TT vragen 1a2 Flashcards

1
Q

Hieronder staan drie beweringen over warmtetransport in het lichaam.
I Energie verlaat het lichaam voornamelijk als uitwendige arbeid
en warmte.
II Er vindt een matig passief warmtetransport plaats van kern naar
schil.
III Het circulerende bloed zorgt voor actief warmtetransport van de
kern naar de schil.
Welke is/zijn juist?

A

I, II en III

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

De temperatuurregulering kan worden verdeeld in een regelend
systeem en een geregeld systeem. Hieronder staan 4 componenten
weergegeven.
I Hypothalamus
II Huidvaten
III Skeletspieren
IV Perifere sensoren
Welke componenten behoren tot het regelende systeem?

A

I en IV

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

doe week 7-5 en 7-6 (vo’ s) = cor

A

:)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat is het mediastinum?

A
  • Holte tussen linker- en rechterlong, borstbeen en wervelkolom waarin het hart ligt (soort omgedraaide pompoen)
  • In transversale vlak iets meer links (rechterlong groter)
  • Boven en achter liggen grote vaten en oesophagus (mediastinum superior en posterior)
  • Voor veel vetweefsel (mediastinum anterior)
  • Hart in mediastinum medium en rust op diafragma
  • Longen liggen aan de zijkanten in de pleuraholten
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat doen de papillairspiertjes?

A

Voorkomen dat de kleppen tijdens de ventrikelcontractie doorschieten
Elke slip is aan een papilairspier verbonden met een chordae tendineae (verbinding)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat zijn de atrio-ventriculare kleppen en wat zijn de arteriele kleppen?

A

AV-kleppen: Rechts valva tricuspidalis (3 slippen) en links valva mitralis (2 slippen) –> papillairspiertjes
SL-kleppen: Valva polmonalis rechts en valva aortae links –> valvula semilunalis

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Hoe verloopt in het kort de prikkelgeleiding van het hart?

A
  1. SA-knoop wekt prikkel op en geeft hem door aan rechter atrium
  2. Samentrekking in beide atria door verspreiding prikkel
  3. Hartskelet zorgt de prikkelgeleiding tijdelijk wordt onderbroken
  4. AV-knoop vangt prikkel op
  5. Van AV-knoop via grote zenuwbundels verder als de bundel van His
  6. Linker en rechter bundeltak naar beide ventrikels vertakken tot purkinjevezels
  7. Ventrikels trekken hierdoor samen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

doe week 7-1 (college’s) (=lymfatisch systeem)

A

:)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat is het verloop van de spiervezels én van de functie van de musculi intercostalis interni?

A

Vanaf de craniale rand van een costa naar een meer ventraal gelegen deel van de caudale rand van de daarboven gelegen rib; contractie
resulteert in expiratie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Wat is ventilatie?

A

Uitwisselen/verversen van lucht in de longblaasjes/alveolaire ruimte

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat is diffusie?

A

Uitwisseling van gassen O2 en CO2 tussen lucht in de alveolaire ruimte en arterien

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat is transport?

A

Verplaatsen van O2 en CO2 in het bloed

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat is perfusie?

A

Doorbloeding van het longweefsel en organen met opgeloste gassen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Noem 2 gevolgen van het veelvuldig vertakken van de luchtpijp

A
  1. vergroting oppervlak
  2. vergroten hoeveelheid gasuitwisseling
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Welk voordeel leveren het veelvuldig vertakken van de luchtpijp op voor de ademhaling?

A

Hierdoor is er een afname van de stroomsnelheid, waardoor een betere diffusie van O2 tussen alveoli en arteriën kan plaatsvinden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Hoe kunnen de longen lucht aanzuigen (indademen) en uitademen (mbt druk)

A

Druk in de longen moet lager zijn dan de atmosferische druk –> inademen
Als de druk in de longen iets boven de atmosferische druk komt –> uitademen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Noem de verschillen tussen jejunum en ileum

A

Jejunum:
- roze kleur & grotere diameter
- minder vet –> zichtbare arcades & windows
- weinig arcades
- lange vasa recta

Ileum:
- grijzige kleur & dunner
- meer vet –> dik mesenterium; slecht zichtbare arcades
- veel arcades
- korte vasa recta

