het utiliteitsprincipe is niet alleen van toepassing op individuen, maar, aldus Bentham, ook op de overheid. Een handeling van de overheid is conform aan het utiliteitsprincipe wanneer daardoor het totale geluk in de samenleving toeneemt. Een van de hulpmiddelen waarover de overheid beschikt ter bevordering van het geluk in de samenlevingbeschikking is de praktijk van het straffen.

Bentham ziet echter in dat straf zelf een kwaad is, omdat er opzettelijk leed wordt toegevoegd. Het kan daarom alleen gerechtvaardigd zijn ‘as far as it promises to exclude some greater evil’: de preventie-gedachte. Voor een effectieve preventie, stelt Bentham dat de zwaarte van de straf nooit minder mag zijn dan wat nodig is ter voordeelscompensering.

Ten aanzien van de zwaarte van de straf geldt verder dat deze nooit meer mag zijn dan wat nodig is om de beoogde utiliteit te bereiken. Waar dat wel gebeurt is sprake van nodeloze leedtoevoeging, hetgeen zou conflicteren met het utiliteitsprincipe. Dit is Benthams utilitaristische versie van proportionaliteit. Er is ook sprake van nodeloze leedtoevoeging in gevallen waar van straf geen enkel nut te verwachten is. In die gevallen dient straf nagelaten te worden.

Beccaria’s werk was een belangrijke bron van inspiratie voor Bentham. Beccaria’s utilitaristische benadering van straf verschilt echter op een aantal fundamentele punten van die van Bentham.
De ideeën van Beccaria berusten op de combinatie van een contract-theorie met utilitarisme. Zijn uitgangspunt was dat genot en pijn de motiverende krachten bij uitstek van alle wezens zijn. De mens is in essentie een egocentrisch wezen dat eerder misbruik maakt van anderen dan uit eigen beweging bij te dragen aan het algemeen welzijn. Om te voorkomen dat de samenleving aan die neigingen ten onder gaat en wederom in de oude toestand van chaos belandt, zijn ‘tastbare middelen’ nodig: de straffen die de wetsovertreders bedreigen. Straffen, aldus Beccaria, vormen het tegengewicht voor de egoïstische driften die in het algemeen welzijn in gevaar brengen. Dit kan alleen effectief zijn wanneer er een evenredigheid (proportie) bestaat tussen het delict en de straf.

5 Verenigingstheorieën
In verenigingstheorieën, ook wel gemengde of hybride theorieën genoemd, worden elementen uit (doorgaans) retributivisme en utilitarisme onttrokken en gecombineerd. Door de combinatie en integratie van principes uit beide benaderingen wordt de ene wijze van redenen gemodereerd door de andere. De specifieke vorm van een verenigingstheorie is afhankelijk van het uitgangspunt.

1 Utiliteit (relatieve theorieën) (bevorderen van het algemeen welzijn) als algemene rechtvaardiging voor de praktijk. Het negatief retributivistische principe wordt daar overheen gelegd als een rem (beperking) op het straffen met preventief oogmerk; alleen de schuldigen mogen gestraft worden en alleen in evenredigheid met de ernst van het feit en de schuld van de dader.

2 Retributie (absolute theorieën) als algemene rechtvaardiging voor de praktijk. Retributieve eisen aan de straf worden afgezwakt op basis van utilitaristische overwegingen. Hoewel retributie de algemene rechtvaardiging vormt, is het uitdelen van straf aan plegers van delicten tot de bovengrens van het negatieve principe niet langer een (morele) plicht. Utilitaire overwegingen staan toe dat er minder gestraft wordt en zelfs dat er, waar dat opportuun geacht wordt, van straf afgezien mag worden.

De eerste vorm van verenigingstheorie is terug te vinden bij utilitaristen die de noodzaak inzagen van een onafhankelijke begrenzing van straf, waarmee het opzettelijk straffen van onschuldigen en het excessief straffen van schuldigen onmogelijk werd.
In de tweede vorm van verenigingstheorie is de redenering omgekeerd. Vergelding vormt het wezen van de straf. Beneden de (boven)grens gesteld door vergelding zijn het echter utilitaire overwegingen die de keuze voor soort en zwaarte van straf leiden. In tegenstelling tot Kants categorisch imperatief is straf geen plicht, maar een toegestane reactie op criminaliteit. Retributie vormt een ondergrens in de zin dat alleen zij die schuldig zijn aan een misdrijf voor straf in aanmerking komen.

Willem Pompe, een van de grondleggers van de invloedrijke Utrechtse School, verdedigde een verenigingstheorie van dit tweede type. Pompes opvatting van vergelding, welke de algemene rechtvaardiging van straf vormt, was gebaseerd op noties van collectieve intuitie, gecompleteerd met de verstoring van de objectieve zedelijke orde en de persoonlijke schuld van de dader. De zedelijke orde wordt door Pompe gedefinieerd als de gewenste orde van redelijke en vrije wezens, gestructureerd door zedelijk wezen, in bezit van vrije wil, staat centraal in de benadering van Pompe.

6 Herstelrecht (‘restorative justice’)
Herstelrecht beoogt de geleidelijke vervanging van het traditionele strafrechtsysteem (gedomineerd door retributivistische en utilitaristische gedachten) door herstelrechtelijke noties. Terwijl de lange termijn doelstellingen dus radicaal van aard zijn, is de korte termijn insteek vaak binnen de huidige praktijk. Binnen de herstelrechtelijke benadering wordt niet langer van straf (i.e. opzettelijke leedtoevoeging) gesproken, maar heeft de term ‘interventie’ de voorkeur. De algemene rechtvaardiging voor de interventie wordt gevonden in de schade (zowel materieel als immaterieel) die berokkend is. In zogenaamde slachtofferloze delicten of waar de schade moeilijk te definiëren is, wordt deze rechtvaardiging gecomplementeerd met de te herstellen verstoorde sociale orde; de verstoorde relatie tussen de dader en de samenleving. Bovendien werd er een nieuwe maatregel geïntroduceerd: de schadevergoedingsmaatregel art. 36f Sr.
Bovendien waarschuwen sommige ervoor dat de toenemende ‘victimalisering van het strafrecht’ de kern van ons systeem aantast. Dit is echter precies wat beoogd wordt vanuit het herstelrecht.

Kritiek op de herstelrechtelijke benadering komt op twee punten neer: gelijke behandeling van daders en evenredigheid tussen het delict en de interventie. In herstelrecht wordt de te herstellen schade bepaald door de subjectieve ervaring van het slachtoffer. Dit betekent dat voor gelijke delicten, afhankelijk van de subjectieve ervaring van schade door slachtoffers, het verlangde herstel zeer uiteenlopend kan zijn.
Het tweede punt van kritiek betreft de evenredigheid tussen enerzijds ernst van het feit en de schuld van de dader en anderzijds de interventie. Met aangericht schade als referentiepunt en herstel daarvan als doel kunnen herstelrechtelijke interventies zelfs punitiever blijken te zijn (in termen van leedtoevoeging) dan straffen vanuit retributief oogmerk.

