Thema 1: H2 Flashcards

1
Q

Wat is het bijstander effect?

A

Getuige zijn van een nare situatie die iemand anders betreft en geen hulp bieden.

vb moord op Kitty Govenese waarbij de mensen die het hoorden of zagen niets deden en geen hulp boden zoals bv de politie bellen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat is het fundamentele principe van sociale psychologie?

A

Veel maatschappelijke problemen, zoals de oorzaken van en reacties op geweld, kunnen wetenschappelijk bestudeerd worden.

Resultaten van sommige experimenten lijken soms voor de hand te liggen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wat is hindsight bias?

A

De neiging van mensen om hun vermogen om een uitkomst te voorspellen te OVERschatten, NAdat ze te weten zijn gekomen hoe die uitkomst eruit ziet

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat is spreiding van verantwoordelijkheid?

A

Hoe meer mensen getuige zijn van een noodsituatie, hoe kleiner de kans dat een individu zal ingrijpen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Benoem 3 methoden binnen de sociale psychologie om sociaal gedrag te bestuderen

A
  1. Observationeel - beschrijven - wat is de aard van het fenomeen?
  2. Correlationeel - voorspellen - als we x kennen, kunnen we dan y voorspellen?
  3. Experimenteel - causaliteit - is variabele x de oorzaak van variabele y?
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Benoem 4 kenmerken van de observationele methode: beschrijven

A
  1. Beschrijving tegen van een bepaalde groep mensen of bepaald type gedrag. Observeren en metingen of observaties over hun gedrag systematisch vastleggen. Vb: etnografie
  2. Etnografie
  3. Operationaliseren van variabelen
  4. Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat is etnografie

A

Groep of cultuur begrijpen dmv observatie van binnenuit. Doel is kennis verzamelen over de rijkdom en complexiteit van een groep door die in zijn natuurlijke omgeving te observeren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat is analyse van archieven?

A
  1. Observationele methode
  2. Archieven van een cultuur onderzoeken
  3. Vb. zelfmoordbriefjes, songteksten, dagboeken, romans, tweets
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Benoem 2 limitaties van de observationele methode

A
  1. Geeft geen inzicht in gedrag. (geen waarom)
  2. Sommige soorten gedrag zijn moeilijk observeerbaar omdat ze zelden voorkomen of alleen in de privé situatie plaatsvinden
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Benoem 3 kenmerken van de correlationele methode: voorspellen

A
  1. Voorspellen + uitleggen gedrag
  2. 2 of meer variabelen systematisch meten + relatie tussen de variabelen vastleggen
  3. Directe observatie of vragenlijsten
  4. Zegt alleen iets over de SAMENHANG tussen 2 variabelen, niets over causatie!
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Beschrijf voor- en nadelen van vragenlijsten onderzoek

A

Doel: gedrag en attitudes beter begrijpen

+ Beeldvormen van relatie tussen variabelen die moeilijk observeerbaar zijn. vb frequentie van seks
+ Mogelijkheid tot representatieve steekproef dmv aselecte steekproef. Randomisatie!

  • ’ meer vertellen dan je kunt weten’; onnauwkeurige antwoorden
  • sociaal wenselijke antwoorden
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Welke 3 soorten causale relaties bestaan er?

A
  1. A veroorzaakt B. Door het zien van geweld op tv worden kinderen gewelddadiger
  2. B veroorzaakt A. Kinderen die gewelddadig zijn kijken graag naar geweld op tv
  3. Geen causaal verband. Het kijken naar geweld op tv en gewelddadig gedrag wordt veroorzaakt door een 3e variabelen die niet gemeten is. bv dat kinderen weinig aandacht krijgen van hun ouders
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Noem 4 kenmerken van de experimentele methode: causale vragen beantwoorden

A
  1. Causale relaties vastleggen.
  2. Proefpersonen willekeurig aan verschillende condities toewijzen, controles identiek muv onafhankelijke variabele
  3. Meest gebruikte onderzoeksopzet in sociale psychologie.
  4. Onafhankelijke vs afhankelijke variabele
  5. Interne validiteit en externe validiteit experimenten
  6. Fundamenteel vs toegepast onderzoek
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Onafhankelijke variabele

A

Variabele waarvan men causaal effect verwacht. Wordt gevarieerd om te zien wat het effect is op de voorspelde uitkomst, de afhankelijke variabele

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Afhankelijke variabele

A

De variabele die wordt gemeten om te zien of die wordt beïnvloed door de onafhankelijke variabele.

Hyp: afhankelijke variabele hangt af van de onafhankelijke variabele

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Interne validiteit

A
  1. Mate waarin alle omstandigheden behalve de onafh variabele in een experiemnt gelijk worden gehouden.
  2. Irrelevante variabelen beheersen; randomisatie
17
Q

Wat is quasi-experimenteel onderzoek

A

Geen randomisatie. Bv omdat een groep van proefpersonen over langere tijd gevolgd wrodt en al behoord aan een onderzoeksconditie

18
Q

Overschrijdingskans (p-waarde)

A
  1. Weergeeft de waarschijnlijkheid dat de resultaten van een experiment bij toeval zijn ontstaan en niet het gevolg zijn van de onafhankelijke variabele.
  2. Significant als p<0.05 (5%)
19
Q

Wat is de waarschijnlijkheidswaarde?

