Hoorcollege 4: de onderste extremiteiten Flashcards Preview

Anatomie module 8 > Hoorcollege 4: de onderste extremiteiten > Flashcards

Flashcards in Hoorcollege 4: de onderste extremiteiten Deck (29)
Loading flashcards...
1
Q

Waarvoor zijn de onderste extremiteiten gebouwd?

A

ten behoeve van stabiliteit; maakt dat we stabiel kunnen staan en gecontroleerd kunnen bewegen.

2
Q

Waarin is het lichaam te verdelen?

A

het axiale skelet (romp & schedel) en het appendiculaire skelet (de vier extremiteiten)

3
Q

Wat is een synoviaal gewricht?

A

opgebouwd uit twee of meer botstukken; daar waar de botten met elkaar in contact komen is het bot bedekt met hyalien kraakbeen; de gewrichtsholte wordt afgesloten door een gewrichtskapsel bestaande uit twee lagen: een fibreuze buitenlaag (bepaalt de stevigheid van het kapsel) & een sereuze binnenste laag waar de synoviale vloeistof wordt geproduceerd,

4
Q

Waar worden de stevigheid en stabiliteit van een (synoviaal) gewricht door bepaald?

A

door een pakket ligamenten en spieren + pezen. De ligamenten zorgen voor de passieve stabiliteit, terwijl de spieren en pezen naast de actieve stabiliteit ook maken dat de beweging van botstukken ten opzichte van elkaar mogelijk is.

Daarnaast hebben sommige synoviale gewrichten nog een discus of meniscus, deze kunnen de contactoppervlakten veranderen wanneer deze niet goed op elkaar passen en werken als schokdemper.

5
Q

Door welke factoren wordt bepaald welke bewegingen mogelijk zijn in een gewricht? (4)

A
  • Vorm gewrichtsvlakken en botten (kogelgewricht geeft meer beweging dan scharniergewricht).
  • Strakheid kapsel en ligamenten, korte ligamenten staan minder beweging toe dan losse ligamenten.
  • Hoeveelheid en oriëntatie spieren en pezen.
  • Aanwezigheid discus en meniscus (veranderen vorm gewrichtsvlak)
6
Q

Wat kun je vertellen over het heupgewricht?

A

bestaat uit twee botstukken: het femur en het bekken; de femurkop draait in het acetabulum; kop en kom zijn beide bedekt met goede laag hyalien kraakbeen; de rand van de kom wordt nog extra groter gemaakt met vezelig kraakbeen, het labrum. Ook hier bestaat het gewrichtskapsel uit de buitenste fibreuze laag en de binnenste sereuze laag welke synoviale vloeistof produceert.

Het gewricht wordt omgeven door zeer stevige ligamenten, op de femurkop bevindt zich nog een bijzonder ligament welke zorgt voor de doorbloeding van de femurkop. Het sterke ligamentenpakket bevindt zich rondom het heupgewricht.

7
Q

Wat voor type gewricht is het heupgewricht en welke bewegingsassen kunnen hierin getekend worden?

A

kogelgewricht; kunnen drie bewegingsassen in getekend worden. Namelijk de frontale as voor flexie en extensie, de saggitale as voor ad- en abducie en de longitudinale as voor endo- en exorotatie.

Ligamenten van het gewrichtskapsel bieden goede passieve stabiliteit door het beperken van beweging in bepaalde richtingen, zo is er bijvoorbeeld meer flexie dan extensie mogelijk.

8
Q

Wat kun je vertellen over het kniegewricht?

A

het kniegewricht is opgebouwd uit drie botstukken: het femur, de tibia en de patella (knieschijf). De patella ligt in de pees van de musculus quadriceps. Ook hier zijn de gewrichtsoppervlakken bekleed met hyalien kraakbeen.

Tussen het femur en de tibia bevinden zich twee menisci, één lateraal en één mediaal op het tibia plateau gelegen. Ook hier een zelfde gewrichtskapsel die de gewrichtsholte afsluit met fibreuze en sereuze laag, merk op dat de gewrichtsholte doorloopt tot boven de patella

9
Q

Wat kun je vertellen over de menisci die in het kniegewricht liggen?

