H10; Problemen oplossen; redenering en intelligentie Flashcards

1
Q

Redenering en intelligentie

A

Onze herinnering aan het verleden is nuttig in die mate dat het ons helpt het heden en de toekomst te begrijpen en er adaptief mee om te gaan. De processen waarmee we onze herinneringen op deze adaptieve manieren gebruiken, worden redenering genoemd en ons algemene vermogen om te redeneren is intelligentie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Twee soorten redeneringen die expliciet afhankelijk zijn van het identificeren van overeenkomsten

A

Analogisch redeneren en inductief redeneren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Analogie

A

Verwijst in de psychologie naar een overeenkomst in gedrag, functie of relatie tussen entiteiten of situaties die in andere opzichten, zoals in hun fysieke samenstelling, behoorlijk van elkaar verschillen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat is enig bewijs betreffende het nut van analogieën in wetenschappelijk redeneren?

A

Het vaak beter te kunnen begrijpen en te verklaren van natuurlijke verschijnselen door te denken aan analogieën met andere verschijnselen die beter worden begrepen.

Analytisch denken biedt wetenschappers alleen analogieën om hun begrip van de natuurlijke wereld te ondersteunen, maar wordt ook geassocieerd met een meer sceptische, wetenschappelijke kijk op de wereld in het algemeen, zelfs voor niet- wetenschappers. Onderzoekers hebben bijvoorbeeld aangetoond dat mensen die meer analytisch denken, sceptischer zijn over religieuze, paranormale en samenzweerderige theorieën dan degenen die minder geneigd zijn tot dergelijk denken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Hoe zijn analogieën nuttig bij gerechtelijk en politiek redeneren? Wat onderscheidt een bruikbare analogie van een misleidende?

A

We redeneren over nieuwe of gecompliceerde problemen grotendeels door ze te vergelijken met meer bekende of minder gecompliceerde problemen, waarbij het antwoord duidelijker lijkt. Een dergelijke redenering is nuttig in de mate dat de structurele relaties in de analogie waar zijn; het is in zoverre misleidend dat die relaties niet kloppen. Goede redeneerders zijn degenen die gemakkelijk de structurele relaties tussen de ene soort gebeurtenis en de andere zien, waardoor ze kunnen bepalen wanneer een analogie waar is en wanneer en hoe deze wordt afgebroken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Raven’s progressive matrices test

A

Wordt door psychologen vaak gebruikt als een meetinstrument voor fluid intelligence. Uit de patronen van de eerste twee rijen moet de deelnemer de regel vinden waarmee ook de derde rij kan worden opgelost.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Experiment Keith Holyoak (1984)

A

Kinderen moesten knikkers in een pot stoppen zonder op te staan, de pot stond buiten bereik. Kinderen die voorafgaand een verhaal hoorden over een gelijkaardig probleem wat opgelost werd, scoorden beter door de gevonden gelijkenis te gebruiken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat is inductief redeneren en waarom wordt het ook wel hypotheseconstructie genoemd?

A

Inductief redeneren, of inductie, is de poging om een nieuw principe of nieuwe propositie af te leiden uit observaties of feiten die als aanwijzingen dienen. Inductie wordt ook wel hypotheseconstructie genoemd, omdat de afgeleide propositie op zijn best een gefundeerde schatting is en geen noodzakelijke conclusie uit het beschikbare bewijsmateriaal.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Waarom is redenering naar analogie inductief?

A

In feite is inductief redeneren in het algemeen een redenering die is gebaseerd op waargenomen analogieën of andere overeenkomsten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Welke soorten valse gevolgtrekkingen zijn waarschijnlijk het gevolg van vertekening van de beschikbaarheid?

A

De availability bias is misschien wel de meest voor de hand liggende bias bij inductief redeneren. Als we redeneren, hebben we de neiging om te sterk te vertrouwen op informatie die direct voor ons beschikbaar is en om informatie te negeren die minder beschikbaar is.

Bij de availability bias heb je dus de neiging om te denken dat dingen/gebeurtenissen die je snel kunt voorstellen, ook daadwerkelijk vaker voorkomen.

Je gebruikt informatie die snel en gemakkelijk in je opkomt bij het nemen van die beslissing. En als je snel meerdere voorbeelden kunt bedenken van iets wat gebeurd is, zul je geloven dat het vaker voorkomt en soortgelijke dingen in de toekomst overschatten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Op welke twee verschillende manieren hebben onderzoekers de voorkeur voor bevestiging (confirmation bias) aangetoond?