23
Q

Moreel geluk
Nagel schrijft over ‘moral luck’, het feit dat ons moreel oordeel bij straffen lijkt af te hangen van toevallige en irrelevante feiten; geluk. Hij beschrijft dat mensen in het dagelijks leven worden beïnvloed door externe factoren die zij niet onder controle hebben. Los van deze externe factoren bij bijvoorbeeld een strafbaar feit, beoordelen ‘wij’ de persoon als object, de dader vanuit een subjectief standpunt. De toevallige externe omstandigheden kunnen zowel positief als negatief uitwerken voor een persoon bij een strafbaar feit en vallen te onderscheiden in vier gevallen:
1 Constitutive luck: toeval afhankelijk van je karakter, capaciteiten en temperament;
2 Luck in the way actions and projects turn out
3 Luck in one’s historical circumstances
4 Luck in how one is determined by antecedent circumstances
Nagel geeft enkele voorbeelden om het effect van dit toeval op onze morele opvattingen te duiden: stel voor dat iemand dronken achter het stuur zit en over de weg aan het zwalken is. Hij mag van ‘geluk’ spreken indien hij niemand aanrijdt. Indien dit wel plaatsvindt en hij iemand doodrijdt, wordt hij hoogstwaarschijnlijk vervolgd voor doodslag. De toevallige omstandigheid dat er nu wel mensen aan de zijkant van de weg fietsten resulteert in een geheel andere morele opvatting en veel hogere straf, terwijl zijn nalatigheid exact hetzelfde is in beide situaties. Dit is bijvoorbeeld het derde geval: luck in one’s circumstances. Een ander voorbeeld is die van moord en poging tot moord. Een poging wordt aan de hand van art. 45 Sr veel milder gestraft dan moord, terwijl in beide gevallen de intentie hetzelfde is. Het feit dat de moord in de ene situatie niet is voltooid, kan liggen in de toevallige omstandigheid dat het wapen weigerde; Luck in the way actions and projects turn out

Toch is de gedachte enigszins apart om meer schuldig te zijn aan de toevallige omstandigheid dat er bijvoorbeeld iemand fietst of wanneer een wapen weigert, terwijl de intentie hetzelfde is. Een persoon kan moreel verantwoordelijk worden gehouden voor hetgeen hij doet, maar juist datgene wat hij doet is een resultaat van de dingen die hij niet doet (factoren waar we geen controle op hebben). Nagel beschrijft dit als de paradox. Een voorbeeld ter verduidelijking: Zou een persoon als een Duitse kampbewaker ten tijde van nazi-Duitsland zich op eenzelfde manier hebben gedragen indien hij in Australië was opgegroeid? In Duitsland heeft hij de keuze kunnen maken om te kiezen tussen de ene (slechte) en de andere (goede) kant, maar iemand in Australië is nooit in zo een keuzesituatie beland. Zou die Australiër mogelijk ook een bewaker zijn geworden mocht hij in nazi-Duitsland hebben geleefd? De Duitser is onderworpen aan de toevallige factoren van waar hij is opgegroeid, kan men dan hier verantwoordelijk voor worden gehouden?

Nagel stelt daarop dat er een connectie bestaat tussen de verantwoordelijkheden van je handelen, de toevallige factoren en de vrije wil. Als iemand niet verantwoordelijk kan worden gehouden vanwege toevallige factoren (nazi-Duitsland, fietsers of een weigerend wapen), hoe zit het dan met de handelingen uit vrije wil? Zijn alle handelingen dan niet uiteindelijk bepaald door externe factoren (determinisme)? Volgens Nagel is hier geen perfecte oplossing voor omdat: ‘something in the idea of agency is incompatible with actions being events, or people being things.’ Oftewel, de idee van een persoon (agents) valt niet te verenigen met de idee dat daden gelijk worden gesteld met gebeurtenissen (events). Als namelijk alles in een reeks causale gebeurtenissen geplaatst kan worden, lijkt het erop alsof de mens niets zelf doet en we willen uiteindelijk de dader als subject, los van de toevallige factoren, beoordelen en niet als een object.

|Materieel strafrecht
Kennisclip 1: introductie en ‘moreel toeval’
|De dominante moraalfilosofie
Uitgangspunt in de dominante moraalfilosofie
- Morele verantwoordelijkheid voor resultaten van onze handelingen hangt rechtstreeks af van de mate waarin die resultaten gewild zijn (Kant). Het is de wil van iemand die goed of slecht is en welgeheel los van soms toevallige uitkomst van die beslissingen die iemand neemt. Oftewel als we iemand veroordelen, dan veroordelen we iemand en wel voor de gedraging die hij in zekere zin gewild heeft.
- Dus geen morele verantwoordelijkheid voor factoren waarover wij geen controle kunnen uitoefenen. Risicoaansprakelijkheid kan in bepaalde of juridische domeinen een handige en effectieve constructie zijn (zoals in bepaalde delen in privaatrecht), maar moreel en strafrechtelijk is risicoaansprakelijkheid een wan begrip. Strafrecht eist bij een misdrijf in ieder geval, dat je opzet hebt gehad op het gevolg dat je hebt bewerkstelligt om op z’n minst bij bepaalde misdrijven culpa hebt gehad (dus onachtzaamheid kan worden verweten die in het gevolg is uitgemond). Dus op een of andere manier moet dat gevolg gewild zijn, opzet en desnoods via culpa.
- Maar klopt dit met de praktijk?

|Vier vormen van moreel toeval
In feite blijkt dat optreden van factoren die buiten ons wil om de gevolgen van onze handelingen beïnvloeden of mede beïnvloeden (of op beslissende wijze beïnvloeden) dat die wel degelijk moreel relevant kunnen zijn. Dat wil zeggen zij worden meegewogen in onze morele van handelingen.

Vier vormen van ‘moral luck’
- Constitutive luck in the kind of person you are.
Dat wil zeggen gelukkig of ongelukkige toeval ten aanzien van aangeboren of door omstandigheden aangeleerde karaktereigenschappen en lichamelijke en verstandelijke vermogens (temperament etc.). dus toeval met betrekking tot karaktereigenschappen waarmee men soms zijn ondanks opgescheept zit. Mensen die bijv. hebberig zijn of afgunstig of laf etc. die kunnen daar al veel al niets of weinig aan doen, maar degelijke karaktereigenschappen worden desondanks doorgaans meegewogen in de morele beoordeling van handelingen van mensen die met die eigenschappen behept zijn.

  • Luck in the way actions and projects turn out (strafrechtelijk relevanter)
    Toeval met betrekking tot the way things turns out. Dus ten aanzien van de uitkomsten of resultaten van handelingen. Deze categorie van moreel toeval, de al dan niet toevallige afloop van een gedraging, is dus in strafrechtelijke opzich het meest relevant. Nagel heeft het onder andere over onzorgvuldig of nalatig gedrag (wat wij in sr (culpa) culpoos gedrag noemen), in dat verband noemt Nagel het voorbeeld van een vrachtwagenchauffeur die onopzettelijke (dus perongeluk) een kind overrijdt. Stel nou dat deze bestuurder in dit verband niets meer of niks anders persoonlijks verbetert kan worden doordat hij niet zijn banden heeft laten controleren, hoewel dat wel nodig was. In het geval is er een strikt genomen lichte vorm van nalatigheid in het spel, maar ingeval van die kleine onachtzaamheid toch in hoe licht van mate ook heeft bijgedragen aan het intreden van een ernstige dood (het overrijden en mogelijke dood van een kind) dan maakt dat voor de morele beoordeling van dat gedrag toch nog wat uit en trouwens ook voor morele beoordeling van de onachtzame bestuurder van zijn eigen gedrag zelf. Als het gevolg zou zijn uitgebleven dan zou die kleine nalatigheid (het niet controleren van die banden) de bestuurder in dit geval in veel geringe mate worden aangewreven. Hoewel de omvang van de nalatigheid gelijk blijft. Relatief lichte onachtzaamheid met ernstige gevolg kan dus culpoos gedrag opleveren. Vergelijkbaar probleem zie je terug bij de zogenaamde door het gevolg gekwalificeerde delicten. Als men iemand mishandelt, dan heeft men opzet op het toebrengen van letsel bij iemand, dan was doel van mishandeling onverhoopt zonder dat je dat wil. Ernstig zwaar lichamelijk letsel optreedt of de dood, dan gaat de strafmaat omhoog, hoewel de opzet beperkt was op het verwonden van iemand.
  • Luck in one’s historical circumstances oftewel gelukkig of ongelukkig toeval binnen situaties waarin men zich begeeft.
    Want ook doet zich dezelfde soort idee in relatie tot toeval binnen situaties waarbinnen men verzeild kan raken. Nagel noemt voorbeeld: gewone burgers die ten tijde van nazi bewind in Duitsland leefden die konden geconfronteerd met deze uitzonderlijke situaties gedrevoegen naar de verwachtingen en normen van het nazibewind of zich juist daartegen te weer stellen. Maar burgers van andere nazi’s die niet waren geconfronteerd met de gelijkaardige morele crisis, die in ieder geval niet dezelfde mate van schuld als de Duitsers die dus in zoverre immoreel opzicht uitgeleverd waren aan willekeur (stelt Nagel).
  • Luck in how one is determined by antecedent circumstances
    Toevallige gelukkige of ongelukkige doorwerking van voorafgaande oorzakelijke factoren. Deze vorm wordt door Nagel verbonden aan het filosofische probleem van de vrije wil. Jullie weten het strafrecht is gebaseerd op het idee van de vrije wil, mensen zijn in beginsel toerekeningsvatbaar en kiezen zelf voor hun misdadige gedrag en kunnen daarom ook in regel strafrechtelijke tot op orde kunnen worden geroepen en aansprakelijk worden gesteld. maar wat nou als blijkt niet alleen bepaalde consequenties van onze handelingen mede voortvloeien uit factoren waarover we geen controle hebben kunnen uitoefenen of die we niet gewild hebben (de eerste drie van moral luck) maar ook dat zelfs onze wil dus datgene wat volgens de dominante moraal filosofie de enige of zelfs de voornaamste grondslag vormt voor morele aansprakelijkheid, wat als ook die wil is gedetermineerd door omstandigheden. Nagel zegt vanuit extern wetenschappelijke perspectief kan blijken dat onze gedragingen noodzakelijke en onvermijdelijke gevolgen zijn van natuurlijk schappelijk op te helderen processen die volgens natuurwetten verlopen. Hoe meer op grond van externe gezichtspunt duidelijk wordt over de causale factoren die ons doen en laten beïnvloeden des te minder ruimte blijft er over voor een vrije wil en daarmee voor morele verantwoordelijkheid en strafrechtelijke verantwoordelijkheid, maar zegt Nagel vanuit intern gezichtspunt wordt aandacht gevraagd voor de subjectieve ervaring die ons handelingen begeleidt, Nagel stelt dat filosofische probleem van moreel toeval niet kan worden begrepen zonder een degelijk intern gezichtspunt te hanteren.

