TT vragen 1b2 Flashcards

1
Q

doe memoraid 16

A

:)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Welke conclusie kan er op basis van een flow-volume curve niet getrokken worden?

A

Dat de patient een restrictie heeft.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Waar bevindt zich in de long de meeste perfusie?

A

Onder in de long

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat gebeurt er bij toegenomen dode ruimte? En wat gebeurt er bij een shunt?

A

Dode ruimte: stijging koolzuurgehalte, want er wordt minder lucht uitgeademd. = wel ventilatie, geen perfusie
Shunt: afname van O2 gehalte, het bloed passeert (het hart/alveoli) zonder dat er O2 wordt uitgewisseld

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Waar is de CO-opname van de long van afhankelijk voor het meten van de diffusiecapaciteit?

A

Alleen de diffusie (dus niet ventilatie of perfusie)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Waar zijn diffusieprocessen van afhankelijk?

A
  • Diffunderend oppervlak (A)
  • Dikte van de lucht-bloedbarriere (T)
  • Diffusieconstante (Dgas)
    Wet van Fick= Vgas = (A:T)xDgasx(P1-P2)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Waarom wordt een diffusietest met CO gedaan?

A

N2O (lachgas) = perfusie afhankelijk
O2 = perfusie & diffusie afhankelijk
CO = diffusie afhankelijk
voordelen: CO bindt op gelijke wijze aan Hb, bindt 240x terker als O2 aan Hb

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat is de pathofysiologie van longfibrose en emfyseem?

A

Longfibrose: minder diffusie door afname oppervlak en toename dikte membraan –> progressieve verlittekening van de longen
Emfyseem: minder diffusie door afname oppervlak –> verlies van het aantal longblaasjes

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat is silhouette sign?

A

Een grens tussen twee structuren verdwijnt wanneer er sprake is van gelijke dichtheid (bijvoorbeeld hart-longgrens of diaphragma-longgrens kan verdwijnen)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Wat is atelectase?

A

Verminderd volume secundair aan afname van lucht in de alveoli door resorptie van lucht = long in elkaar geklapt = geen ademgeruis

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat gebeurt er bij apneusis?

A

Apneusis is het gevolg van een onderbreking -midden- pons met de vagl -defect-

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

De alveoli veranderen tijdens het ademen in grootte. In theorie zou dit de uitstroom van lucht richting de bronchioli kunnen bemoeilijken. Hoe heet de wet die bij deze theorie hoort? En welke relatie beschrijft deze wet?

A

Wet van Laplace
Beschrijft dat de druk rechtevenredig is met de oppervlaktespanning en omgekeerd evenredig met de straal

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat is de rol van surfactant in de alveoli?

A

Afname van oppervlaktespanning

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat is de rol van microvilli en waar bevinden ze zich?

A

Geen trilharen, zorgen voor oppervlaktevergroting voor resorptie van uit de voorurine. Ze bevinden zich in de proximale tubulus, niet in de distale tubulus en de verzamelbuis.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Welke factoren kunnen afwijken in de longfunctie bij COPD?

A
  1. Afwijkende diffusiecapaciteit
  2. Obstructief gestoorde longfunctie
  3. Verhoogde RV/TLC ratio door airtrapping
  4. Verminderde FEV1 als maat van de luchtwegobstructie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Welke receptor moeten bij astma/copd bij voorkeur worden geblokkeerd?

A

M1 en M3,
Door M3 te blokkeren voorkomt het bronchoconstrictie en mucussecretie.
Door M1 te blokkeren voorkom je nicotinerge transmissie in de ganglia.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Op welke receptoren werken anticholinergica die inspelen op de mictiereflex?

A

M2 en M3 blokkeren zorgt dat acetylcholine niet kan binden en de contractie van de m. detrusor niet plaatsvindt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Wat is de nieuwste groep geneesmiddelen bij astma?

A

Interleukine antilichamen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Waar bindt CO2 en O2 aan hemoglobine?

A

Ze binden uitsluitend aan heem Fe in de ferro-vorm

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Wat is het effect van de binding van koolmonoxide aan 1 subunit van het hemoglobine op de affiniteit van de andere 3
subunits voor zuurstof?

A

affiniteit wordt groter, dit gebeurt ook als er een O2 gebonden is, dan binden andere ook sneller

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Verklaar waardoor koolmonoxide zich zoveel steviger bindt aan hemoglobine dan aan zuurstof.