A

Peter Wason (1960) betrok proefpersonen in een spel waarin het doel was om de regel van de experimentator voor het rangschikken van getallen te ontdekken. Wason ontdekte dat proefpersonen er overweldigend voor kozen om sequenties te genereren die consistent waren met, in plaats van inconsistent met, hun huidige hypothesen en al snel kregen ze het vertrouwen dat hun hypothesen correct waren, zelfs als dat niet het geval was.

In andere experimenten die een voorkeur voor bevestiging aantoonden, werd proefpersonen gevraagd om een andere persoon te interviewen om iets over de persoonlijkheid van die persoon te ontdekken.Deze vooringenomenheid, in combinatie met de natuurlijke neiging van de geïnterviewden om al dergelijke vragen bevestigend te beantwoorden, gaf de meeste proefpersonen vertrouwen in de oorspronkelijke hypothese, ongeacht welke hypothese dat was of wie ze hadden geïnterviewd. Een interessante en enigszins verrassende bevinding over de voorkeur voor bevestiging is dat deze geen verband houdt met intelligentie. Mensen met een hoog IQ lopen net zo goed ten prooi aan de vooringenomenheid als mensen met een lager IQ.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Confirmation bias (voorkeur voor bevestiging) of myside bias

A

De meest geloofwaardige hypothesen zijn die welke de sterkste pogingen om ze te weerleggen overleven. Desalniettemin geeft onderzoek aan dat de natuurlijke neiging van mensen is om te proberen hun huidige hypothesen te bevestigen in plaats van te ontkrachten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Predictable-world bias

A

We zijn zodanig vooringesteld om orde te vinden in onze wereld dat we geneigd zijn orde te zien of te anticiperen, zelfs wanneer het niet bestaat, bvb bij gokken. Het is dus de neiging om inductief te redeneren zelfs in situaties waarin dit compleet nutteloos is aangezien de relatie die je in vraag stelt volstrekt random is.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Maximizing

A

Strategie van gokken waarbij je steeds inzet op de beste outcome (bvb 4/6 vlakken van een dobbelsteen zijn rood, 2/6 blauw. Door steeds op rood te gokken, ben je op lange termijn wellicht zeker van een 4/6 winst)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Matching

A

Gokken afstemmen op de waarschijnlijkheid van rood/blauw worpen. Dus: 4/6 rood gokken en 2/6 blauw. Het resultaat op lange termijn is een lagere opbrengst!

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

We redeneren grotendeels door overeenkomsten tussen nieuwe en bekende gebeurtenissen waar te nemen. Noem de analogieën die de basis vormen voor redenering.

A

▪ Analogieën zijn overeenkomsten in gedrag, functies of relaties in anderszins verschillende entiteiten of situaties.
▪ Zowel wetenschappers als niet-wetenschappers gebruiken vaak analogieën om waarnemingen te begrijpen en te genereren nieuwe hypothesen.
▪ Analogieën worden vaak gebruikt bij juridische en politieke overreding.
▪ Analoog denken omvat meerdere delen van de prefrontale cortex, met uitgebreide oefening waarbij analogieën worden
gebruikt die de hersenstructuur veranderen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

We redeneren grotendeels door overeenkomsten tussen nieuwe en bekende gebeurtenissen waar te nemen. Wat is inductief redeneren en welke bias(es) zijn er?

A

▪ Bij inductief redeneren, of hypotheseconstructie, wordt een nieuw principe of een nieuwe propositie afgeleid op basis van specifieke waarnemingen of feiten. We zijn over het algemeen goed in inductief redeneren, maar zijn vatbaar voor bepaalde vooroordelen.
▪ Echt wetenschappelijk redeneren is een vorm van inductief redeneren.
▪ De beschikbaarheidsbias is onze neiging om te veel gewicht te geven aan informatie die gemakkelijker in ons opkomt dan aan
andere relevante informatie.
▪ De bevestigingsbias leidt ertoe dat we proberen onze huidige hypothese te bevestigen in plaats van te ontkennen.
Logischerwijs kan een hypothese niet worden bewezen, alleen weerlegd.
▪ De voorspelbare wereld-bias leidt ertoe dat we tot voorspellingen komen door middel van inductie, zelfs wanneer
gebeurtenissen werkelijk willekeurig zijn.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Hoe verschilt deductief redeneren van inductief redeneren?

A

Deductief redeneren, of deductie, is de poging om logisch de consequenties af te leiden die waar moeten zijn als bepaalde premissen als waar worden geaccepteerd. Terwijl inductief redeneren beredeneerd giswerk is, is deductief redeneren (indien correct gedaan) een logisch bewijs, ervan uitgaande dat de premissen echt waar zijn.