meerkeuzevraag:
Welke vorm van Moral luck is strafrechtelijk relevant en zie je vaak bij culpoze delicten?
Goed antwoord van de de 4 vormen:
Luck in the way actions and projects turn out.

A

Moreel geluk
Nagel schrijft over ‘moral luck’, het feit dat ons moreel oordeel bij straffen lijkt af te hangen van toevallige en irrelevante feiten; geluk. Hij beschrijft dat mensen in het dagelijks leven worden beïnvloed door externe factoren die zij niet onder controle hebben. Los van deze externe factoren bij bijvoorbeeld een strafbaar feit, beoordelen ‘wij’ de persoon als object, de dader vanuit een subjectief standpunt. De toevallige externe omstandigheden kunnen zowel positief als negatief uitwerken voor een persoon bij een strafbaar feit en vallen te onderscheiden in vier gevallen:
1 Constitutive luck
2 Luck in the way actions and projects turn out
3 Luck in one’s historical circumstances
4 Luck in how one is determined by antecedent circumstances

24
Q

Moral luck
Vier vormen van moreel toeval
In feite blijkt dat optreden van factoren die buiten ons wil om de gevolgen van onze handelingen beïnvloeden of mede beïnvloeden (of op beslissende wijze beïnvloeden) dat die wel degelijk moreel relevant kunnen zijn. Dat wil zeggen zij worden meegewogen in onze morele van handelingen.
1 constitutive luck
2 luck in the way actions and projects turn out
3 luck in one’s historical circumstances
4 luck in how one is determined by antecedent circumstances

1 constitutive luck
aangeboren of door omstandigheden aangeleerde karaktereigenschappen en lichamelijke en verstandelijke vermogens

2 luck in the way action and projects turn out
ten aanzien van de uitkomsten of resultaten van handelingen.

3 luck in one’s historical circumstances
gelukkig of ongelukkig toeval binnen situaties waarin men zich begeeft.

4 Luck in how one is determined by antecedent circumstances
gelukkig of ongelukkig toeval doorwerking van voorgaande oorzakelijke factoren.
Jullie weten het strafrecht is gebaseerd op het idee van de vrije wil, mensen zijn in beginsel toerekeningsvatbaar en kiezen zelf voor hun misdadige gedrag en kunnen daarom ook in regel strafrechtelijke tot op orde kunnen worden geroepen en aansprakelijk worden gesteld. maar wat nou als blijkt niet alleen bepaalde consequenties van onze handelingen mede voortvloeien uit factoren waarover we geen controle hebben kunnen uitoefenen of die we niet gewild hebben

A

Moral luck
Vier vormen van moreel toeval
In feite blijkt dat optreden van factoren die buiten ons wil om de gevolgen van onze handelingen beïnvloeden of mede beïnvloeden (of op beslissende wijze beïnvloeden) dat die wel degelijk moreel relevant kunnen zijn. Dat wil zeggen zij worden meegewogen in onze morele van handelingen.
1 constitutive luck
2 luck in the way actions and projects turn out
3 luck in one’s historical circumstances
4 luck in how one is determined by antecedent circumstances

1 constitutive luck
aangeboren of door omstandigheden aangeleerde karaktereigenschappen en lichamelijke en verstandelijke vermogens

2 luck in the way action and projects turn out
ten aanzien van de uitkomsten of resultaten van handelingen.

3 luck in one’s historical circumstances
gelukkig of ongelukkig toeval binnen situaties waarin men zich begeeft.

4 Luck in how one is determined by antecedent circumstances
gelukkig of ongelukkig toeval doorwerking van voorgaande oorzakelijke factoren.
Jullie weten het strafrecht is gebaseerd op het idee van de vrije wil, mensen zijn in beginsel toerekeningsvatbaar en kiezen zelf voor hun misdadige gedrag en kunnen daarom ook in regel strafrechtelijke tot op orde kunnen worden geroepen en aansprakelijk worden gesteld. maar wat nou als blijkt niet alleen bepaalde consequenties van onze handelingen mede voortvloeien uit factoren waarover we geen controle hebben kunnen uitoefenen of die we niet gewild hebben

25
Q

Morele theorieën
In morele theorieën over straf zijn twee lagen. De eerste laag betreft de algemene rechtvaardiging van de praktijk van het straffen, daarin wordt antwoord gegeven op de vraag waarom de praktijk van het straffen goed en gerechtvaardigd zou zijn. De tweede laag betreft, in samenhang met de eerste laag, doorgaans antwoorden op de vraag wie in aanmerking komen voor straf en op welke wijze gestraft behoort te worden.
De twee bekendste en meest invloedrijke benaderingen van zin en doelen van straf zijn retributivisme (absolute theorieën) en utilitarisme (relatieve theorieën).

1 Retributivisme – absolute theorie of vergeldingstheorieën
De algemene rechtvaardiging voor de praktijk van het straffen ligt doorgaans in een (morele) balans die verstoord is door een misdrijf. Het uitdelen van straf is in zichzelf rechtvaardig, verdiend en moreel goed, omdat daarmee de verstoorde balans hersteld wordt. Straf heeft inherente morele waarde als reactie op de criminaliteit die geen rechtvaardiging nodig heeft in termen van toekomstige nut.
Gemeenschappelijk aan de verschillende versies van retributivisme is dat het straffen van plegers van intrinsiek goed is.

Onderscheid tussen
- Negatief retributivisme
Alleen schuldigen mogen gestraft worden + proportionaliteit. Deze categorie is niet volledig, want er wordt geen algemene rechtvaardiging gegeven waarom een straf toegestaan is. Onschuldigen mogen niet gestraft worden om daders af te schrikken.

  • Positief retributivisme
    Stelt dat een morele noodzaak is om te straffen en wel op het maximum van wat het negatieve principe toelaat.
    Herstellen van de balans. Een misdadiger die een delict pleegt verstoort de balans in de samenleving en door het uitdelen van een straf wordt die balans min of meer hersteld. Straf is dus alleen op verleden gericht.

Andere benadering is de balans tussen baten en lasten in de samenleving. De maatschappij heeft een soort contract: om van baten te kunnen genieten moeten bepaalde neigingen onderdrukt worden. Indien iemand dit niet kan (strafbaar feit), geniet hij oneigenlijk voordeel wat moet worden ontnomen.