A

de menisci zorgen ervoor dat de ronde femur koppen beter passen op het vlakke tibia plateau. Mediaal en lateraal lopen de collaterale banden die het gewricht aan de zijkanten verstevigen. De mediale collaterale band is verbonden met de mediale meniscus. Binnen in het gewricht zitten de kruisbanden, een voorste en een achterste kruisband, die een voor en achterwaartse translatie van het femur ten opzichte van de tibia tegengaan.

10
Q

Wat is er met het gewrichtskapsel van het kniegewricht aan de hand?

A

het met synovium gevulde kapsel loopt aan de ventrale zijde naar craniaal door en dient als slijmbeurs voor de pattela.

11
Q

Waar zitten de kruisbanden aangehecht?

A

voor op het tibia zit de voorste kruisband aangehecht en ontspringend uit het mediale condiel van het femur: de achterste kruisband welke aanhecht op het achterste plateau van de tibia.

12
Q

Hoe wordt de mediale collaterale band ook wel genoemd, wat is hier bijzonder aan?

A

Mediale collaterale band wordt ook wel ligamentum collaterale tibiale genoemd, deze is nauw verbonden met de mediale meniscus.

13
Q

Wat is het verschil tussen de mediale en laterale meniscus in het kniegewricht?

A

De laterale meniscus is bijna O-vormig, niet verbonden met de laterale collaterale band en zal daardoor bij het buigen van de knie verplaatsen over het tibia plateau. De mediale meniscus is meer C-vormig en verbonden met de mediale collaterale band waardoor deze meniscus nauwelijks beweegbaar is.

14
Q

Uit welke gewrichten bestaat het enkelgewricht?

A

het onderste en bovenste spronggewricht. Het bovenste spronggewricht wordt gevormd door de tibia, fibula en talus. Het onderste spronggewricht wordt weer opgedeeld in twee delen: het achterste onderste spronggewricht bestaat uit talus en calcaneus, het voorste onderste spronggewricht ligt tussen de talus en het naviculare.

15
Q

Welke as kun je tekenen door het bovenste spronggewricht?

A

een frontale as, hier is rondom flexie en extensie mogelijk, echter spreken we in de enkel van plantair- /dorsaalflexie. Bij plantair gaan de tenen en voetzool richting de vloer, bij dorsaal worden tenen en voetzool van de grond geheven.

16
Q

Welke bewegingen zijn mogelijk in het onderste spronggewricht

A

In het onderste spronggewricht zijn eversie en inversie mogelijk. Inversie is de beweging van de voetzool naar mediaal, eversie is de beweging van de voetzool naar lateraal.

17
Q

Wat zit direct om een spiergroep heen?

A

een bindweefsellaag, de fascie

18
Q

Wat is het septum intramusculaire?

A

een scheidingsschot tussen twee spieren welke van de fascie naar het bot loopt.

19
Q

Wat is het membrana interrosea?

A

een scheidingsschot tussen spieren welke van bot naar bot loopt.

20
Q

Wat is een loge?

A

een groep spieren met globaal dezelfde functie welke gescheiden is van een andere loge door het septum of membrana. Zowel onder- als bovenbeen spieren zijn ingedeeld op loges gerelateerd aan hun functie.

21
Q

Hoeveel loges bevinden zich in het bovenbeen?

A

in het bovenbeen zijn er drie loges: ventraal, dorsaal en mediaal. Botstuk in het midden is het femur.

22
Q

Wat kun je vertellen over de ventrale loge in het bovenbeen?

A

De belangrijkste en grote spier hier is de quadriceps, deze heeft vier koppen. De drie vaste spieren hebben hun oorsprong op het femur, de rectus spier heeft zijn oorsprong op het bekken. De vier delen van de quadriceps hebben één gemeenschappelijke pees, deze loopt ventraal over de knie en bevat de pattella en hecht vervolgens aan op de tibia.

De belangrijkste functie van de quadriceps is extensie van de knie. De rectus femoris draagt ook bij aan de flexie in de heup. Aanspanning van deze spier leidt tot zowel flexie als exorotatie van de heup als ook voor flexie in de knie.