A

CO is kleiner dan O2 waardoor het minder sterische hindering ondervindt bij binding aan Hb

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Wat is het voordeel van hemoglobine tov myoglobine? aangezien myoglobine geen last heeft van subunits

A

Myoglobine heeft een hyperbole curve, terwijl hemoglobine een sigmoidale curve heeft. Door de hyperbole curve wordt er bij een lage saturatie, bv. 40% –> 20% maar weinig O2 vrijgegeven door hemoglobine, de curve moet juist ?stijgen? om toch O2 af te geven.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Waardoor wordt O2 afgifte versterkt?

A

Verlaging van pH en verhoging van pCO2 = bohr effect

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Waardoor wordt de affiniteit van Hb voor O2 verlaagt?

A

2,3-BPG hindert vormverandering, waardoor het sigmoidale karakter van hemoglobine wordt versterkt. Namelijk als pO2 daalt, dan bindt 2,3-BPG waardoor extra O2 wordt vrijgegeven.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Q

In welke vorm komt arbeid vrij tijdens het uitademen?

A

Elastische energie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
26
Q

Wat is het hoog affiniteit-lage capaciteit systeem voor glucosetransport en hoe werkt dit?

A

SGLT1- transporter, glucose wordt getransporteerd samen met -2 Na-ionen- dit systeem bevindt zich in het -laatste- deel van de -proximale- tubulus. (SGLT2 transporteert met 1 Na-ion en bevindt zich in het eerste deel van de proximale tubulus)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
27
Q

Wat is het belangrijkste voordeel van glucose reabsorptie via SGLt1 tov SGLT2?

A

Glucoseconcentratie is lager in het laatste deel van de proximale tubulus, waardoor er meer energie, vertegenwoordigt als Na-ionen nodig is. Maar hierdoor kan je toch dat laatste beetje glucose tegen een hogere concentratiegradient wegpompen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
28
Q

Welke centra kent de mictiereflex en waar zijn deze verantwoordelijk voor?

A

Cortex - timing
Pons - coordinatie
Sacraal - fijnstemming en versterking
Ruggenmerg - verbinding tussen pons en sacraal centrum

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
29
Q

Welke vormen van transcellulair transport zijn er van bijv. glucose?

A
  1. Na,K-pomp= primair actief (ATP gebruik), electrogeen (gevoelig voor membraanpotentiaal) en basolateraal (richting interstitium)
  2. Na, glucose symporter (SGLT)= secundair actief (niet rechtstreeks ATP gebruik), electrogeen, apicaal (richting filtraat)
  3. Glucose carrier (GLUT) = passief, basolateraal
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
30
Q

Welke stof verloopt de proximale reabsorptie voornamelijk paracellulair (tussen de cellen door)?

A

Kalium

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
31
Q

Wat is creatinine en wat heeft het te maken met de GFR?

A

Creatinine is een afvalproduct wat wordt gevormd bij spiermetabolisme. Constant spiermassa=constante creatine, want creatine wordt alleen uitgescheiden door je nieren. De klaring van creatinine is gelijk aan de GFR. Nierfunctie 100%=GVR 100/min.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
32
Q

Waarom daalt de GFR sterker bij een stijging van 100–>200umol creatinine dan bij een stijging van 200-300umol?

A

Grafiek, omdat de normal range van creatinine ongeveer 100 is. Door de vorm van de grafiek - hyperbool, gaat dus eerst heel steil naar beneden- betekent een klein beeje meer creatinine al een grote daling in nierfunctie = GFR

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
33
Q

Wat voor effect heeft ADH op de bloeddruk en wat is de verklaring daarvoor?

A

ADH=antidiuretisch hormoon wat ervoor moet zorgen dat je minder water gaat plassen. Daarvoor moet er vasoconstrictie plaatsvinden, waardoor de bloeddruk toeneemt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
34
Q

Wat is de functie van de ureum reabsorptie in de verzamelbuis?

A

beperken van de urineproductie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
35
Q

Welke 2 dingen heb je voor de reabsorptie van water nodig?

A

Een gat: aquaponine 2
Een drijvende kracht: osmotische gradient

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
36
Q

Hoe verdunt en concentreert de nier de urine?

A

Urine verdunnen: Na uit de urine halen, maar zorgen dat het water er niet ui kan doordat aquaporine 2 er niet is –> distale tubulus?
Urine concentreren: maximaal water eruit halen, terwijl je Na erin laat zitten –> proximale tubulus?

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
37
Q

Welk van de onderstaande transporteiwitten is het belangrijkst voor de functie van de counter current multipier?

A

NKCC2

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
38
Q

Op welke plek in het lichaam wordt of op welke plekken worden een daling van het extracellulaire volume waargenomen?

A

Macula densa en baroreceptor

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
39
Q

In welk van de onderstaande tubulus segmenten heeft angiotensine II het grootste effect op de reabsorptie van natrium?