2 Utilitarisme – relatieve theorie (toekomstgericht)
De algemene rechtvaardiging voor de praktijk van straffen wordt gevonden in het veronderstelde nut ervan voor de toekomst. Deze utiliteit rechtvaardigt het leed dat aan individuele daders wordt toegevoegd door middel van straf. Utilitaristische theorieën worden dan ook consequentialistische of instrumentalistische theorieën genoemd.

  • Straf moet ten goede komen aan het algemeen nut; het vergroten van het algemeen welzijn. Nut moet vooral zien op de toekomst: reductie (afname) en preventie van criminaliteit.

Om deze reductie en preventie te bereiken zijn er verschillende elementen beschikbaar:
Ten eerste de individuele en algemene afschrikking

Ten tweede rehabilitatie (herstel)/ resocialisatie (herintegratie). Dit element ziet op het beïnvloeden van de persoonlijkheid van een pleger van een delict of van diens positie in de samenleving, zodat hij in de toekomst zal afzien van criminele handelingen.

Ten derde de incapacitatie (dader kan geen nieuwe misdaden begaan). Dit gaat over de opsluiting van een persoon, waardoor zijn bewegingsvrijheid wordt ontnomen. Discussie bestaat over de effectiviteit. Het is in beginsel slechts effectief voor de duur dat iemand in detentie zit.

Deze instrumenten dienen dus om het toekomstgerichte doel te bereiken: algemene preventie. Men dient te onthouden dat preventie iets anders inhoudt dan afschrikking. Afschrikking dient om preventie te bereiken.

Kritiek op benadering: is alles geoorloofd om dit doel te bereiken? Een lange gevangenisstraf voor een gering delict schrikt iemand wel, maar is dit proportioneel?

Bentham en Beccaria utilitaristen.

Bentham stelt dat criminaliteit leed veroorzaakt en het totale geluk in de samenleving verminderd. Een methode om dit te voorkomen is straffen. Uit straf moet blijken dat het plezierige effect van een strafbaar feit niet opweegt tegenover het leed van de straf, oftewel afschrikking. Hij merkt op dat straf nooit meer mag zijn dan wat nodig is om de beoogde utiliteit (nut) te dienen. Indirect zegt hij dat als een straf geen nut heeft het niet noodzakelijk is om te allen tijde een straf op te leggen.
Kritiekpunt op Bentham is dat zijn theorie niet uitsluit om onschuldige te straffen indien dit toekomstig nut heeft.

Beccaria
- stelt dat mens in essentie egocentrisch is en dat zonder maatschappelijk contract er een toestand bestaat van chaos en oorlog. De samenleving heeft het contract afgesloten om in vrijheid te kunnen leven en te genieten van de vrijheid die dan voor eenieder ontstaat. Om mensen aan het contract te houden bestaan er straffen, die de mens moet afschrikken om van het contract af te wijken. Beccaria vindt net als Bentham dat een straf nooit zwaarder mag zijn dan nodig is om algemeen nut te bereiken. Onschuldige straffen? Het contract is ooit opgesteld voor het individu en niet voor de utiliteit. De vrijheid die een onschuldige heeft opgeofferd voor het contract, biedt de overheid niet de macht om diegene te straffen ten behoeve van het algemeen nut.

|Verenigingstheorieën
Zowel elementen van retributivistische als utilistische benadering.
Twee vormen:

-1 Utilisme met het negatief retributivistische principe: alleen schuldigen worden gestraft in evenredigheid met de ernst van het feit en de schuld van de dader.

-2 Retributivisme wordt afgezwakt met utilistische overwegingen. Het uitdelen van straffen aan misdadigers tot de bovengrens van het negatieve principe is niet langer een plicht. Daarnaast wordt toegestaan dat er minder of niet gestraft wordt. Deze vorm is de dominante benadering in NL.

Pompe verdedigde deze tweede vorm. Vergelding vormt volgens Pompe de rechtvaardiging van straffen, maar het algemeen welzijn speelt wel degelijk een belangrijke rol. De straf dient wel gericht te zijn op dat algemeen welzijn.

Herstelrecht
In het herstelrecht wordt niet gesproken van straffen, maar van interventie (ingrijpen). De rechtvaardiging voor een interventie bestaat uit de geleden schade. Criminaliteit wordt beschouwd als sociaal conflict tussen pleger en slachtoffer. Het is de taak van de overheid om hier op de achtergrond als bemiddelaar bij te acteren in tegenstelling tot de actieve houding in het huidige strafrechtssysteem. De kritiek op deze benadering is dat het van een geheel andere orde is dan het huidige systeem. Ten eerste is het huidige strafrechtssysteem non-reparatoir. Ten tweede wordt de te herstellen schade subjectief vastgesteld door het slachtoffer en ten derde de evenredigheid tussen enerzijds de ernst van het strafbare feit en de schuld en anderzijds de interventie.

A

Morele theorieën
In morele theorieën over straf zijn twee lagen. De eerste laag betreft de algemene rechtvaardiging van de praktijk van het straffen, daarin wordt antwoord gegeven op de vraag waarom de praktijk van het straffen goed en gerechtvaardigd zou zijn. De tweede laag betreft, in samenhang met de eerste laag, doorgaans antwoorden op de vraag wie in aanmerking komen voor straf en op welke wijze gestraft behoort te worden.
De twee bekendste en meest invloedrijke benaderingen van zin en doelen van straf zijn retributivisme (absolute theorieën) en utilitarisme (relatieve theorieën).

1 Retributivisme – absolute theorie of vergeldingstheorieën
De algemene rechtvaardiging voor de praktijk van het straffen ligt doorgaans in een (morele) balans die verstoord is door een misdrijf. Het uitdelen van straf is in zichzelf rechtvaardig, verdiend en moreel goed, omdat daarmee de verstoorde balans hersteld wordt. Straf heeft inherente morele waarde als reactie op de criminaliteit die geen rechtvaardiging nodig heeft in termen van toekomstige nut.
Gemeenschappelijk aan de verschillende versies van retributivisme is dat het straffen van plegers van intrinsiek goed is.

Onderscheid tussen
- Negatief retributivisme
Alleen schuldigen mogen gestraft worden + proportionaliteit. Deze categorie is niet volledig, want er wordt geen algemene rechtvaardiging gegeven waarom een straf toegestaan is. Onschuldigen mogen niet gestraft worden om daders af te schrikken.

  • Positief retributivisme
    Stelt dat een morele noodzaak is om te straffen en wel op het maximum van wat het negatieve principe toelaat.
    Herstellen van de balans. Een misdadiger die een delict pleegt verstoort de balans in de samenleving en door het uitdelen van een straf wordt die balans min of meer hersteld. Straf is dus alleen op verleden gericht.

Andere benadering is de balans tussen baten en lasten in de samenleving. De maatschappij heeft een soort contract: om van baten te kunnen genieten moeten bepaalde neigingen onderdrukt worden. Indien iemand dit niet kan (strafbaar feit), geniet hij oneigenlijk voordeel wat moet worden ontnomen.

2 Utilitarisme – relatieve theorie (toekomstgericht)
De algemene rechtvaardiging voor de praktijk van straffen wordt gevonden in het veronderstelde nut ervan voor de toekomst. Deze utiliteit rechtvaardigt het leed dat aan individuele daders wordt toegevoegd door middel van straf. Utilitaristische theorieën worden dan ook consequentialistische of instrumentalistische theorieën genoemd.

  • Straf moet ten goede komen aan het algemeen nut; het vergroten van het algemeen welzijn. Nut moet vooral zien op de toekomst: reductie (afname) en preventie van criminaliteit.

Om deze reductie en preventie te bereiken zijn er verschillende elementen beschikbaar:
Ten eerste de individuele en algemene afschrikking

Ten tweede rehabilitatie (herstel)/ resocialisatie (herintegratie). Dit element ziet op het beïnvloeden van de persoonlijkheid van een pleger van een delict of van diens positie in de samenleving, zodat hij in de toekomst zal afzien van criminele handelingen.

Ten derde de incapacitatie (dader kan geen nieuwe misdaden begaan). Dit gaat over de opsluiting van een persoon, waardoor zijn bewegingsvrijheid wordt ontnomen. Discussie bestaat over de effectiviteit. Het is in beginsel slechts effectief voor de duur dat iemand in detentie zit.