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Noem de verschillen tussen colon en dunne darm

A

Alleen in het colon aanwezig zijn:
- appendices epiploica = vetlobjes
- taenia coli = lengtespieren, in de dunnen darm alleen kringspieren
- haustra (lobben) & plica (lobjes)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Benoem het drukverloop in het hart

A
  1. Druk LV > LA: start isovolumetrische contractiefase, druk ventrikel neemt snel toe
  2. Opening v. aortae: ejectiefase, snelle uitstroom, neemt af als druk in aorta de overhand krijgt
  3. Start isovolumetrische relaxatiefase
    Druk ventrikel < atrium: start diastolische fase
  4. Opening v. mitralis: vullingsfase, snel en langzaam als druk ventrikel > atrium
  5. Atriale systole: druk atrium en druk ventrikel omhoog, druk ventrikel > atrium, start stap 1
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Wat gebeurt er bij koorts?

A
  1. pyrogene cytokines (ontstaan bij ontsteking) veranderen warmtegevoeligheid van centrale thermosensoren door verhoogde productie prostaglandine E2
  2. Setpoint temperatuur hierdoor verhoogd
  3. Centrale sensoren merken dit niet –> lichaam wordt warmer
  4. Vasoconstrictie en verminderde zweetsecretie en verhoogde stofwisseling (rillen bij een warm lichaam)
  5. Na aanpassing een verhoogde doorbloeding en versterkte zweetsecretie om warmte kwijt te raken (bleek zien)
    —» Vorming prostaglandine E2 wordt geremd door cyclo-oxygenase remmers (paracetamol)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Doe de memoraid van kathi over dat vo

A

:)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Waar worden rode bloedcellen gemaakt tijdens de embryonale en foetale ontwikkeling?

A

Dooierzak, lever, milt, beenmerg, placenta en na de geboorte in het beenmerg

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Door welke 2 processen worden bloedvaten gevormd?

A
  1. Vasculogenese: ontstaan van bloedvaatjes via de vorming van bloedeilandjes, waaruit endotheelblaaasjes ontstaan die vervolgens fuseren tot vaatjes.
  2. Angiogenese: uitgroei van nieuwe vaatjes uit bestaande vaatjes
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Welke 2 extra-embryonale vaatstelsels ontwikkelt het embryo?

A
  1. naar de dooierzak: de v./a. vitelinae
  2. naar de placenta: de v./a. umbilicalis (= van de navel)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Q

Wat ontstaat er uit de vaten van de dooierzak?

A

Uit de v. vitellinae ontstaat de v. portae

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
26
Q

Wat is de functie van de ductus venosus?

A

Dit is een tijdelijke verbinding tussen de v. umbillicalis en v. cava, die zorgt ervoor dat het voedsel en zuurstofrijke bloed van de placenta niet eerst door het veneuze vaatbed van de lever moet, maar rechtstreeks naar het hart kan gaan om door het lichaam te worden rondgepompt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
27
Q

Wat is de zuurstofconcentratie in de eerste 8 weken van de embryonale ontwikkeling?

A

Eerst lage zuurstofconcentratie, want er zijn nog geen hersencellen en spieren actief.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
28
Q

Wat is het probleem bij persisterende truncus arteriosus?

A

Verstoorde opslitsing tussen truncus pulmonalis en aorta of een afwezige tweedeling

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
29
Q

Wat is het probleem bij transpositie van de grote vaten?

A

Verkeerde aansluiting, bv. aorta sluit aan op rechterventrikel ipv links.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
30
Q

Wat is de functie van het foramen ovale?

A

Zuurstofrijk bloed van de placenta kan direct van het rechteratrium naar het linkeratrium en dan naar linkerventrikel om rondgepompt te worden zonder langs de longen te hoeven.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
31
Q

Wat is de functie van ductus arteriosus?

A

Zuurstofrijk bloed van truncus pulmonalis kan direct naar de aorta zonder langs de longen te hoeven, want deze zijn nog onderontwikkeld.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
32
Q

Waar is de septering van hartcompartimenten van afhankelijk?

