Basis Frans 6 Flashcards
(73 cards)
0
Q
Het is verboden te roken
A
C’est interdit de fumer
1
Q
Wat zei u?
A
Qu’est-ce que vous avez dit?
2
Q
Ik kom van Calais
A
Je viens de Calais
3
Q
We hebben de zon niet veel gezien
A
Nous n’avons pas beaucoup vu le soleil
4
Q
De bushalte
A
L’arrêt du bus
5
Q
Het vliegveld
A
L’aeroport
6
Q
Vertrekken
A
Partir
7
Q
Hij weet
A
Il sait
8
Q
Nooit
A
Jamais
9
Q
Ze zeggen/gezegd
A
Ils disent/dit
10
Q
De mensen
A
Les gens
11
Q
Ze wachten/gewacht
A
Ils attendent/attendu
12
Q
Ze telefoneren
A
Ils téléphonent
13
Q
De moeder
A
La mère
14
Q
Hen
A
Leur
15
Q
Ze geeft
A
Elle donne
16
Q
Ik weet
A
Je sais
17
Q
Met kerstmis
A
À Noel
18
Q
In de sneeuw
A
À la neige
19
Q
Een boot
A
Un bateau
20
Q
Hier is
A
Voici
21
Q
Prachtig
A
Merveilleux, merveilleuse
22
Q
We kennen
A
Nous connaissons
23
Q
Het jaar
A
L’année
24
Komen
Venir
25
Geven, gegeven
Donner, donné
26
Ik zie, gezien
Je vois, vu
27
Vaak
Souvent
28
Tijdens
Pendant
29
Het meisje
La fille
30
De flat
L'appartement
31
Wij schrijven, geschreven
Nous écrivons, écrit
32
Bij vrienden
Chez des amis
33
Wacht!
Attends!, attendez!
34
Ik kan niet wachten
Je ne peux pas attendre
35
Kunt u komen?
Pouvez-vous venir?
36
Hij heeft hun het nummer gegeven
Il leur a donné le numéro
37
Deze is voor hem
Celui-ci est pour lui
38
Kunt u me... geven?
Pouvez-vous me donner...?
39
Ik hou daar niet van
Je n'aime pas ça
40
Wat heeft hij gezegd?
Qu'est-ce qu'il a dit?
41
Een week met kerstmis met mij
Une semaine à Noël chez moi
42
Onze vakantie is voorbij
Nos vacances sont terminées
43
Ik heb het/hem niet gezien
Je ne l'ai pas vu
44
Het vliegveld
L'aeroport
45
Vertrekken
Partir
46
Hij weet
Il sait
47
Nooit
Jamais
48
Ze zeggen/gezegd
Ils disent/dit
49
De mensen
Les gens
50
Ze wachten/gewacht
Ils attendent/attendu
51
Ze telefoneren
Ils téléphonent
52
De moeder
La mère
53
Hen
Leur
54
Ze geeft
Elle donne
55
Ik weet
Je sais
56
Met kerstmis
À Noel
57
In de sneeuw
À la neige
58
Een boot
Un bateau
59
Hier is
Voici
60
Prachtig
Merveilleux, merveilleuse
61
We kennen
Nous connaissons
62
Het jaar
L'année
63
Komen
Venir
64
Geven, gegeven
Donner, donné
65
Ik zie, gezien
Je vois, vu
66
Vaak
Souvent
67
Tijdens
Pendant
68
Het meisje
La fille
69
De flat
L'appartement
70
Wij schrijven, geschreven
Nous écrivons, écrit
71
Bij vrienden
Chez des amis
72
Wacht!
Attends!, attendez!