Thema 7 Flashcards

1
Q

Dynamisch

A

In beweging, er is veel te doen.

Bij dit schilderij van Vincent van Gogh lijkt het of de lucht beweest, dit noem je ook wel een dynamisch schilderij.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Statisch

A

Niet in beweging, er is weinig te doen.

Hier lijkt niets te bewegen, dat noemen we een statisch schilderij.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

De expositieruimte

A

Een ruimte (vaak in een museum) waar je kunt kijken naar een verzameling kunstvoorwerpen.

In de expositieruimte zijn alle schilderijen mooi opgehangen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

De gids

A

Een persoon die informatie geeft aan een groep mensen.

De gids vertelt de bezoekers van het Rijksmuseum van alles over de schilderijen die er hangen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

De rondleiding

A

Een informatieve route. Een rondleiding kan met een gids of met een ingesproken stem vanuit een apparaat.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Statig

A

Deftig.

Dit is een statig huis.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Het pand

A

Het gebouw.

Hier staan verschillende panden naast elkaar.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Het object

A

Het voorwerp, het ding.

In het Rijksmuseum zijn niet alleen schilderijen, maar ook een heleboel objecten zoals: borden, schalen, beelden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

De bijzonderheid

A

Dat wat bijzonder of opvallend is.

Zo’n auto zie je niet zo vaak op straat, dat is echt wel een bijzonderheid.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Beletten

A

Tegenhouden.

De poortjes op het station beletten mensen in de trein te gaan zonder een kaartje te kopen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

De blik verruimen

A

Een ervaring opdoen door iets nieuws te doen.

Een bezoek aan een museum kan je blik verruimen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Als aan de grond genageld staan.

A

Je even niet meer kunnen bewegen van schrik of van verbazing.

Toen de museumdirecteur binnenkwam na de inbraak, stond hij als aan de grond genageld, zò erg was hij geschrokken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Een code breken

A

Erachter komen hoe een code werkt.

Om te kunnen lezen wat hier staat moet je eerst de code breken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Versleutelen

A

Van een gewone tekst een tekst in code maken.

Met deze tekens kun je een tekst versleutelen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Ontcijferen

A

Een tekst in code lezen door er weer gewone tekst van te maken.

Je kunt de tekst in code ontcijferen door de tekens te veranderen in de letters die eronder staan.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Onthullen

A

Een geheim vertellen.

Zij gaat haar geheim onthullen aan haar vriendin.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Verzwijgen

A

Iets niet zeggen, iets geheim houden.

Zij verzwijgt haar slechte cijfers voor haar ouders.

18
Q

Gepaard gaan met

A

Samen gaan met.

Onweer gaat vaak gepaard met regen.

19
Q

Openhartig

A

Dat ben je als je makkelijk dingen over jezelf vertelt.

In een aflevering van Klokhuis vertellen deze kinderen openhartig hoe het is als je ouders gaan scheiden.

20
Q

Blijk geven van

A

Bewijzen, iets laten zien.

Tijdens de tekenles gaf hij blijk van zijn talent.

21
Q

Het dilemma

A

Een moeilijke keuze tussen twee dingen.

Hij weet niet of hij linksaf of rechtsaf moet gaan, hij heeft een dilemma.

22
Q

Anoniem

A

Je vertelt niet hoe je heet.

Een anonieme brief is een brief zonder naam eronder.

23
Q

Het taboe

A

Iets waarvan mensen vinden dat je het niet mag doen, gebruiken of erover praten.

Voor moslims is het een taboe om varkensvlees te eten.

24
Q

Uit de school klappen

A

Een geheim doorvertellen.

De vrouwen klappen uit de school over hun buurman die ingebroken heeft.

25
Q

Hilarisch

A

Erg lachwekkend.

Mama vertelt een hilarisch verhaal.

26
Q

Uitdijen

A

Steeds groter worden.

Omdat mijn tante zwanger is, dijt ze uit.

27
Q

Onbevangen

A

Je hebt ergens van te voren geen mening over.

Dit jongetje kijkt onbevangen naar wat er om hem heen gebeurd.

28
Q

Bevooroordeeld

A

Je hebt ergens van te voren al een mening over.

Mensen zeggen dat dit schilderij makkelijk te maken is, zij zijn bevooroordeeld.

29
Q

Abstract

A

Iets wat niet lijkt op de werkelijkheid.

Dit is abstracte kunst, je kunt niet precies zien wat het is. Iedereen kan er iets anders in zien.

30
Q

Figuratief

A

Iets wat lijkt op de werkelijkheid, je kunt zien wat het is.

Dit schilderij is een figuratieve afbeelding van Max Verstappen.

31
Q

Plechtig

A

Officieel en ernstig.

Zij gaven plechtig hun ja-woord in de kerk.

32
Q

Met name

A

Vooral.

In onze klas zitten met name blanke kinderen.

33
Q

Aansporen

A

Iemand aanmoedigen.

Het publiek spoort de voetballers aan.

34
Q

Interpreteren

A

Iets uitleggen op jouw manier.

De man is het boek aan het interpreteren

35
Q

Het brein

A

Je hersens, je verstand.

Je denkt met je brein.

36
Q

In een oogopslag

A

Onmiddellijk.

Ik zie in een oogopslag dat ik het schilderij niet mooi vindt.

37
Q

In het oog springen

A

Opvallen.

Haar opvallende kleren springen in het oog.

38
Q

Iets met andere ogen bekijken

A

Iets of iemand op een andere manier zien, omdat je mening is veranderd.

Nu ik deze informatie lees, kijk ik met andere ogen naar wat er gebeurde.

39
Q

Groezelig

A

Een beetje vies.

De lakens zijn groezelig doordat ze vaak gewassen zijn, ze worden een beetje grijs.

40
Q

Een (warm) onthaal

A

De manier waarop iemand welkom geheten wordt.

Door het warme onthaal voel ik me meteen welkom.