Deze ventrale groep bevat dus de strekkers van de knie en wordt daarom ook wel de extensoren loge genoemd. M. Sartorius is hier een uitzondering en verzorgt juist flexie van de knie.

23
Q

Wat kun je vertellen over de dorsale groep van het bovenbeen?

A

ook wel hamstrings genoemd. Ze ontspringen bijna allemaal van het zitbotje op het bekken (tuber ischiadicum) en eindigen op het onderbeen. Hierdoor zijn ze bi-articulair, dit betekent dat ze over twee gewrichten lopen en dus twee gewrichten kunnen laten bewegen. In dit geval extensie van het heupgewricht en flexie van de knie.

De spieren die mediaal op de tibia aanhechten zijn de M. semitendinosus en M. semimembranosus. De spier die lateraal op de tibia aanhecht is de M. biceps femoris. Deze laatste heeft twee koppen, de korte kop heeft zijn oorsprong op het femur.

24
Q

Wat kun je vertellen over de mediale groep in het bovenbeen?

A

De oorsprong van deze spieren liggen op het Os pubis en hun insertie op de mediale zijde van het femur. Aanspanning van deze spieren zorgt voor de adductie van het bovenbeen.

Door de functie van deze spiergroep worden ze ook wel de adductoren genoemd. De m. gracilis is de enige bi-articulaire spier in deze groep en veroorzaakt door de insertie op de tibia ook flexie in de knie.

25
Q

Wat kun je vertellen over de ventrale groep in het onderbeen?

A

wordt gevormd door de extensoren van de enkel en de tenen. Maar zoals eerder vermeld spreken we in de enkel niet van extensie maar van dorsie flexie, ze buigen namelijk de enkel in de richting van de voetrug, ze trekken de tenen en voet dus op.

De M. tibialis anterior is de belangrijkste spier voor de dorsie flexie. De M. extensor hallicus en digitorum zorgen voor het strekken van de tenen.

26
Q

Wat kun je vertellen over de oppervlakkige dorsale groep van het onderbeen?

A

Net als in het bovenbeen liggen aan de dorsale kant de flexoren, ofwel de plantaire flexoren van de enkel. Het oppervlakkige compartiment wordt gevormd door de spieren die de kuit haar vorm geven, de M. gastrocnemius en soleus. Beide spieren hechten op de hak doormiddel van de achilles pees. De gastrocnemius is een bi articulaire spier met zijn oorsprong op het femur. De kleine spier met de hele lange pees op het plaatje is de M. plantaris.

27
Q

Wat kun je vertellen over de diepere dorsale groep van het onderbeen?

A

Wanneer je het oppervlakkige dorsale compartiment verwijderd krijg je zicht op de diepe dorsale spieren, deze lopen vanaf de tibia en fibula naar de voet. De pezen van deze spieren passeren de enkel aan mediale zijde. De M. tibialis posterior hecht onder de voet aan en is de belangrijkste invertor van de voet. De pezen van de flexor digitorum en flexor hallicus lopen door tot aan de teenkootjes.

Deze spiergroep zorgt door het lopen van de pezen langs de mediale zijde van de enkel dus voor inversie van de enkel. De M. hallicus zorgt voor het buigen van de grote teen, de digitorum voor het buigen van de andere tenen.

28
Q

Wat kun je vertellen over de laterale loge in het onderbeen?

A

De oorsprong van deze spieren ligt op de fibula. Door het verloop van de pezen van de spieren langs de laterale zijde van de enkel zorgen zij voor eversie van de voet. Wordt de peroneus groep genoemd, maar wordt ook wel is fibularis groep genoemd. Het zijn dus spieren die voor eversie zorgen, en dragen ook bij aan planetaire flexie.

29
Q

Wat loopt er door de voet?

A

Onder de voetrug lopen de extensoren (dorsiflexoren) ofwel de pezen van de spieren uit de ventrale loge. Boven de voetpalm de pezen van de spieren uit de dorsale loge, met ook weer intrinsieke voetspieren.