A

De kans dat de resultaten het gevolg zijn van toevalsfactoren

20
Q

Wat is externe validiteit?

A

De mate waarin de resultaten van het onderzoek gegeneraliseerd kunnen worden naar andere situaties en andere mensen

21
Q

Wat is psychologisch realisme

A
  1. De mate waarin de psychologische processen die in een experiment op gang worden gebracht overeenkomen met psychologische processen die zich in het dagelijks leven (alledaags realisme) afspelen.
  2. Streven maximaliseren. Vergroot als mensen zich betrokken voelen bij een realistische gebeurtenis waarvoor vaak een coverstory wordt verteld
  3. Generaliseerbaarheid over situaties
22
Q

Wat is een coverstory?

A

Beschrijving van het doel van het onderzoek aan proefpersonen die anders is dan het werkelijke doel

23
Q

Beschrijf generaliseerbaarheid van onderzoeksresultaten over mensen

A

Vergroot door
1. Randomisatie. Internet
2. Fundamentele psychologische processen onderzoeken en dan generaliseren. Maar: culturele verschillen

24
Q

Wat is een veldexperiment?

A
  1. In natuurlijke setting ipv lab.
  2. Hoge externe validiteit
25
Q

Wat is het basis dilemma van de sociaal psycholoog?

A

Het compromis tussen interne en externe validiteit.

  1. Interne: meeste in lab setting
  2. Externe: meeste in veldexperiment.

Onmogelijk om aan beide te voldoen. Oplossing: niet alles in 1 experiment onderzoeken

26
Q

Wat is een replica?

A

Herhaling van het onderzoek met proefpersonen uit een andere populatie of in een andere setting: ultieme test voor externe validiteit. Meta-analyse om onderzoeken te vergelijken

27
Q

Wat is een meta-analyse

A
  1. Statistische techniek waarmee je het gemiddelde van de resultaten van 2 of meer onderzoeken kunt berekenen om te zien of het effect van een onafhankelijke variabele betrouwbaar is.
  2. Geeft p-waarde over het gemiddelde van meerdere onderzoeken
28
Q

Wat is fundamenteel onderzoek?

A
  1. Waarom gedragen mensen zich zoals ze zich gedragen?
  2. Grondbeginselen in kaart brengen
  3. Niet bedoeld om maatschappelijke of psychologische problemen op te lossen
29
Q

Wat is toegepast onderzoek?

A
  1. Oplossen van een specifiek maatschappelijk probleem (vb verminderen racisme, stimuleren OV)
30
Q

Fundamenteel vs toegepast onderzoek in sociale psychologie

A
  1. Vage scheidslijn. Onderliggende psychologische processen begrijpen voordat je maatschappelijk probleem kunt oplossen.
  2. Lewin: Niets is zo praktisch als een goede theorie
31
Q

Wat is crosscultureel onderzoek?

A
  1. Proefpersonen afkomstig uit verschillende culturen, om te zien of de psychologische processen in beide culturen aanwezig zijn, of dat ze specifiek zijn voor de cultuur waarin mensen zijn opgevoed.
  2. Onderzoekers moeten zorgen dat hun variabelen in andere cultuur begrepen wordt en niet eigen visies en definities opleggen aan andere cultuur.
  3. Vb: onderzoek helpen van een slachtoffer. Culturele verschillen in behoren tot een groep –> verschillende interpretatie situaties\
  4. Noodzakelijk om te achterhalen welke invloed cultuur heeft op de fundamentele manieren waarop mensen over anderen denken en met hen omgaan
32
Q

Beschrijf de evolutietheorie

A
  1. Darwin
  2. Verklaring waarom dieren zich aan hun omgeving aanpassen.
  3. Veelgebruikte manier om sociaal gedrag te verklaren.
33
Q

Noem 3 kenmerken van sociale neurowetenschap

A
  1. Relatie tussen biologische processen en sociaal gedrag.
  2. Hersenactiviteit meten dmv EEG en fMRI
34
Q

Beschrijf informed consent

A

Uitgesproken instemming om deel te nemen aan een experiment nadat de proefpersoon van te voren volledig is geïnformeerd over de aard ervan.

Dilemma met sommige experimenten omdat het de proefpersoon dan weet dat het niet echt is. Misleidend experiment

35
Q

Beschrijf misleiding in een experiment

A

Proefpersoon wordt met opzet verkeerd geïnformeerd over het werkelijke doel van het onderzoek of over de gebeurtenissen die zullen plaatsvinden. vb coverstory. Alleen gebruikt als er geen alternatief is

36
Q

Beschrijf debriefing

A

Post-experimenteel interview waarbij het werkelijke doel wordt verteld. Essentieel en verplicht bij misleiding.

37
Q

Hoe wordt de waardigheid en veiligheid van proefpersonen gewaarborgd?

A
  1. WMO
  2. CCMO
38
Q

Benoem 5 ethische principes voor psychologen die onderzoek doen

A

Proefpersoon moet
1. Schrijftelijk geinformeerd over onderzoek worden
2. Voldoende bedenktijd
3. Schrijftelijke toestemming deelname
4. Mag zich ten alle tijde zonder opgaaf van reden terugtrekken
5. Moet verzekerd zijn tegen eventueel door het onderzoek ontstane schade