A

De uitgroei van de endocardkussens in het AV-kanaal en endocardrichels in het uitstroomkanaal (OFT)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
33
Q

Als er een probleem is met de mitralisklep, ligt dat dan aan de endocardkussens of - richels?

A

Endokussens, want daaruit ontstaan de av-kleppen (tricuspidalis en mitralis)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
34
Q

Bij een persisterende truncus arteriosus, ligt dat aan de endocardkussens of - richels?

A

Endocardrichels, want daaruit ontstaan de SL-kleppen (valva pulmonalis en valva aortae). Want bij een persisterende truncus arteriosus = probleem met tweesplitsing –> truncus pulmonalis en aorta zijn niet gesplitst.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
35
Q

Bij welk kanaal speelt weefsel uit de neurale lijst een rol? (instroom/uitstroom)

A

Uitstroom –> verwijdering neurale lijst kan leiden tot persisterende truncus arteriosus

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
36
Q

Waar begint de vorming van bloedvaten en bloedcellen?

A

Extra-embryonaal mesoderm van de dooierzak met de vorming van bloedeilandjes.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
37
Q

Waardoor sluit het foramen ovale?

A

Gaat dicht door lagere druk in RA en hogere druk in LA vanwege opkomen van longcirculatie.

38
Q

Welke ligamenten worden door de a. en v. umbilicalis gevormd na de geboorte?

A

Lig. teres hepatis –> was v. umbilicalis
Plica umbilicalis medialis –> was a. umbilicalis

39
Q

Noem welke onderdelen intra-, retro- en subperitoneaal liggen.

A

Zoek de dia op, week 8 - HC 1 en 3 anatomie tractus digestivus

40
Q

Welke structuren bevinden zich in het lig. hepatoduodenale?

A
  • ductus choledochus
  • a. hepatica propria
  • v. portae hepatis
41
Q

Waar ligt de pancreas? Door wat gaat de afvoer van de pancreas en waar bevindt zich de kop en staart van de pancreas?

A

Pancreas ligt in het transpylorische vlak.
De staart wordt afgevoerd door de ductus pancreaticus en de kop door de ductus accessorius pancreaticus, wat samen komt in de papilla duodeni major (papil v vater)
De kop van de pancreas ligt in de c-vorm van het duodenum en de staart ligt bij de milt. De pancreas ligt achter het omentum minus.

42
Q

Doe memoraid 8 -6

A

:)

43
Q

Doe memoraid 8 - 9 (college’s)

A

:)

44
Q

Hoe wordt de H-figuur van de lever gevormd?

A

Linkerpoot: lig teres hepatis + lig. falciforme
Horizontaal: lig. hepatoduodenale
Rechterpoot: galblaas, v. cava inferior

45
Q

Hoe loopt de ureter ten opzichte van de ductus deferens en de a. uterina?

A

De ureter loopt op caudale wijze langs de ductus deferens en op caudale wijze langs de a. uterina.

46
Q

Doe week 9- 17 (college’s)

A

:)

47
Q

Benoem drie structuren die een belangrijke rol spelen bij de temperatuur regulatie van de testis en waarom is dit belangrijk?

A

Plexus pampiniformis - koelt het bloed uit de arterien af
M. cremaster - kan de balzak verder of dichterbij het lichaam trekken
Scrotum - zorgt dat de testis buiten het lichaam blijven.
Zaadcellen zijn erg gevoelig voor hoge temperatuur.

48
Q

Waarom zijn 46XX mannen onvruchtbaar?

A

46, XX gonadaal man (het SRY gen ligt dus op een X-gen), maar hebben geen spermatogenese. Want het Y-chromosoom codeert voor een aantal spermatogenese-genen in de MSY (male specific region of the Y).

49
Q

Hoe kan een klein stukje van de Y op een X chromosoom komen? (zo hebben ze de SRY gen ontdekt)

A

In de meiose alle chromosomen hun partner moeten vinden (1 zoekt 1, 2 zoekt 2). Probleem: X en Y lijken niet op elkaar, behalve in de Pseudo-autosomale regio, deze is dus belangrijk tijdens de meiose. De X en Y is de ‘ritssluiting’ maar een heel klein stukje dichtgegaan en zijn dus maar een klein stukje met elkaar verbonden. Er moet crossing-over plaatsvinden en als dat verkeerd gaat, het SRY-gen ligt dichtbij de PAR, en komt dan toch op de X terecht.

50
Q

Wat doet SRY?

A

= transcriptie factor
SRY activeert het SOX9 gen, het SOX9 ligt niet op de X of op de Y, want SOX9 is ook betrokken bij bijvoorbeeld de ontwikkeling van de ruggengraat. Maar in de gonaden wordt het door SRY aangezet. SRY is maar voor korte tijd aan en daarna uit, SOX9 blijft aan.

51
Q

Wat is de positieve feedback loop die ervoor zorgt dat de gonaden zich tot testes ontwikkelen?

A

Positieve feedback loop: SRY zorgt voor aanmaak SOX9 eiwitten, SOX9 zorgt voor aanmaak groeifactor FGF9 en meer SOX9.

52
Q

Wat gebeurt er bij de vrouw met het SOX9 gen?

A

In de vrouw moet het SOX9 gen extra onderdrukt worden, dit gebeurt door WNT-signalen en FOXL2, deze factoren onderdrukken SOX9 en zorgen ervoor dat de positieve feedback loop niet zomaar aan gaat.

53
Q

Wat gebeurt er als de positieve feedback loop van SOX9 toch aan gaat?

A

Maar als de loop wel aan gaat, onderdrukt dat weer WNT-signalen en FOXL2 –> battle. SRY wint altijd en zal als hij aanwezig is, toch winnen.

54
Q

Tot wat ontwikkelt zich de gang van Wolf? Welk hormoon speelt hierbij een rol?

A

Gang van Wolf ontwikkelen tot epididymis, testes en zaadblaasjes bij de man. Bij de vrouw gaat deze gang ten gronde. Testosteron nodig voor de overleving van de gang van Wolf.

55
Q

Tot wat ontwikkelt zich de gang van Muller? Welk hormoon speelt hierbij een rol?

A

Gang van Muller ontwikkelt zich tot eileider, baarmoeder en bovenste deel vagina. Bij mannen gaat deze gang ten gronde –> antimullerse gang hormoon zorgt voor geen gang van Muller.

56
Q

De afwezigheid van welke hormonen zorgt voor de goede ontwikkeling bij de vrouw?

A

–> afwezigheid van de hormonen testosteron en antimullerse gang hormoon
Insulin-like factor 3 = betrokken bij de indaling van de testes.

57
Q

Hoe werkt testosteron?

A

Testosteron is een steroïd hormoon met een relatief eenvoudig werkingsmechanisme: testosteron gaat de cel in, bindt aan een androgene receptor in de cel, deze binden vervolgens aan het DNA en werken als transcriptiefactor. –> mRNAs –> eiwitten –> fenotype

58
Q

Door welk hormoon wordt de ontwikkeling van het uitwendig genitaal bepaalt?

A

Dihydro-testosteron.
Testosteron kan door het enzym 5alfa-reductase worden omgezet in dihydro-testosteron (DHT). Deze werkt via precies dezelfde receptor als testosteron, maar is iets beter. Dihydro-testosteron heeft namelijk een hogere affiniteit, dus bij een lagere concentratie bewerkstelligt hij hetzelfde effect.

59
Q

Wat gebeurt er bij afwezigheid van DHT (dihydro-testosteron)

A

Bij afwezigheid ontstaat vrouwelijk genitaal.

60
Q

Hoe ontstaat oestradiol?

A

Het vrouwelijk geslachtshormoon oestradiol ontstaat via aromatase uit testosteron.

61
Q

Welke factoren spelen een rol bij testisdeterminatie?

A

SRY = transcriptiefactor, SOX9 = gen, FGF9 = groeifactor –> mannelijke differentiatie

62
Q

Welke factoren spelen een rol bij ovariumdeterminatie?

A

WNT en FOXL2

63
Q

Wat zorgt voor de degeneratie van de gang van Muller en de gang van Wolff?

A

Muller: AMH (antimullerse hormoon)
Wolff: afwezigheid van testosteron

64
Q

Welke factoren spelen een rol bij de vorming van de zaadleider en de penis?