A

Proximale tubulus

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
40
Q

Welk effect heeft aldosteron op de uitscheiding van natrium en kalium in urine als gevolg van ernstige volume depletie.

A

Lage natrium en kalium uitscheiding

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
41
Q

Op welke plaats of plaatsen in het nefron vindt deze toegenomen natriumreabsorptie plaats?

A

In de proximale EN distale tubulus

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
42
Q

Waarom ontstaat er bij braken een hypokalemie?

A

NIET direct K verlies zoals bij diarree, maar je verliest HCl door braken, hierdoor gaat de bicarbonaat productie omhoog –> waardoor er een metabole alkalose ontstaat –> te veel bicarbonaat wordt uitgeplast en Na en K gaan dan samen met hem weg –> hypokalemie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
43
Q

Wat gebeurt er bij een hypokalemie met hypertensie en welke 3 type zijn er?

A

= aldosteron (achtig) effect - aldosteron zorgt voor meer Na reabsorptie en meer K secretie.
1. primair hyperaldosteronisme (plasma renine omlaag, plasma aldosteron omhoog)
- meest voorkomende oorzaak secundaire hypertensie
- door overproductie bijnieren
2. secundair hyperaldosteronisme (plasma renine omhoog, plasma aldosteron omhoog)
- nierarteriestenose, fibromusculaire dysplasie
3. pseuodhyperaldosteronisme (plasma renine omlaag, plasma aldosteron omlaag)
- door drop, snoepgoed, zoethoutthee
- syndroom van cushing (hypercortisolisme)
- mutaties in 11beta-HSD2, EnaC of de mineralcorticoid receptor (bij drop)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
44
Q

Wat is het effect van insuline op de regulatie van K?

A

Insuline zet de Na/K pomp harder aan waardoor K de cel IN wordt gepompt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
45
Q

Wat voor zuur-base stoornis heeft een patient waarbij H-ATPase geheel afwezig is?

A

Metabole -acidose- met -normale- aniongap

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
46
Q

Waardoor ontstaan de zuur-base stoornissen?

A

Respiratoir acidose= emfyseem, astma –> gaswisseling onvoldoende
Metabool acidose= diabetes, diarree, renale tubulaire acidose –> verlies van K en bicarbonaat
Respiratoir alkalose = hyperventilatie
Metabool alkalose = overgeven

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
47
Q

Uit welk type collageen bestaat het glomerulaire basaalmembraan?

A

Collageen type IV

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
48
Q

Welke ECG veranderingen zijn er bij hyperkalemie?

A
  • geplette T-golven
  • geen P-golf
  • verbreed QRS-complex
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
49
Q

Hoe onstaat hypokalemie?

A
  1. kaliumshift in cellen (kalium gaat IN de cel)
  2. gastro-intestinaal verlies –> diarree
  3. Renaal verlies (via de urine)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
50
Q

Hoe werkt de regulatie van Kalium?

A

Normaal K in de cel hoog, buiten de cel laag.
3 belangrijke spelers:
1. insuline
2. catecholamines
3. aldosteron (is verantwoordelijk voor K secretie)
–> hogere concentraties van deze hormonen zorgen voor meer K in de cel –> hypokalemie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
51
Q

Wat is de behandeling van hypokalemie?

A
  • oorzaak aanpakken
  • kaliumsuppletie
  • kaliumsparende medicatie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
52
Q

Wat zijn de oorzaken van hyperkalemie?

A
  1. pseudohyperkaliemie (labfout) –> hemolyse of trombo-/leukocytose (veel K IN de cellen, cellen kapot, K in het bloed)
  2. shift uit de cellen –> metabole acidose
  3. verminderde kaliumsecretie of verminderde kaliumfiltratie (fout van de nieren, remming RAAS (aldosteron waardoor er minder K secretie plaatsvindt en er meer achterblijft))
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
53
Q

Wat is de behandeling van hyperkaliemie

A

3 x R
Restore = calcium (voor het hart)
Redistribute = insuline (zorgt dat de Na/K pomp wordt geactiveerd waardoor K de cel IN wordt gepompt)
Remove = diuretica, dialyse, infuus

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
54
Q

Wat voor soorten acute nierinsufficientie zijn er en wat is hun oorzaak?

A
  1. Prerenaal - lage bloeddruk, verminderde bloedflow = geen structurele afwijkingen aan de nier, reversibel
  2. Renaal - direct schade door inflammatie, infectie etc.
  3. Post-renaal - obstrucite door vergroot prostaat, nierstenen, tumor
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
55
Q

Wat is Acutu Tubulus Necrose (ATN)?