Ook bij deducties is het opletten voor bias! Vaak wordt kennis i.p.v. logica gebruikt! Dit kan ook gezien worden als een bias om eerder inductief dan deductief te denken. Onze natuurlijke neiging is te redeneren door het vergelijken van de huidige informatie met onze vroegere ervaringen, hetgeen meestal nuttig is.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Series problem

A

Probleem waarbij je items moet groeperen in series op basis van een groep vergelijkingsuitspraken en vervolgens tot een conclusie moet komen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Syllogisme

A

Een logische redenering waaruit een conclusie wordt afgeleid. Een syllogisme biedt een hoofdstelling en een kleinere stelling aan, die mentaal gecombineerd moeten worden om uit te maken of een bepaalde conclusie waar, onwaar of onbepaald is.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Wat is het bewijs dat de neiging om te vertrouwen op kennis uit de echte wereld ons vermogen tot deductief redeneren kan overweldigen?

A

De neiging om kennis te gebruiken in plaats van formele logica bij het beantwoorden van deductieve redeneervragen kan worden opgevat als een neiging om inductief te denken in plaats van deductief. Onze natuurlijke neiging is om te redeneren door de huidige informatie te vergelijken met onze eerdere ervaring, en buiten het wiskundelokaal of psychologie-experiment met logica komt die neiging ons over het algemeen goed van pas. Een deel van de vaardigheid bij het oplossen van problemen die in tegenspraak zijn met onze kennis die is opgedaan met eerdere ervaringen, ligt in ons vermogen of onze bereidheid om die kennis te onderdrukken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Deontische redenering

A

Redeneren over wat iemand zou, zou moeten of zou moeten doen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Inzichtproblemen (insight problem)

A

Problemen die moeilijk op te lossen lijken tot je ze vanuit een ander perspectief bekijkt. Hiervoor moet je afstappen van je ‘mental set’ en het probleem op een andere manier bekijken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Mental set

A

Een gevestigde gewoonte van waarneming of denken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Q

Functionele standvastigheid (functional fixedness)

A

Het onvermogen om een objects te zien als een andere functie dan de gebruikelijke. (Denk aan lepel-kleuters)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
26
Q

In hoeverre is de ontwerphouding (designstance) met betrekking tot gereedschappen een beperking van de menselijke cognitie of een aanpassing?

A

Gezien de centrale rol van hulpmiddelen in het menselijk leven en gedurende de menselijke evolutie, kan functionele standvastigheid met betrekking tot gereedschappen een aanpassing zijn.

Zodra een tool is uitgevonden en gebruikt voor een specifiek doel, ontwikkelt het een speciale status. Weten waarvoor een tool “voor” is en het uitsluitend voor dat doel gebruiken, levert de gebruiker meer efficiëntie op, hoewel dit ten koste gaat van enige flexibiliteit.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
27
Q

Welk bewijs suggereert dat het oplossen van inzichtsproblemen kwalitatief anders is dan deductief redeneren?

A

Een onderzoek toonde aan dat het vermogen van mensen om inzichtsproblemen op te lossen, maar niet hun vermogen om syllogismen op te lossen, positief correleerde met hun creativiteit, gemeten aan de hand van hun vermogen om slimme titels voor grappen te bedenken. Een andere studie vond dat werkgeheugencapaciteit, die positief correleert met het vermogen om deductief redeneerproblemen op te lossen, helemaal niet correleerde met het vermogen om inzicht te verwerven in inzichtproblemen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
28
Q

Hoe kan mentale priming een rol spelen bij het verkrijgen van inzicht?

A

Hoewel de mechanismen die betrokken zijn bij het leren van inzichten “mysterieus” blijven, is een van de mechanismen die waarschijnlijk bij inzicht betrokken zijn, onbewuste priming.

Priming verwijst naar de activering van een mentaal concept tot een niveau dat het bewustzijn niet bereikt, maar dat maakt dat concept niettemin meer beschikbaar voor het vormen van verbindingen met andere concepten. Tijdens een incubatieperiode kunnen alle elementaire concepten die verband houden met een onopgelost probleem blijven bestaan, ook al denkt de persoon er niet bewust over na. Terwijl de persoon bezig is met andere activiteiten en over andere dingen nadenkt, kunnen sommige van die geprimede concepten nieuwe associaties vormen, en uiteindelijk kan een nieuwe associatie een oplossing creëren.

29
Q

Incubatie tijd

A

De veronderstelling is dat de persoon tijdens de incubatie onbewust de stof met betrekking tot het probleem reorganiseert terwijl hij bewust bezig is met en nadenkt over andere dingen. Incubatie lijkt inzicht te vergemakkelijken, maar lijkt niet te helpen bij deductie.