A

Zaadleider: testosteron
Penis: dihydrotestosteron –> uitwendige genitaal

65
Q

Welke van bovenstaande bewering is of welke zijn juist?
4 beweringen over randomisatie zijn:
1. randomisatie zorgt dat de percentages van deelnemers met en zonder een genetisch afwijking gelijk in een studie zijn
2. randomisatie zorgt dat de gerandomiseerde medicatie geen effect op de uitkomst (b.v., systolische bloeddruk) heeft
3. randomisatie zorgt dat er geen relaties ontstaan tussen alle verstorende factoren
4. randomisatie zorgt dat de steekproef/studie representatief is

A

Allemaal onjuist!

66
Q

Wat gebeurt er met de p-waarde als de steekproef groter wordt? En wat gebeurt er met de p-waarde als de steekproef kleiner wordt?

A

P-waarden worden groter als de steekproefgrootte kleiner wordt
P-waarden worden kleiner als de steekproefgrootte groter wordt

67
Q

In welke drie opzichten is ziekte, volgens Jones et al., de afgelopen 2 eeuwen veranderd?

A
  1. mensen hebben andere ziekten dan vroeger
  2. we hebben andere ideeën over ziekten dan vroeger
  3. ziekten hebben andere sociaal-maatschappelijke betekenissen en gevolgen dan vroeger
68
Q

Welke ramussen hebben de a. coronaria sinistra en a. coronaria dextra?

A

A. coronaria sinistra - ramus circumflexus + ramus interventricularis anterior

69
Q

Waar ligt de SA-knoop? En de AV-knoo, bundel van His?

A

SA: overgang vena cava superior - atrium
AV: overgang rechter atrium - rechter ventrikel
His: septum interventriculare

70
Q

Welke spieren kunnen de ademruimte verkleinen? En welke vergroten?

A

verkleinen: mm. intercostalis interni en m. rectus abdominis
vergroten: mm. intercostalis externi

71
Q

Waardoor ontstaat de P-top, QRS-complex en T-top? En wat voor gevolg heeft dit?

A

P-top= depolarisatie atria –> atria contraheren
QRS-complex= depolarisatie ventrikels –> ventrikels contraheren
T: top repolarisatie ventrikels
LET OP: ECG geeft prikkels weer, niet spiercontractie, dat is enkel het gevolg!

72
Q

Waaruit bestaat de tunica media van bloedvaten vooral?

A

Glad spierweefsel

73
Q

Welke aangeboren afwijking aan de tractus digestivus, kan worden beschouwd als een persisterende dooierzaksteel?

A

divertikel van Meckel; Fistel, cyste of ligament tussen illeum en navel; open verbinding dunne darm met
navel (ontlasting uit navel)

74
Q

Welke structuren ontstaan uit het dorsale mesenterium van de maag (dorsaal mesogastrium).

A

Lig. falciforme en omentum minus

75
Q

Wat valt er onder het regelend en geregeld systeem?

A

Regelend: Hypothalamus, centrale sensoren, huidtemperatuur
Geregeld: skeletspieren, huidvaten, stofwisseling

76
Q

Welke van de onderstaande beweringen is/zijn juist?
A Energie verlaat het lichaam voornamelijk als uitwendige arbeid en warmte.
B Er vindt een matig passief warmtetransport plaats van kern naar schil.
C Het circulerende bloed zorgt voor het warmtetransport van de kern naar de schil.

A

Alledrie!

77
Q

Wat is het foramen van Winslow?

A

= foramen epiplocum. bevindt zich dorsaal van het lig. hepatoduodenale. is het mediale beginpunt van bursa omentalis

78
Q

Welke structuren zijn secundair peritoneaal?

A

Duodenum, colon ascendens, colon descendens

79
Q

Waardoor leidt de remming van de maagzuurproductie in de maag tot slechtere eiwitvertering in het duodenum?