A

Vorm van acute niersufficientie waarbij door prerenale factoren ischemie is ontstaan die tot structurele schade aan de nier heeft geleid. Reversibel na een aantal dagen tot weken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
56
Q

Door remming van welk proces treedt Theofylline op als vasodilator van de bronchiën?

A

Phosphodiesterase

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
57
Q

Wat is een belangrijk verschil tussen COPD en astma?

A

COPD heeft altijd een chronische luchtwegobstructie en astma heeft dit in een beperkte hoeveelheid van de patiënten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
58
Q

Geef twee ziektebeelden waarbij er sprake is van toegenomen dode ruimte en omschrijf kort waarom er toegenomen
dode ruimte is.

A

longemfyseem; afname van doorbloed en functioneel longweefsel –> longblaasjes zijn kapot
longembolie; gebied waar geen bloed meer stroomt maar nog wel belucht wordt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
59
Q

Wat gebeurt er bij een shunt en bij toegenomen dode ruimte?

A

Shunt: er is geen ventilatie maar wel perfusie, er stroomt dus bloed langs alveoli alleen er gebeurt niks mee, je krijgt een fractie niet-geoxygeneerd bloed
Dode ruimte: bloedvaten zijn verstopt maar ventilatie verloopt goed

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
60
Q

Waarom is in staande of zittende positie de ventilatie in de longbasis beter dan in de longtop?

A

De alveoli in de longbasis hebben in rust een kleiner volume./ de luchtweerstand is hoger in de top dan in de longbasis

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
61
Q

Welke informatie heb je nodig uit de anamnese om de diagnose astma te stellen?

A
  • Recidiverende episodes van dyspnoe, piepen en/of hoesten
  • Positieve familie anamnese atopie of zelf last van atopische klachten (eczeem, hooikoorts, allergie)
  • Positieve reactie op luchtwegverwijder
62
Q

Welke beschadigingen in de hersenen leiden tot welke effecten op de ademhaling?

A
  1. Tussen de medulla en spinal cord = apneu
  2. Boven de pontine centra = niets
  3. Midden van de pons met beschadiging n. vagus = apneusis (onregelmatig ademen)
  4. Hoge medulla = ritme met af en toe diepere ademhaling
63
Q

Wat gebeurt er als een gezond persoon een inademingsmanoeuvre uitvoert?

A

De intrapleurale druk daalt

64
Q

Waar zorgt een beta2 agonist voor?

A

Vergroting van de bronchien en vasodilatatie –> want sympatisch systeem fight or flight

65
Q

Welke factoren kunnen afwijken in de longfunctie bij COPD?

A
  1. Obstructief gestoorde longfunctie
  2. Verminderde FEV1 als maat van de luchtwegobstructie
  3. Verhoogde luchtwegweerstand
  4. Verhoogde TLC door airtrapping
  5. Afwijkende diffusiecapaciteit
  6. Verhoogde RV/TLC ratio door airtrapping
66
Q

Wat zijn overwegingen bij keuze voor een inhalator als behandeling van copd of astma?

A
  • leeftijd
  • bewuste inhalatie via mond mogelijk
  • gebruikersgemak
  • beschikbaarheid van het medicijn
67
Q

Waarom kan een metabole acidose niet volledig respiratoir worden gecompenseerd?

A

De versterking van de ademhaling wordt tegengewerkt door het optreden van vermoeidheid van de ademhalingsspieren.

68
Q

Waarom kan een metabole alkalose niet volledig respiratoir worden gecompenseerd?

A

De vermindering van de ademhaling wordt tegengewerkt door de verlaging van de pO2.

69
Q

Welke cotransporter wordt direct geremd door thiazide diuretica?

A

Natrium-chloride cotransporter (NCC). Deze cotransporter bevindt zich namelijk in de distale tubulus en thiazide werkt op de distale tubulus.

70
Q

Wat gebeurt er met de Bicarbonaat en Kalium concentratie bij primair hyperaldosteronisme met hypertensie?

A

Kalium laag - want veel aldosteron = veel Na reabsorptie en veel K secretie in urine, dus laag K in bloed.
Hoog bicarbonaat - want?

71
Q

Waar bevindt zich de NKCC2 transporter en welke diuretica werkt dus op deze transporter?

A

NKC22 bevindt zich in de lus van Henle, lisdiuretica

72
Q

Wat is splay en welke factoren hebben er effect op?

A

Splay = variatie tussen individuele nefronen
- single nefron GFR
- stroomsnelheid tubulaire vloeistof
- aantal transporteiwitten in een nefron
–> deze factoren verschillen per nefron, waardoor er geen scherpe grenzen zijn wanneer filtratie en reabsorptie plaatsvindt.