30
Q

Welk bewijs suggereert dat geluk of speelsheid helpt bij het oplossen van inzichtsproblemen?

A

Broaden and build theory van Barabara Frederickson (2001,2006)

Mensen die zich goed of speels voelen, zijn sterker in het oplossen van insight problems. Negatieve gevoelens zoals angst en boosheid vernauwen iemand’s perceptie en gedachten. Ook dit kan een adaptie zijn: wanneer men in nood verkeert, is het niet het moment voor het testen van nieuwe creatieve ideeën.

31
Q

Hoe verschillen positieve emoties van negatieve emoties in hun effecten op perceptie en denken, volgens de “verbreed-en-bouwen” - theorie?

(Broaden and build theory)

A

Negatieve emoties, zoals angst en woede, hebben de neiging om de focus van waarneming en denken te verkleinen. Die emoties leiden ertoe dat mensen zich alleen op het specifieke concentreren emotie-opwekkende objecten en alleen te denken aan routinematige, goed aangeleerde manieren van reageren. Een dergelijke vernauwing adaptief zijn.

Volgens Fredrickson, verbreden positieve emoties - zoals vreugde en interesse - iemands waarneming en denken en vergroten ze de creativiteit. Vanuit een evolutionair perspectief is het opbouwen van ideeën en kennis tijdens periodes van veiligheid en geluk adaptief; die ideeën kunnen nuttig blijken te zijn om in toekomstige behoeften te voorzien of toekomstige noodsituaties te voorkomen.

Spelen is een tijd waarin mensen objecten en informatie regelmatig op nieuwe manieren bekijken. In het spel staat men ervoor open om alle beschikbare informatie in overweging te nemen, niet alleen dat wat op het eerste gezicht het nuttigst lijkt. Een goede probleemoplosser kan er een zijn die de creatieve geest van spelen combineert met een serieuze zoektocht naar een oplossing die echt werkt.

32
Q

Deduction en inzicht dragen bij aan het probleemoplossend vermogen.

Wat is de concrete aard van deductief redeneren?

A

▪ Detuctie is de afleiding van conclusies die waar moeten zijn als de premissen waar zijn. Syllogismen zijn klassieke voorbeelden van deductieve redeneerproblemen.
▪ Oudere theorieën suggereerden dat we dergelijke problemen met formele logica oplossen, terwijl nieuwere theorieën erkennen dat we geneigd zijn om inhoudelijke kennis te gebruiken, zelfs als ons wordt verteld dat we dat niet moeten doen.
Inzicht

33
Q

Hoe draagt inzicht bij aan het probleemoplossend vermogen?

A

▪ Het kaarsprobleem is gebruikt om inzicht te bestuderen, waarbij plotselinge oplossingen komen door de dingen op een nieuwe manier te zien.
▪ Onze neiging om gereedschappen te zien als ontworpen voor een specifiek doel, leidt tot functionele standvastigheid, maar kan ook resulteren in een efficiënter gebruik van gereedschappen.
▪ Inzicht komt vaak voort uit het loslaten van een mentale set (een gebruikelijke manier van waarnemen of denken) en aandacht schenken aan aspecten van het probleem en materialen die anders misschien over het hoofd zouden worden gezien.
▪ Inzicht kan ook worden bevorderd door een incubatietijd of door een gelukkige of speelse gemoedstoestand.

34
Q

Welke culturele verschillen in perceptie en redenering zijn er?

A

▪ Niet-westerlingen die geen formele opleiding hebben genoten, passen logische regels toe die nauwer verbonden zijn met de dagelijkse, praktische functie dan met abstracte concepten.
▪ Oost-Aziatische proefpersonen hebben de neiging om zich te concentreren op de hele context van een probleem of situatie, net als zeer jonge kinderen in zowel westerse als Oost-Aziatische culturen.

35
Q

Cross-culturele verschillen in perceptie en redenering?

A

Westen: eerder ordenen volgens taxonomische categorie dan functie. Analytisch, aandachtsfocus.

Oosten: focus op gehelen ipv delen. Holistisch, aandacht verdelen.

36
Q

Galton

A

Bestudeerde de relatie van intellectuele verwezenlijkingen met een reeks van zintuiglijke en cognitieve vaardigheden.

37
Q

Binet-Simon Intelligence Scale

A

De basis van de moderne intelligentietesten. Binet geloofde dat intelligentie bepaald werd door een set van verschillende high-order mentale vaardigheden die slecht licht gerelateerd zijn en dat intelligentie gevoed werd door de omgeving. Zijn test was gericht op het aanduiden van kinderen die speciale aandacht nodig hadden in hun onderwijs.