Deze instrumenten dienen dus om het toekomstgerichte doel te bereiken: algemene preventie. Men dient te onthouden dat preventie iets anders inhoudt dan afschrikking. Afschrikking dient om preventie te bereiken.

Kritiek op benadering: is alles geoorloofd om dit doel te bereiken? Een lange gevangenisstraf voor een gering delict schrikt iemand wel, maar is dit proportioneel?

Bentham en Beccaria utilitaristen.

Bentham stelt dat criminaliteit leed veroorzaakt en het totale geluk in de samenleving verminderd. Een methode om dit te voorkomen is straffen. Uit straf moet blijken dat het plezierige effect van een strafbaar feit niet opweegt tegenover het leed van de straf, oftewel afschrikking. Hij merkt op dat straf nooit meer mag zijn dan wat nodig is om de beoogde utiliteit (nut) te dienen. Indirect zegt hij dat als een straf geen nut heeft het niet noodzakelijk is om te allen tijde een straf op te leggen.
Kritiekpunt op Bentham is dat zijn theorie niet uitsluit om onschuldige te straffen indien dit toekomstig nut heeft.

Beccaria
- stelt dat mens in essentie egocentrisch is en dat zonder maatschappelijk contract er een toestand bestaat van chaos en oorlog. De samenleving heeft het contract afgesloten om in vrijheid te kunnen leven en te genieten van de vrijheid die dan voor eenieder ontstaat. Om mensen aan het contract te houden bestaan er straffen, die de mens moet afschrikken om van het contract af te wijken. Beccaria vindt net als Bentham dat een straf nooit zwaarder mag zijn dan nodig is om algemeen nut te bereiken. Onschuldige straffen? Het contract is ooit opgesteld voor het individu en niet voor de utiliteit. De vrijheid die een onschuldige heeft opgeofferd voor het contract, biedt de overheid niet de macht om diegene te straffen ten behoeve van het algemeen nut.

|Verenigingstheorieën
Zowel elementen van retributivistische als utilistische benadering.
Twee vormen:

-1 Utilisme met het negatief retributivistische principe: alleen schuldigen worden gestraft in evenredigheid met de ernst van het feit en de schuld van de dader.

-2 Retributivisme wordt afgezwakt met utilistische overwegingen. Het uitdelen van straffen aan misdadigers tot de bovengrens van het negatieve principe is niet langer een plicht. Daarnaast wordt toegestaan dat er minder of niet gestraft wordt. Deze vorm is de dominante benadering in NL.

Pompe verdedigde deze tweede vorm. Vergelding vormt volgens Pompe de rechtvaardiging van straffen, maar het algemeen welzijn speelt wel degelijk een belangrijke rol. De straf dient wel gericht te zijn op dat algemeen welzijn.

Herstelrecht
In het herstelrecht wordt niet gesproken van straffen, maar van interventie (ingrijpen). De rechtvaardiging voor een interventie bestaat uit de geleden schade. Criminaliteit wordt beschouwd als sociaal conflict tussen pleger en slachtoffer. Het is de taak van de overheid om hier op de achtergrond als bemiddelaar bij te acteren in tegenstelling tot de actieve houding in het huidige strafrechtssysteem. De kritiek op deze benadering is dat het van een geheel andere orde is dan het huidige systeem. Ten eerste is het huidige strafrechtssysteem non-reparatoir. Ten tweede wordt de te herstellen schade subjectief vastgesteld door het slachtoffer en ten derde de evenredigheid tussen enerzijds de ernst van het strafbare feit en de schuld en anderzijds de interventie.

26
Q

HR Melk en Water

Relevante feiten: Een veehouder heeft in Amsterdam melk verkocht onder de naam ‘volle melk’. Deze melk was echter aangelengd met water. Dit wordt op grond van art. 303a en 344 van de Algemene Politie Verordening van Amsterdam strafbaar gesteld. De vraag die centraal staat is of de veehouder strafbaar was of juist zijn knecht, die daadwerkelijk de melk afleverde. In casu wordt de veehouder verdacht van het doen afleveren van de aangelengde melk.

De Hoge Raad oordeelt dat het tegen het rechtsgevoel en ook tegen het beginsel van ‘geen straf zonder schuld’ ingaat, om iemand bij geheel gemis van schuld toch strafbaar te stellen, omdat de omschrijving van het strafbare feit niet uitdrukkelijk vermeldt dat schuld aanwezig moet zijn.

Hoewel de omschrijving van de overtreding van art. 303, tweede lid sub a van de Algemene Politie Verordening van Amsterdam geen schuldbestanddeel bevat, heeft de Hoge Raad daarom toch beslist dat Jan Doorn zonder enige schuld heeft gehandeld, dat hij een willoos werktuig was en dat de veehouder derhalve het ten laste gelegde in de zin van art. 47 Sr heeft doen plegen.
De Hoge Raad vernietigt het vonnis, maar alleen ten aanzien van de kwalificatie.

Rechtsregel: Als schuld niet in de delictsomschrijving staat vermeld, geldt het desniettemin als ongeschreven voorwaarde (=element) voor strafbaarheid.

Nadere toelichting:
Van oudsher gold voor de overtredingen dat geen onderzoek hoeft te worden gedaan naar opzet of schuld, tenzij een schuldvorm zou zijn opgenomen in de delictsomschrijving (komt zelden voor). Dit is gebaseerd op de leer van het materiële feit (‘ fait materiel’): het ging puur en alleen om het vervullen van de wettelijke delictsomschrijving. Wél gelden de wettelijke strafuitsluitingsgronden.

De Hoge Raad heeft hier in het Melk en water arrest een fundamentele verandering in gebracht. Men kan zeggen dat vanaf dit moment de leer van het materiële feit werd verlaten. De Hoge Raad introduceerde de buitenwettelijke schulduitsluitingsgrond ‘afwezigheid van alle schuld’ (avas) voor het geval dat schuld niet in de delictsomschrijving voorkomt en er geen wettelijke schulduitsluitingsgrond van toepassing is. Hiermee is de verwijtbaarheid een ongeschreven voorwaarde geworden voor strafbaarheid (aangeduid met de term ‘element’). Dit oordeel is gebaseerd op het beginsel geen straf zonder schuld.

A

HR Melk en Water

Leer van het materiële feit verlaten en element verwijtbaarheid kwam.

Hoge Raad oordeelt dat het tegen het rechtsgevoel en ook tegen het beginsel van ‘geen straf zonder schuld’ ingaat, om iemand bij geheel gemis van schuld toch strafbaar te stellen, omdat de omschrijving van het strafbare feit niet uitdrukkelijk vermeldt dat schuld aanwezig moet zijn.

Rechtsregel: Als schuld niet in de delictsomschrijving staat vermeld, geldt het desniettemin als ongeschreven voorwaarde (=element) voor strafbaarheid.

Nadere toelichting:
Van oudsher gold voor de overtredingen dat geen onderzoek hoeft te worden gedaan naar opzet of schuld, tenzij een schuldvorm zou zijn opgenomen in de delictsomschrijving (komt zelden voor). Dit is gebaseerd op de leer van het materiële feit (‘ fait materiel’): het ging puur en alleen om het vervullen van de wettelijke delictsomschrijving. Wél gelden de wettelijke strafuitsluitingsgronden.

De Hoge Raad heeft hier in het Melk en water arrest een fundamentele verandering in gebracht. Men kan zeggen dat vanaf dit moment de leer van het materiële feit werd verlaten. De Hoge Raad introduceerde de buitenwettelijke schulduitsluitingsgrond ‘afwezigheid van alle schuld’ (avas) voor het geval dat schuld niet in de delictsomschrijving voorkomt en er geen wettelijke schulduitsluitingsgrond van toepassing is. Hiermee is de verwijtbaarheid een ongeschreven voorwaarde geworden voor strafbaarheid (aangeduid met de term ‘element’). Dit oordeel is gebaseerd op het beginsel geen straf zonder schuld.