73
Q

Wat wordt sterk beinvloed bij een verlaagde affiniteit van een transporteiwit?

A

Splay

74
Q

Wat is het gevolg van competitie tussen iontransporters (zoals AOT’s)

A

Excretie wordt verlaagd als alle AOT’s bezet zijn, hierdoor is er bijv. een langere werking van penicilline, maar het kan ook leiden tot geneesmiddelentoxiciteit en maskeren van dopinggebruik.

75
Q

Bij een patiënt met hyponatriëmie is het urine natrium 0 mmol/l en de urine osmolaliteit 1000 mOsm/kg.
Wat zegt dit over de activiteit van het renine-angiotensine-aldosteron systeem (RAAS) en het antidiuretisch hormoon
(ADH)?

A

RAAS hoog - want aldosteron zorgt voor meer Natrium reabsorptie, wat je wil want de patient heeft te weinig natrium in het bloed
ADH hoog - er is een hoge urine osmolaliteit, want ADH houdt water vast (ook om te zorgen dat er geen Na wordt uitgeplast), hierdoor is de urine heel geconcentreerd

76
Q

Wat is de oorzaak van een sterke verlaging van de bicarbonaat concentratie in het plasma?

A

Een verlaagde activiteit van de natrium-gekoppelde bicarbonaat transporter in de proximale tubulus cellen –> bijvoorbeeld bij Renale Tubulaire Acidose type 2

77
Q

Wat zijn de waarden van natrium en kalium in de urine bij een goede bloeddruk, ernstige hyperkalemie en hoog plasma aldosteron?

A

Normale natrium uitscheiding met hoge kalium uitscheiding

78
Q

Wat is het effect van een betablokker op kalium en hoe wordt dit veroorzaakt?

A

Hyperkalemie door een effect op het Na/KATPase kanaal

79
Q

Wat is het gevolg als een chloride-bicarbonaat uitwisselaar zich niet alleen in het basolaterale membraan, maar zich ook in de apica membraan van de alfa-intercalaire cellen bevindt?

A

de NH3/NH4 val (ammonium trap) is minder efficient

80
Q

Via welke mechanismen leidt een verlaging van de pH van de interstitiële vloeistof in de nier tot een verhoogde
zuurexcretie?

A

De verlaagde extracellulaire pH stimuleert de fusie van proton-pomp bevattende membraanblaasjes met de apicale membraan van de α-IC
cel (2p). Het gevolg is dat er meer protonen apicaal worden gesecreteerd en de pH van de tubulaire vloeistof wordt verlaagd (2p). De lage
pH in de tubulus versterkt de diffusie val voor ammonium (“ammonium trap”) waardoor protonen in de vorm van ammonium het lichaam
kunnen verlaten (2p).

81
Q

Wat is de osmolariteit en Na concentratie bij een diabetes insipidus patient?

A

Bij diabetes insipidus is er iets mis met ADH, hierdoor wordt water NIET vastgehouden wat resulteert in veel moeten plassen –> lage osmolariteit en lage Na concentratie

82
Q

Wat gebeurt er bij een daling van het volume van extracellulaire vloeistof?

A

ADH, water retentie, Na-retentie, sympaticus activiteit, renine, angiotensine II en aldosteron stijgen.
Alleen ANP daalt (ANP verlaagt bloeddruk)

83
Q

Welke excretiecurves horen bij antibiotica en medicijnen en welke bij eiwitten en aminozuren en waarom?

A

Medicijnen - Curve I lineaire, steile lijn met een knik - want er vindt normale exretie plaats totdat er een te hoge concentratie is waardoor er competitie tussen de transporters ontstaat, hierdoor neemt de excretie snelheid af
Eiwitten/aminozuren - curve III eerst geen excretie maar loopt langzaam over in een lineaire stijle lijn - want normaal geen excretie totdat het (transport)maximum is bereikt en er wel excretie plaatsvindt.

84
Q

Wanneer is er sprake van een metabole alkalose EN metabole acidose

A

Bij een verhoogd aniongap, dit betekent dus dat er veel toegenomen ongemeten zuurproductie is. Dit kan zijn ontstaan door braken en hypovolemie (weinig water in het bloed)

85
Q

Welk transport eiwit is het belangrijkst voor de secretie van Kalium?

A

ENaC

86
Q

In de proximale tubulus van secretie van welk ion plaats?

A

H+

87
Q

Welke structuur heeft de hoogste HU-waarde op een CT-onderzoek?

A

Metaal (wit), bot heeft daarna de hoogste waarde en dan vet — lucht (zwart)

88
Q

Beschrijf de drie mechanismen voor het ontstaan van hypokaliëmie.