A
  1. Eiwitvertering in het duodenum is vooral afhankelijk van endoproteases, die op specifieke plaatsen binnen de eiwitketen knippen.
  2. Door inwerking van het zuur in de maag is het voedingseiwit gedenatureerd
  3. en zijn deze specifieke knipplaatsen toegankelijk voor de
    endoproteases
  4. Minder maagzuur betekent minder eiwitdenaturatie
  5. en dus slechtere eiwitvertering in het duodenum.
80
Q

Tot wat ontwikkelt zich de gang van Muller?

A

Eileiders, uterus, cervix, bovenste deel vagina

81
Q

Wordt ejectie door sympatisch of parasympatisch zenuwstelsel gedaan?

A

Ejectie zelf - parasympatisch
Ejaculeren - sympatisch

82
Q

Doe 9 - 32 (college’s)

A

:)

83
Q

Wat is een type I fout en wat is een type II fout?

A

Type 1 fout = we de nulhypothese is de waarheid, maar we vinden in ons onderzoek wel een verschil. –> verwerp je de nulhypothese ten onrechte.
Type 2 fout = de nulhypothese is niet waar, maar in ons onderzoek is het wel de waarheid –> verwerp je de nulhypothese ten onrechte niet.
Kans hierop is afhankelijk van:
- de (onbekende) waarheid
- steekproefgroote –> te klein
- te weinig power

84
Q

Hoe wordt de kans genoemd dat iemand met een negatief test resultaat daadwerkelijk de ziekte niet heeft?

A

Negatief voorspellende waarde (negative predictive value)

85
Q

Wat is het belangrijkste uitstscheidingsproduct van de volgende cellen?
- mucus producerende cellen
- parietale cellen
- ECL cellen
- Hoofdcellen/ chief cells

A
  • Mucus producerende cellen –> zitten in de nek vd maaklier + maagoppervlak, produceren mucus
  • Parietale cellen: zuur, intrinsieke factor
  • ECL cellen: histamine
  • Hoofdcellen: pepsinogeen
86
Q

Hoe wordt de maagwand zelf beschermd tegen maagzuur?

A

Mucus producerende cellen scheiden HCO3- uit, dit heeft een hoge pH-waarde. Slijm/mucus houdt water vast, maagzuur kan hierdoor minder goed doordringen.

87
Q

Hoe ontstaat een maagzweer?

A

Helicobacter nestelt zich in de mucuslaag en breekt die af –> bescherming tegen maagzuur verslechterd –> celbeschadiging –> maagzuur

88
Q

Hoe kan de helicobacter in de maag overleven?

A

Helicobacter is een zuur-resistente bacterie, het scheidt mucus-afbrekende enzymen uit en creert een nauwelijks zure omgeving om zichzelf. Daarbij scheidt het ook urease uit - helicobactertest

89
Q

Hoe werken de volgende maagzuurremmende medicatie?
- Cimetidine en ranitidine
- Vagotomie
- Omeprazol
- Antacidum

A
  • Cimetidine en ranitidine –> antogonisten histamine receptoren (minder cyclisch AMP verhoging –> minder apicaal membraan= minder oppervlak –> minder protonpompen)
  • Vagotomie –> n. vagus doorsnijden, minder acetylcholine (zorgt voor minder intern oppervlak –> minder protonpompen)
  • Omeprazol –> remt rechtstreeks de protonpompen, zeer effectief
  • Antacidum –> maagzuur remmend, buffert H+ in de maag, matig effectief
90
Q

Hoe kunnen endoproteasen (breekt bindingen af) effectief werken?

A

Maagzuur vouwt het eiwit uit elkaar, zodat pepsine goed de bindingen kan knippen.

91
Q

Hoe wordt het eiwit door maagzuur uit elkaar gevouwen?

A

Maagzuur: zure omgeving, H+ lading aan de negatieve polen –> - polen verdwijnen, worden niet-geladen –> + stoot elkaar af –> eiwit vouwt uit elkaar

92
Q

Waarom denatureert pepsine dan ook niet in de maag?

A

Willekeurig voedingseiwit= ongeveer evenveel + als - ladingen, denatureert wel. IEP (maat voor verhouding positieve en negatieve lading) = ongeveer neutraal
Pepsine =beetje negatief van zichzelf, in zure omgeving - lading geneutraliseerd, denatureert niet, denatureert juist bij neutrale pH. IEP = negatief