27
Q

HR Huizense Veearts
(wederrechtelijkheid als element geïntroduceerd)

De verdachte (een veearts) heeft zeven koeien, die niet leden aan mond- en klauwzeer, opzettelijk in gevaar gebracht door deze koeien te laten vervoeren naar een stal met koeien, die wel leden aan mond- en klauwzeer. Daarom is de veearts ten laste gelegd dat hij opzettelijk vee “in verdachten toestand” heeft gebracht. De veearts beweerde echter dat hij juist heeft gehandeld in het belang van de algemene gezondheidstoestand van de veestapel.

Hoge Raad: De veearts kan in casu niet worden gestraft op grond van art. 82 Veewet, omdat de onrechtmatigheid van zijn gedraging ontbreekt. Deze onrechtmatigheid is echter niet gebaseerd op een wettelijke strafuitsluitingsgrond. Met dit oordeel wijkt de Hoge Raad af van de leer van het materiële feit. Blijkbaar is het niet meer zo dat “iemand, die een met straf bedreigde handeling verricht, in elk geval strafbaar is, wanneer niet de wet zelf met zoovele woorden een strafuitsluitingsgrond aanwijst.” Een gedraging kan dus ook als niet wederrechtelijk worden aangemerkt, als dit gebaseerd is op een ongeschreven norm.

Rechtsregel: Indien de wederrechtelijkheid niet in de wet staat vermeld, zal dit nog steeds gelden als ongeschreven voorwaarde (=element) voor strafbaarheid.

A

HR Huizense Veearts
(wederrechtelijkheid als element geïntroduceerd)

De verdachte (een veearts) heeft zeven koeien, die niet leden aan mond- en klauwzeer, opzettelijk in gevaar gebracht door deze koeien te laten vervoeren naar een stal met koeien, die wel leden aan mond- en klauwzeer. Daarom is de veearts ten laste gelegd dat hij opzettelijk vee “in verdachten toestand” heeft gebracht. De veearts beweerde echter dat hij juist heeft gehandeld in het belang van de algemene gezondheidstoestand van de veestapel.

Hoge Raad: De veearts kan in casu niet worden gestraft op grond van art. 82 Veewet, omdat de onrechtmatigheid van zijn gedraging ontbreekt. Deze onrechtmatigheid is echter niet gebaseerd op een wettelijke strafuitsluitingsgrond. Met dit oordeel wijkt de Hoge Raad af van de leer van het materiële feit. Blijkbaar is het niet meer zo dat “iemand, die een met straf bedreigde handeling verricht, in elk geval strafbaar is, wanneer niet de wet zelf met zoovele woorden een strafuitsluitingsgrond aanwijst.” Een gedraging kan dus ook als niet wederrechtelijk worden aangemerkt, als dit gebaseerd is op een ongeschreven norm.

Rechtsregel: Indien de wederrechtelijkheid niet in de wet staat vermeld, zal dit nog steeds gelden als ongeschreven voorwaarde (=element) voor strafbaarheid.

28
Q

HR Zwarte Ruiter
Relevantie: Dit arrest betreft de vraag in hoeverre een rechter de wijze waarop een straf wordt uitgevoerd, mag betrekken bij de strafbepaling.

Relevante feiten: De verdachte, ook wel de ‘Zwarte Ruiter’ genoemd, heeft meerdere misdrijven gepleegd, waaronder (kort gezegd) poging tot doodslag en diefstal. Bij de verdachte bestond tijdens het begaan van de aan hem ten laste gelegde feiten een ziekelijke storing der geestvermogens en er is vastgesteld dat hij een gevaar voor de samenleving vormde. Dit bracht de rechtbank tot het oordeel om tot 15 jaar gevangenisstraf op te leggen én tbs. De rechtbank heeft, ondanks de verminderde toerekenbaarheid, ervoor gekozen om ook een lange gevangenisstraf op te leggen door zijn gebrek aan vertrouwen in de beveiligende werking van de tbs-maatregel.

Rechtsvraag: Mocht de rechtbank de omstandigheden dat zij onvoldoende vertrouwen had in de beveiligende werking van de tbs-maatregel en dat met stelligheid kon worden verwacht dat de verdachte elke kans om te vluchten zou benutten, in aanmerking nemen bij haar strafbepaling?

Hoge Raad: Gezien de feiten die de verdachte heeft gepleegd, kon met stelligheid worden verwacht dat hij elke kans om zich aan zijn vrijheidsbeneming te onttrekken zou benutten. Daarbij zegt de rechtbank weinig vertrouwen te hebben in de beveiligende werking van de tbs-maatregel. De Hoge Raad overweegt dat de rechtbank terecht deze omstandigheden in aanmerking heeft genomen bij het bepalen van de straf – het houdt volgens de Hoge Raad namelijk geen beoordeling in van de daadwerkelijke uitvoering van de straf.

Noot: De annotator benoemt twee redenen waarom hij de motivering van de strafoplegging opmerkelijk vindt.
1) Men kan zich afvragen of voldoende rekening is gehouden met het schuldkarakter van ons strafrecht, gegeven de verminderde toerekenbaarheid van de verdachte.
Er is immers naast tbs, ook een lange gevangenisstraf opgelegd. Dit betekent dat ‘straf naar mate van schuld’ niet als beginsel wordt gehanteerd en dat blijkbaar de ernst van het feit ook betrokken moet worden. Dit is geoorloofd, gezien het feit dat ons strafrecht geen rechtsregel kent die verbiedt dat een straf wordt opgelegd die zwaarder is dan de schuld.

2) Ten tweede handelt de rechtbank in strijd met de wet door uit te spreken dat hij weinig vertrouwen heeft in de beveiligende werking van de tbs-maatregel en dat om die reden ook een gevangenisstraf wordt opgelegd. De wetgever heeft het juist zo bedoeld dat tbs een middel is ter beveiliging der maatschappij tegen psychisch gestoorde delinquenten. Door gevangenisstraf op te leggen in combinatie met tbs in plaats van alleen tbs, begeeft de rechter zich op het gebied van de uitvoerende macht.
Aanvulling boek: De Hoge Raad heeft een lange gevangenisstraf (15 jaar) én tbs opgelegd. Sinds dit arrest is deze variant van de op te leggen sanctie bij verminderde toerekenbaarheid geaccepteerd en heeft de Hoge Raad hierbij uitdrukkelijk gesteld dat er geen rechtsregel bestaat die zulks verbiedt. De rechter heeft geoordeeld naast tbs ook een lange gevangenisstraf op te leggen, omdat hij geen vertrouwen had in de beveiligende werking van de tbs-maatregel.

A

HR Zwarte Ruiter
Relevantie: Dit arrest betreft de vraag in hoeverre een rechter de wijze waarop een straf wordt uitgevoerd, mag betrekken bij de strafbepaling.

Relevante feiten: De verdachte, ook wel de ‘Zwarte Ruiter’ genoemd, heeft meerdere misdrijven gepleegd, waaronder (kort gezegd) poging tot doodslag en diefstal. Bij de verdachte bestond tijdens het begaan van de aan hem ten laste gelegde feiten een ziekelijke storing der geestvermogens en er is vastgesteld dat hij een gevaar voor de samenleving vormde. Dit bracht de rechtbank tot het oordeel om tot 15 jaar gevangenisstraf op te leggen én tbs. De rechtbank heeft, ondanks de verminderde toerekenbaarheid, ervoor gekozen om ook een lange gevangenisstraf op te leggen door zijn gebrek aan vertrouwen in de beveiligende werking van de tbs-maatregel.

Rechtsvraag: Mocht de rechtbank de omstandigheden dat zij onvoldoende vertrouwen had in de beveiligende werking van de tbs-maatregel en dat met stelligheid kon worden verwacht dat de verdachte elke kans om te vluchten zou benutten, in aanmerking nemen bij haar strafbepaling?

Hoge Raad: Gezien de feiten die de verdachte heeft gepleegd, kon met stelligheid worden verwacht dat hij elke kans om zich aan zijn vrijheidsbeneming te onttrekken zou benutten. Daarbij zegt de rechtbank weinig vertrouwen te hebben in de beveiligende werking van de tbs-maatregel. De Hoge Raad overweegt dat de rechtbank terecht deze omstandigheden in aanmerking heeft genomen bij het bepalen van de straf – het houdt volgens de Hoge Raad namelijk geen beoordeling in van de daadwerkelijke uitvoering van de straf.