A
  1. Shift van kalium de cel in
  2. Gastro-intestinaal kaliumverlies –> bv. diarree
  3. Urine kaliumverlies
    –> onderzoek: urine kalium
89
Q

Wat gebeurt er met de Bicarbonaat concentratie door aldosteron?

A

Aldosteron stimuleert de H+ kanalen in de alfa intercalaircellen, waardoor er meer Bicarbonaat wordt gevormd

90
Q

Wat voor invloed heeft aldosteron op de NH4+ productie?

A

Doordat aldosteron voor meer H+ zorgt, moet je wel meer NH4+ aanmaak hebben, want je kan niet te veel losse H+ in de urine doen.

91
Q

Waar bevinden zich podocyten?

A

Aan de parietale kant van het epitheel, maar ze zitten aan de viscerale kant van het kapsel van Bowman.

92
Q

Wat is de DLCO en welke conditie kan de DLCO verlagen?

A

DCLO = diffusiecapaciteit van de longen. Kan worden verlaagd door een verlaagd hemoglobinegehalte, COPD, verlies van functioneel longweefsel, fibrose

93
Q

Wat voor cellen spelen een belangrijke rol bij COPD?

A

Macrofagen en Th1 (CD8+) cellen

94
Q

Wat gebeurt er als een gezonde persoon een uitademingsmanoeuvre uitvoert tegen een gesloten klep?

A

De alveolaire druk stijgt

95
Q

Wat is de rol van een anion exchanger?

A

Het zorgt voor transport van -bicarbonaat- vanuit het -plasma de rode bloedcel in- –> zit aan de apicale zijde?

96
Q

Wanneer is er sprake van reversibiliteit bij een flow-volume curve?

A

Als de FEV1 meer dan 12% EN meer dan 200 mL verbeterd na een luchtwegverwijder

97
Q

Waarop is de meting van de zuurstofsaturatie met een oximeter gebaseerd? En waarom kan met deze uitslag een koolmonoxide vergiftiging niet worden uitgesloten?

A

Gebaseerd op een verschil in lichtabsorptie tussen oxy Hb en deoxy Hb in arterieel bloed.
Kan niet worden uitgesloten omdat carboxyhemoglobine heeft dezelfde 3D structuur en licht absorptie als oxyHb

98
Q

Waar zorgen M2 receptoren voor bij astma?

A

M2 receptoren liggen presynaptisch en remmen acetylcholine (heeft van nature een negatieve feedbackloop), maar als je deze blokkeert door een M2 antagonist zorgt het juist voor meer acetylcholine :(. Astma middelen die op M2 aangrijpen - remmen- M2 en zorgen voor -meer- acetylcholine.

99
Q

Welke geneesmiddelen helpen bij COPD?

A

Salbutamol, salmeterol, theofylline. (S=beta2 receptor agonist)

100
Q

Waar moet je opletten bij astma op de kinderleeftijd?

A

De meerwaarde van regelmatige longfunctiemetingen is bij goede astmacontrole gering.

101
Q

Waarvoor is het oppervlak van het ademlusje een maat?

A

Totale stromingsarbeid.

102
Q

Wat stelt oppervlak A1+A2+A3 voor bij een ademlusje?

A

Totale ademarbeid gegenereerd tijdens het inademen

103
Q

Hoe kan compliantie worden bepaald bij een ademlusje?

A

Aan de hand van lijnstuk AB

104
Q

Wat is de klaring van furosemide?

A

De klaring van furosemide is -groter- dan dat van inuline, en -neemt af- bij toenmende plasmaconcentratie

105
Q

Welke receptor is verantwoordelijk voor de initiatie van de blaascontractie?

A

Muscarinerge receptor, namelijk M2 en M3 (deze worden dan ook geblokkeerd bij een overactieve blaas)

106
Q

Wat zijn de FEV1, FVC en FEV1/FVC waarden bij restrictieve vs obstructieve longziekten

A

Restrictief: FEV1 laag, FVC laag, FEV1/FVC normaal –> longblaasjes kapot, minder oppervlak
Obstructief: FEV laag, FVC normaal, FEV1/FVC laag –> iets blokkeert de luchtweg, lucht gaat er moeilijker in.

107
Q

Wat gebeurt er bij een blaas met een lage compliance?

A

Lage compliance = weinig elasticiteit in de blaas. Dit leidt ertoe dat de druk in de blaas tijdens de vulling te snel oploopt, terwijl normaal bij een volle blaas (400-500mL) de druk nauwelijks oploopt.

108
Q

Wat voor beeldvormend onderzoek kan je het beste gebruiken bij nierstenen?

A

CT-scan, er is geen contrast nodig voor nierstenen. MRI NIET bij nierstenen. CT geeft betere resolutie beelden dan echo.

