Week 3 Responsiebijeenkomst Flashcards

1
Q

Isoprenaline

A

Bèta-receptor agonist

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Atropine

A

Muscarinereceptor antagonist

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Fysostigmine

A

Acetylcholinesterase remmer

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Fenylefrine

A

Alfa-receptor agonist

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Fentolamine

A

Alfa-receptor antagonsit

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Propranolol

A

Bèta-receptor antagonist

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Laag circulerend volume –>

A

Hartfrequentie stijgt

  1. Minder bloed komt aan in hart
  2. Mindere uitrekking van het hart
  3. Baroreceptoren worden minder geactiveerd
  4. Parasympathicus minder actief en sympathicus actiever als gevolg van de baroreceptorreflex
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Als circulerend volume hoger is –>

A

Meer uitrekking –> myosine en actine kunnen beter over elkaar –> meer kracht –> groter slagvolume –> groter hartminuutvolume

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Bainbridge reflex

A

B-vezels worden actief –> HF stijgt

- Als er heel hoog circulerend volume is

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Slagvolume blijft op een gegeven moment gelijk bij …

A

Stijgend circulerend volume

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly