Les 1 Flashcards Preview

Bedrijfseconomie 2e bach 1e sem > Les 1 > Flashcards

Flashcards in Les 1 Deck (36)
Loading flashcards...
1
Q

wat is bedrijfseconomie (2)

A

de wetenschap die de keuzeproblemen van organisaties bestudeert + het raakvlak tussen bedrijfskunde en economie

2
Q

welke 3 bedrijfsactiviteiten kan een onderneming uitoefenen

A

industriële ondernemingen

handelsondernemingen of distributeurs

dienstenondernemingen

3
Q

geef uitleg bij de industriële ondernemingen + vb.

A

productie van tastbare, fysische producten bv. BASF

4
Q

geef uitleg bij de handelsondernemingen + vb.

A

verhandelen van fysieke producten bv. colruyt

5
Q

geef uitleg bij de dienstenondernemingen + vb.

A

creatie van ontastbare outputs bv. SWECO

6
Q

geef het schema van welke keuzeproblemen een bedrijf heeft

A
7
Q

welke 4 dingen horen er bij input van middelen bij het schema van de keuzeproblemen van een bedrijf + vb.

A
  • Mensen (beschikbare arbeid)
  • Kapitaal (geld, machines, …)
  • Natuurlijke hulpbronnen (duurzame energiebronnen)
  • Ondernemingsactiviteit & kennis (collectieve wijsheid in een organisatie)
8
Q

als voorbeeld bij de landbouwproductie, welke input hoort waar: ‘Landbouwer (1) ploegt zijn land (2) met zijn tractor en ploeg (3), de landbouwer zaait in het voorjaar, en oogst in het najaar en zorgt voor extra bemesting (4)’

A

1: arbeid
2: natuur
3: kapitaal
4: kennis/ondernemerschap

9
Q

welke 2 outputs kan een bedrijf produceren

A

producenten (industriële onderneming, secundaire sector)

dienstverleners (tertiaire sector)

10
Q

geef uitleg bij de producenten output van een bedrijf + vb.

A

kapitaalintensief bv. fabricage van lucht

11
Q

geef uitleg bij de dienstverleners output van een bedrijf + vb.

A

arbeidsintensief bv. transportbedrijven in dienst van een industriële omgeving

12
Q

wat is het doel van een bedrijf + gevolg

A

waardecreatie voor klanten/consumenten/doelgroepen (behoeften van de klanten bevredigen) + winst voor het bedrijf

13
Q

wat betekent de K, P & W hier + de 1 en 2

A

K = kost

P = prijs

W = waarde

1 = P-K = marge

2 = W-P = surplus voor klant

14
Q

leg de K beter uit in het KPW-denkkader

A

K = kosten die de onderneming moet maken om de klantenwaarde te genereren

15
Q

leg de P beter uit in het KPW-denkkader

A

P = de prijs die de onderneming krijgt voor de geleverde klantenwaarde

16
Q

leg de W beter uit in het KPW-denkkader

A

W = de klantenwaarde die de onderneming aan de hand van een probleemoplossing creëert (= de maximale prijs die de klanten bereid zijn te betalen)

17
Q

leg de P-K beter uit in het KPW-denkkader

A

P-K = de (winst)marge van de onderneming

18
Q

leg de W-P beter uit in het KPW-denkkader

A

W-P = het surplus voor de klant (het deel van de klantenwaarde waarvoor de klant niet hoeft te betalen)

19
Q

geef de grafiek met ‘vergelijkingen met concurrenten’ op de x- as en ‘klantenverwachtingen’ op de y-as en benoem de delen + waar de superieure klantenwaarde is

A
20
Q

op welke 3 manieren kan je als bedrijf aan de waardecreatie van je klanten bijdragen

A
21
Q

waarom is de klantenwaarde zo belangrijk + 3 voorbeelden

A

opbouwen van markt-gerelateerde activa, want die leiden tot financiële waarde + marktreputatie, installed base, partnerrelaties

22
Q

geef 4 voorbeelden aan wat de creatie van waarde kan afhangen

A
23
Q

wat is het verschil tussen een micro- en macro-economie

A
24
Q

wat zijn 3 rollen dat de overheid heeft in een vrijemarkt systeem

A
25
Q

hoe gaat de overheid de concurrentie bevorderen

A

door een antikartelwetgeving toe te passen

26
Q

wat is het doel van regulering en deregulering bij de overheid

A
27
Q

hoe kan de overheid de economische stabiliteit bevorderen (2)

A

het monetair beleid

het fiscaal beleid

28
Q

welke 4 instrumenten gebruikt de ECB om de geldhoeveelheid te beïnvloeden

A

het veranderen van verplichte reserves

het veranderen van de rentevoet

valutatransacties in de open markt

selectieve kredietbeheersing

29
Q

wanneer wordt er gesproken van schaalvoordelen

A

wanneer de gemiddelde kosten dalen met stijgende output

30
Q

wanneer wordt er gesproken over constante schaalopbrengsten

A

wanneer de gemiddelde kosten constant blijven t.o.v. veranderingen in de output

31
Q

wanneer wordt er gesproken van schaalnadelen

A

wanneer de gemiddelde kost stijgt met stijgende output

32
Q

bij de economies of scale, wat zijn vaste en variabele kosten

A
33
Q

wat is dat laagste punt op deze grafiek

A
34
Q

wat is inflatie en deflatie

A

geleidelijke stijging (of daling) van de prijzen van goederen en diensten

35
Q

wat is de consumentenprijsindex

A

het ‘mandje’ goederen en diensten dat een gemiddeld huishouden koopt, wordt gebruikt om prijsontwikkelingen te berekenen

36
Q

verschil BBP en BNP

A