Noot: De annotator benoemt twee redenen waarom hij de motivering van de strafoplegging opmerkelijk vindt.
1) Men kan zich afvragen of voldoende rekening is gehouden met het schuldkarakter van ons strafrecht, gegeven de verminderde toerekenbaarheid van de verdachte.
Er is immers naast tbs, ook een lange gevangenisstraf opgelegd. Dit betekent dat ‘straf naar mate van schuld’ niet als beginsel wordt gehanteerd en dat blijkbaar de ernst van het feit ook betrokken moet worden. Dit is geoorloofd, gezien het feit dat ons strafrecht geen rechtsregel kent die verbiedt dat een straf wordt opgelegd die zwaarder is dan de schuld.

2) Ten tweede handelt de rechtbank in strijd met de wet door uit te spreken dat hij weinig vertrouwen heeft in de beveiligende werking van de tbs-maatregel en dat om die reden ook een gevangenisstraf wordt opgelegd. De wetgever heeft het juist zo bedoeld dat tbs een middel is ter beveiliging der maatschappij tegen psychisch gestoorde delinquenten. Door gevangenisstraf op te leggen in combinatie met tbs in plaats van alleen tbs, begeeft de rechter zich op het gebied van de uitvoerende macht.
Aanvulling boek: De Hoge Raad heeft een lange gevangenisstraf (15 jaar) én tbs opgelegd. Sinds dit arrest is deze variant van de op te leggen sanctie bij verminderde toerekenbaarheid geaccepteerd en heeft de Hoge Raad hierbij uitdrukkelijk gesteld dat er geen rechtsregel bestaat die zulks verbiedt. De rechter heeft geoordeeld naast tbs ook een lange gevangenisstraf op te leggen, omdat hij geen vertrouwen had in de beveiligende werking van de tbs-maatregel.

29
Q

HR Laadbak
gaat over daderschap

In Amsterdam is het verboden om in het weekend een laadbak op of aan de weg te hebben. De verhuurder wordt er in casu van verdacht art. 28A van de Afvalstoffenverordening te hebben geschonden, omdat zijn laadbak zich op de openbare weg bevond. De huurder heeft echter de laadbak daar neergezet, wat ons tot de vraag brengt wie de laadbak in casu ‘heeft’ en wie de verbodsbepaling heeft geschonden.

Rechtsvraag: Wie is in de verbodsbepaling van art. 28A van de Afvalstoffenverordening normadressaat? De huurder die de laadbak in gebruik heeft, of (ook) het containerbedrijf die de laadbak heeft verhuurd?

Hoge Raad: Uitleg van de verbodsbepaling brengt mee dat degene die de laadbak ‘heeft’ alleen kan worden aangemerkt als degene aan wie de zeggenschap toekomt omtrent het op een bepaalde plaats aanwezig zijn van de laadbak. In beginsel komt deze zeggenschap toe aan de eigenaar. Dit is slechts anders wanneer op grond van een met betrekking tot de laadbak bestaande rechtsverhouding anders moet worden geoordeeld (r.o. 5.2.2.). “De rechtsverhouding van verhuur en huur brengt ingevolge art. 7A:1584 BW mee dat de verhuurder zich heeft verbonden om de huurder het genot van de verhuurde zaak te doen hebben, gedurende een bepaalde tijd. Dit brengt in beginsel mee dat het, gedurende die tijd, niet de verhuurder maar de huurder is aan wie de zeggenschap toekomt als onder 5.2.2 bedoeld.” (r.o. 5.3)

A

HR Laadbak
gaat over daderschap

In Amsterdam is het verboden om in het weekend een laadbak op of aan de weg te hebben. De verhuurder wordt er in casu van verdacht art. 28A van de Afvalstoffenverordening te hebben geschonden, omdat zijn laadbak zich op de openbare weg bevond. De huurder heeft echter de laadbak daar neergezet, wat ons tot de vraag brengt wie de laadbak in casu ‘heeft’ en wie de verbodsbepaling heeft geschonden.

Rechtsvraag: Wie is in de verbodsbepaling van art. 28A van de Afvalstoffenverordening normadressaat? De huurder die de laadbak in gebruik heeft, of (ook) het containerbedrijf die de laadbak heeft verhuurd?

Hoge Raad: Uitleg van de verbodsbepaling brengt mee dat degene die de laadbak ‘heeft’ alleen kan worden aangemerkt als degene aan wie de zeggenschap toekomt omtrent het op een bepaalde plaats aanwezig zijn van de laadbak. In beginsel komt deze zeggenschap toe aan de eigenaar. Dit is slechts anders wanneer op grond van een met betrekking tot de laadbak bestaande rechtsverhouding anders moet worden geoordeeld (r.o. 5.2.2.). “De rechtsverhouding van verhuur en huur brengt ingevolge art. 7A:1584 BW mee dat de verhuurder zich heeft verbonden om de huurder het genot van de verhuurde zaak te doen hebben, gedurende een bepaalde tijd. Dit brengt in beginsel mee dat het, gedurende die tijd, niet de verhuurder maar de huurder is aan wie de zeggenschap toekomt als onder 5.2.2 bedoeld.” (r.o. 5.3)

30
Q

HR Taxibus
Relevantie: Dit arrest is een voorbeeld van een geval waarbij de verdachte zich zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen en voor zijn nalatigheid wordt gestraft.

Relevante feiten: Verdachte heeft zich zeer onvoorzichtig en onoplettend gedragen door met zijn bus een fietsersoversteekplaats op te rijden zonder eerst te hebben geverifieerd of een met de fiets overstekend kind al volledig was overgestoken. Hierdoor is hij over het kind die voor zijn bus was gevallen gereden. De verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor twee jaar.

Rechtsvraag: Heeft verdachte gelet op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, zeer onvoorzichtig en onoplettend gehandeld?

Beoordeling door de Hoge Raad: De Hoge Raad gaat mee met het oordeel van het hof dat schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994 uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Gelet op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, is vastgesteld dat de verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld. Hij had zich af moeten vragen of hij kon doorrijden zonder gevaar. Hierbij had hij niet mogen afgaan op een gebaar van de moeder van het kind (r.o. 3.5 en 3.6).

Ten aanzien van de strafoplegging neemt het hof mee in zijn overweging dat de verdachte niet de indruk geeft in te zien dat hem een grote fout te verwijten valt (r.o. 4.2). Dit acht de Hoge Raad, gezien het gebrek aan motivering, onbegrijpelijk. Daarbij is tot het bewijs gebezigd de verklaring van de verdachte waarin hij erkent dat hij zich zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen en dat hij de fietsersoversteekplaats is opgereden zonder zich er voldoende van te vergewissen waar het slachtoffer zich bevond (r.o. 4.3). De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging (r.o. 6).

A

HR Taxibus
Relevantie: Dit arrest is een voorbeeld van een geval waarbij de verdachte zich zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen en voor zijn nalatigheid wordt gestraft.

Relevante feiten: Verdachte heeft zich zeer onvoorzichtig en onoplettend gedragen door met zijn bus een fietsersoversteekplaats op te rijden zonder eerst te hebben geverifieerd of een met de fiets overstekend kind al volledig was overgestoken. Hierdoor is hij over het kind die voor zijn bus was gevallen gereden. De verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor twee jaar.

Rechtsvraag: Heeft verdachte gelet op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, zeer onvoorzichtig en onoplettend gehandeld?

Beoordeling door de Hoge Raad: De Hoge Raad gaat mee met het oordeel van het hof dat schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994 uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Gelet op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, is vastgesteld dat de verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld. Hij had zich af moeten vragen of hij kon doorrijden zonder gevaar. Hierbij had hij niet mogen afgaan op een gebaar van de moeder van het kind (r.o. 3.5 en 3.6).

Ten aanzien van de strafoplegging neemt het hof mee in zijn overweging dat de verdachte niet de indruk geeft in te zien dat hem een grote fout te verwijten valt (r.o. 4.2). Dit acht de Hoge Raad, gezien het gebrek aan motivering, onbegrijpelijk. Daarbij is tot het bewijs gebezigd de verklaring van de verdachte waarin hij erkent dat hij zich zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen en dat hij de fietsersoversteekplaats is opgereden zonder zich er voldoende van te vergewissen waar het slachtoffer zich bevond (r.o. 4.3). De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging (r.o. 6).