109
Q

Welke receptoren reguleren de uitscheiding van Natrium? En welke de druk in de blaas? En welke de osmolariteit in het bloed? Welke sensoren meten de veranderingen in CO2/pH

A

Na uitscheiding: Baroreceptoren
Druk in de blaas = mechanoreceptoren
Osmolariteit bloed = osmosensoren
CO2/pH = centrale chemosensoren

110
Q

Welke van de onderstaande transporteiwitten die ATP verbruiken bevindt zich aan de basolaterale membraan in de tubuli van de nier?

A

Na/K ATPase

111
Q

Wat gebeurt het met de H+ moleculen die ontstaan bij de vorming van melkzuur?

A

De H+ moleculen verlaten het lichaam via de longen

112
Q

Wat gebeurt er met de uitscheiding van creatinine na het drinken van water?

A

Blijft gelijk, want het drinken van water heeft geen invloed op de GFR.

113
Q

Hoe kan chronische respiratoire acidose worden gecompenseerd?

A

Meer bicarbonaat reabsorptie, meer nieuw-carbonaat vorming en meer ammoniak excretie.

114
Q

Waardoor kan hyponatriëmie bij marathonlopers ontstaan?

A

Door afgifte van antidiuretisch hormoon (doordat ze aan het sporten zijn, maar tijdens de marathon drinken ze ook veel water?)

115
Q

Waar bevindt het kapsel van Bowman en uit wat voor soort cellen bestaat deze?

A

Kapsel van Bowman ligt om de glomerulus heen tussen de glomerulus en de tubuli en bestaat uit parietale epitheelcellen.

116
Q

Waar bevindt de glomerulaire basaalmembraan?

A

Tussen de endotheelcellen (bloedkant) en de podocyten (urinekant)

117
Q

Wat voor type cellen zijn podocyten?

A

Viscerale epitheel cellen

118
Q

Wat speelt een rol bij het ontstaan van tubulus necrose in het S3 segment van de proximale tubulus?

A

Er heerst een lage zuurstof spanning EN er wordt relatief veel ATP verbruikt. NIET de flow door de tubulus is daar laag

119
Q

Welke twee celtypen zorgen voor de verhoogde capaciteit van zuursecretie?

A

proximale tubulus cellen en de alfa intercalaircellen

120
Q

Via welk moleculair mechanisme verhogen deze cellen de capaciteit van zuursecretie?

A

Proximale tubulus cel: verhoogde productie van ammoniak uit glutamine, verhoogde inbouw transporters in de membraan. α-IC cel: incorporatie van meer protonpompen in de apicale membraan.

121
Q

Welke stof reguleert de water reabsorptie in de verzamelbuis van de nier?

A

Vasopressine/ADH

122
Q

Welke sensor regelt de concentratie van vasopressine/adh?

A

osmoreceptor

123
Q

Welke transporters of kanalen passeert een watermolecuul in de verzamelbuis?

A

Aquaporine 2 en daarna Aquaporine 3 of 4

124
Q

Welke conditie kan de DLCO verhogen?

A
  • inspanning kort voor de test
  • gemeten in liggende positie
  • patient heeft polycythemie (te veel rode bloedcellen)
125
Q

Welke spieren zijn actief tijdens een geforceerde expiratie?

A
  • de buikspieren
  • interne intercostaal spieren
126
Q

Wanneer stijgt de ventilatie/perfusie verhouding en wanneer daalt deze?

A

Stijgt bij problemen met het bloed: longembolieën en anemie. Wel ventilatie, geen perfusie –> dode ruimte ventilatie
Daalt: astma, longfibrose, pneumothorax en in aanwezigheid van een corpus alienum. minder ventilatie, wel perfusie –> shunt

127
Q

In welke vorm wordt het meeste perifeer geproduceerde CO2 naar de longen getransporteerd?

A

Als bicarbonaat in plasma

128
Q

Wat kan je terugzien in het ademlusje van een patient met een ernstig vernauwde luchtpijp?

A
  • toename van het oppervlak –> meer totale inademingsarbeid
  • positief worden van pleurale druk bij uitademen –> moet eigenlijk negatief worden?
  • verlaging van de alveolaire druk tijdens het inademen –>
    NIET afname van compliantie
129
Q

Welk membraan vormt de toegang tot de luchtweg bij een noodprocedure als een coniotomie?

A

membrana cricothyroidea

130
Q

Twee stellingen over steroïden die worden toegepast bij astma zijn:
1. ze moeten niet te snel door de lever worden afgebroken
2. ze moeten bij voorkeur even sterk aan de MR als aan de GR binden

A

Allebei zijn ONJUIST

131
Q

Welke informatie wordt verkregen door middel van een FENO (stikstofmonoxice in uitademingslucht) bepaling?

A

FENO is bij verhoogde waarde een indicatie voor allergische ‘eosinofiele’ luchtwegontsteking

132
Q

Waardoor neemt splay toe?

A

Door verlaagde tubulaire flowsnelheid en verminderde affiniteit van het geneesmiddel voor zijn transporter

133
Q

Wat voor radiologisch onderzoek voer je uit bij verdenking op vesico-uretherale reflux?

A

mictie cystogram

134
Q

Wat gebeurt er met de RBF en de GFR bij toename van de afferente vaatweerstand?

A

RBF = renal blood flow.
afname van de RBF en afname van de GFR –> soort van vasoconstrictie in de afferente arteriole

135
Q

Hoe verhoudt het intracellulaire volume zich tot het extracellulaire volume?

A

Het intracellulaire volume is tweemaal zo groot als het extracellulaire volume

136
Q

Wat zal er gebeuren met de selectiviteit van de glomerulaire filtratie barriere bij afwezigheid van Nephrine

A

Afname van grootteselectiviteit

137
Q

Welke verandering geeft verhoging van de plasma aldosteron-concentratie?

A

Volumedepletie = Aldosteron zorgt voor ENaC activatie –> meer Na reabsorptie –> water gaat mee
Hoog plasma ACTH = bijnierschorsstimulerend hormoon, aldosteron wordt geproduceerd in de bijnierschors
laag plasma K geeft GEEN verhoging van de aldosteron concentratie, want aldosteron zorgt juist voor K secretie

137
Q

Waar bevindt zich de overgang van arterieel naar veneus bloed in de nier?

A

Binnen de nier nadat het bloed de glomeruli is gepasseerd

138
Q

In welke delen van de hersenstam bevinden zich de ademhalingskernen?

A

Pons en medulla

139
Q

In welke volgorde neemt onder fysiologische condities het aandeel van deze stoffen in het bufferen van de urine toe?

A

bicarbonaat, fosfaat, ammonium

140
Q

Waarin verschillen de β-IC cellen van de α-IC cellen met betrekking tot de bij zuur secretie betrokken transporteurs?

A

1) Pendrin fungeert als Cl-/HCO3- exchanger in β-IC cellen in de α-IC cellen heeft kAE1 deze functie (1p).
2) De Cl-/HCO3- exchanger pendrin is apicaal gelokaliseerd en zorgt voor secretie van HCO3- in de urine (1p).
3) kAE1 zit basolateraal en secreteert HCO3- richting het bloed. (1p)
4) In de β-IC cellen zit de protonpomp basolateraal, in de α-IC cellen apicaal (1p).

141
Q

Wat is het gevolg van een patient die langzamer ademt dan normaal met een toegenomen teugvolume?

A

er is meer elastische arbeid nodig.

142
Q

Wat is het werkingsmechanisme van CO2 binden aan hemoglobine?

A

CO2 bindt aan de terminale aminogroepein in hemoglobine, waardoor de affiniteit voor O2 wordt verminderd.

143
Q

Waarom zorgt de remming van fosfodiesterase voor vasodilatie?

A

Het versterkt de upregulatie van cAMP door de beta2-adrenoreceptor.

144
Q

Wat gebeurt er met de osmotische waarde van de tubularie vloeistof gedurende de flow door de proximale tubulus?

A

Deze blijft nagenoeg constant en gelijk aan de osmotische waarde van plasma.

145
Q

Op welke plekken in de nier komt de grootste koolzuuranhydrase (CO2 omzetten naar bicarbonaat) activiteit voor?

A

Proximale tubulus en de verzamelbuis

146
Q

Door welke doorgang in het diaphragma loopt de n. vagus?

A

hiatus oesophageus

147
Q

Waar wijst een sterk verhoogde FEV1/FVC ratio op?

A

Patient heeft niet optimaal geblazen

148
Q

Welk fenotype astma is geassocieerd met een geprotaheerd verloop?

A

Geprotaheerd = langdurig.
Dus: verschijnselen van atopie

149
Q

Wat zijn neurologische complicaties van acute hyponatriemie en wat is de behandeling daarvoor?

A

Hersenoedeem
Behandeling: hypertoon infuus (bolus 3% NaCl)

150
Q

Wat zijn neurologische complicaties van chronische hyponatriemie en wat is de behandeling daarvoor?

A

Osmotische demyelinisatie (ontstaat door te snelle correctie chronische hyponatriemie)
Behandeling: hypotoon infuus (waterbeperking, ureum, lisdiuretica)