31
Q

Woord mishandeling, in mis zit wederrechtelijk in en handeling suggereert opzet.

A

Woord mishandeling, in mis zit wederrechtelijk in en handeling suggereert opzet.

32
Q

Retributivistische rechter:
(1) In beginsel zal een retributivistische rechter overgaan tot vergelding. Zij die schuldig zijn, mogen (negatief) of moeten zelfs (positief) worden gestraft. Proportionaliteit speelt een grote rol: een verdachte die schuldig is bevonden mag, in tegenstelling tot wat men vanuit instrumenteel oogpunt zou (kunnen) willen, niet zwaarder gestraft worden dan evenredig aan zijn schuld en de ernst van het delict.
(1) Door de vergelding dient een disbalans die is gelegen in de ontkenning van het recht te worden hersteld. In casu is dit de schending van art. 294 lid 2 Sr.
(1) Arne bekent een delict te hebben gepleegd waarbij de proportionele vergelding kennelijk staat vastgesteld op max. twee maanden onvw. gs. De ontkenning van het recht is reden om over te gaan tot een proportionele vergelding. Een retributivistische rechter zal een gevangenisstraf van twee maanden nastreven.

Utilitaristische rechter:
(1) In beginsel zal een utilitaristische rechter een straf opleggen als dit nut heeft voor de toekomst. Het nut dat met straf wordt bereikt, rechtvaardigt het leed dat aan individuele daders wordt toegevoegd.
(1) Dit toekomstig nut is o.a. gelegen in de preventie van criminaliteit. Personen die in de verleiding zijn om een misdrijf te begaan, kunnen het idee verlaten uit angst voor straf die zij opgelegd zien aan anderen die het misdrijf begaan hebben.
(1) Vanuit een afschrikkingsbenadering gericht op algemene preventie is een zware en exemplarische straf het meest geëigend. Dit betekent dat de utilitaristische rechter in de zaak van Arne de maximumstraf (van drie jaren) gevangenisstraf van art. 294 lid 2 Sr nastreeft.

Verenigingsdenkende rechter:
(1) In verenigingstheorieën worden elementen uit retributivisme en utilitarisme onttrokken en gecombineerd.
(1) In de Nederlandse verenigingstheorie vormt [proportionele] vergelding het wezen van de straf. Beneden de (boven)grens gesteld door vergelding, zijn het echter utilitaire overwegingen die de keuze voor soort en zwaarte van straf leiden.
(1) Hoewel retributie de algemene rechtvaardiging vormt, is het uitdelen van straf aan plegers van delicten tot de bovengrens van het negatieve principe niet langer een (morele) plicht. Utilitaire overwegingen staan toe dat er minder gestraft wordt en zelfs dat er, waar dat opportuun geacht wordt, van straf afgezien mag worden.
(1) In de zaak van Arne streeft de Nederlands verenigingsdenker een gevangenisstraf van max. 2 maanden na (retributivistisch element), eventueel te verlagen (utilitaristisch element), omdat het proportionele vergeldingsplafond nog altijd max. twee maanden betreft, en het feitencomplex op utilitaristische gronden ertoe kan leiden dat lager dan twee maanden of zelfs niet wordt gestraft.

Veelgemaakte fouten

  • De verschillende theorieën worden besproken, maar deze worden vervolgens niet toegepast. Met andere woorden, de theorie wordt niet gekoppeld aan de ‘beoogde gevangenisstraf’.
  • De maximale gevangenisstraf voor ‘hulp bij zelfdoding ex artikel 294 lid 2 Sr’ is drie jaar. Een gevangenisstraf van twee maanden onvoorwaardelijk is de straf die in vergelijkbare zaken is opgelegd, niet de maximale straf.
  • Een retributivist zal niet streven naar de maximale straf van drie jaar, maar zoekt proportionele vergelding: in casu twee maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
  • Een kenmerk van de verenigingstheorie is dat straffen niet langer een plicht is.
  • Er wordt genoemd dat de verenigingstheorie elementen bevat van het retributivisme en het utilitarisme, maar hoe deze elementen zich tot elkaar verhouden blijft vaak onbesproken.
A

Retributivistische rechter:
(1) In beginsel zal een retributivistische rechter overgaan tot vergelding. Zij die schuldig zijn, mogen (negatief) of moeten zelfs (positief) worden gestraft. Proportionaliteit speelt een grote rol: een verdachte die schuldig is bevonden mag, in tegenstelling tot wat men vanuit instrumenteel oogpunt zou (kunnen) willen, niet zwaarder gestraft worden dan evenredig aan zijn schuld en de ernst van het delict.
(1) Door de vergelding dient een disbalans die is gelegen in de ontkenning van het recht te worden hersteld. In casu is dit de schending van art. 294 lid 2 Sr.
(1) Arne bekent een delict te hebben gepleegd waarbij de proportionele vergelding kennelijk staat vastgesteld op max. twee maanden onvw. gs. De ontkenning van het recht is reden om over te gaan tot een proportionele vergelding. Een retributivistische rechter zal een gevangenisstraf van twee maanden nastreven.

Utilitaristische rechter:
(1) In beginsel zal een utilitaristische rechter een straf opleggen als dit nut heeft voor de toekomst. Het nut dat met straf wordt bereikt, rechtvaardigt het leed dat aan individuele daders wordt toegevoegd.
(1) Dit toekomstig nut is o.a. gelegen in de preventie van criminaliteit. Personen die in de verleiding zijn om een misdrijf te begaan, kunnen het idee verlaten uit angst voor straf die zij opgelegd zien aan anderen die het misdrijf begaan hebben.
(1) Vanuit een afschrikkingsbenadering gericht op algemene preventie is een zware en exemplarische straf het meest geëigend. Dit betekent dat de utilitaristische rechter in de zaak van Arne de maximumstraf (van drie jaren) gevangenisstraf van art. 294 lid 2 Sr nastreeft.

Verenigingsdenkende rechter:
(1) In verenigingstheorieën worden elementen uit retributivisme en utilitarisme onttrokken en gecombineerd.
(1) In de Nederlandse verenigingstheorie vormt [proportionele] vergelding het wezen van de straf. Beneden de (boven)grens gesteld door vergelding, zijn het echter utilitaire overwegingen die de keuze voor soort en zwaarte van straf leiden.
(1) Hoewel retributie de algemene rechtvaardiging vormt, is het uitdelen van straf aan plegers van delicten tot de bovengrens van het negatieve principe niet langer een (morele) plicht. Utilitaire overwegingen staan toe dat er minder gestraft wordt en zelfs dat er, waar dat opportuun geacht wordt, van straf afgezien mag worden.
(1) In de zaak van Arne streeft de Nederlands verenigingsdenker een gevangenisstraf van max. 2 maanden na (retributivistisch element), eventueel te verlagen (utilitaristisch element), omdat het proportionele vergeldingsplafond nog altijd max. twee maanden betreft, en het feitencomplex op utilitaristische gronden ertoe kan leiden dat lager dan twee maanden of zelfs niet wordt gestraft.

Veelgemaakte fouten

  • De verschillende theorieën worden besproken, maar deze worden vervolgens niet toegepast. Met andere woorden, de theorie wordt niet gekoppeld aan de ‘beoogde gevangenisstraf’.
  • De maximale gevangenisstraf voor ‘hulp bij zelfdoding ex artikel 294 lid 2 Sr’ is drie jaar. Een gevangenisstraf van twee maanden onvoorwaardelijk is de straf die in vergelijkbare zaken is opgelegd, niet de maximale straf.
  • Een retributivist zal niet streven naar de maximale straf van drie jaar, maar zoekt proportionele vergelding: in casu twee maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
  • Een kenmerk van de verenigingstheorie is dat straffen niet langer een plicht is.
  • Er wordt genoemd dat de verenigingstheorie elementen bevat van het retributivisme en het utilitarisme, maar hoe deze elementen zich tot elkaar verhouden blijft vaak onbesproken.