38
Q

Stanford-Binet Scale

A

Eerste Amerikaanse test, een adaptatie was van de Binet test door Stanford University.

39
Q

David Wechsler (1930)

A

De huidige testen zijn aanpassingen van de testen van Wechsler die zelf gebaseerd waren op die van Binet.

40
Q

Twee soorten testen

A

WISC-IV: Wechsler Intelligence Scale for Children, fourth edition
WAIS-IV: Wechsler Adult Intelligence Scale, fourth edition

41
Q

Vier categorieën van subtesten.

A
  • Verbal comprehension
  • Perceptual Processing
  • Working Memory
  • Processing Speed
42
Q

Verbal comprehension

A

Index van verbale vaardigheden: vocabulaire, similarities (vermogen om
gelijkende concepten uit te leggen) en informatie (algemene kennis en begrip van de sociale en fysische wereld).

43
Q

Perceptual processing

A

Gebaseerd op spatiëel en kwantitatief redeneren, o.a. block design (het vermogen om visuele design te matchen), matrix reasoning en visual puzzles (het vermogen om visuele patronen te ontdekken en combineren).

44
Q

Working memory

A

Digit span (het aantal willekeurige items wat onthouden kan worden) en arithmetic (concentratie bij mentale wiskundige problemen).

45
Q

Processing speed

A

Symbol search (het vermogen om target symbolen snel te ontdekken in
verzamelingen van visuele symbolen) en digit-symbol coding (het vermogen om digits te transformeren volgens de regels van een code).

46
Q

Hoe hebben psychologen de validiteit van IQ-tests beoordeeld?

A

Als intelligentietests het intellectuele vermogen meten, moeten IQ-scores correleren met andere indices van iemands intellectueel functioneren. Grotendeels hebben onderzoekers de IQ-validiteit beoordeeld in termen van het vermogen van de tests om succes op school en in de loopbaan te voorspellen

47
Q

Wat zijn de algemene resultaten van dergelijke beoordelingen van IQ-testen?

A

Veel onderzoeken hebben aangetoond dat mensen met hogere IQ-scores veel meer kans hebben dan mensen met lagere scores om werk te vinden in intellectueel veeleisende beroepen zoals als geneeskunde, rechten, wetenschap en bedrijfsbeheer. Dit geldt zelfs als de vergelijking alleen geldt voor mensen die zijn opgegroeid in dezelfde of vergelijkbare gezinnen, afkomstig uit dezelfde sociaaleconomische achtergrond.

48
Q

Wat zijn de algemene resultaten van dergelijke beoordelingen van IQ-testen?

A

Veel onderzoeken hebben aangetoond dat mensen met hogere IQ-scores veel meer kans hebben dan mensen met lagere scores om werk te vinden in intellectueel veeleisende beroepen zoals als geneeskunde, rechten, wetenschap en bedrijfsbeheer. Dit geldt zelfs als de vergelijking alleen geldt voor mensen die zijn opgegroeid in dezelfde of vergelijkbare gezinnen, afkomstig uit dezelfde sociaaleconomische achtergrond.

In theorie zou de relatie tussen IQ en werk dus ondergeschikt kunnen zijn aan het feit dat mensen met een hoog IQ beter presteren op school. Een betere index van de relatie tussen IQ en carrièresucces komt van onderzoek dat IQ correleert met prestaties op het werk, zoals gemeten aan de hand van beoordelingen van leidinggevenden, beoordelingen van collega’s of directe observaties.

Naast het voorspellen van school- en werkprestaties, zijn IQ-scores positief gerelateerd aan een betere fysieke en mentale gezondheid, minder niet-opzettelijke en opzettelijke (inclusief zelfmoord) verwondingen en een lagere incidentie van laat optredende dementie. IQ-scores zijn ook gerelateerd aan een lang leven.

49
Q

Validiteit van IQ testen als voorspellers van prestaties.

A

Een test is valide als hij meet wat hij bedoelde te meten. Dus als IQ-testen een maat zijn voor intellectuele vermogens, moeten de scores ervan correleren met andere indicaties van iemands intellectueel functioneren.

50
Q

Het concept van algemene intelligentie “G”

A

Spearman (1927) veronderstelt dat in elk onderdeel van intelligentie testen een gemeenschappelijke factor ‘g’ gemeten moet zijn. Immers ‘positive manifold’: mensen die hoog scoren op een mentale test, scoren in het algemeen ook goed op de andere testen.

Algemene intelligentie is iemands onderliggend vermogen dat bijdraagt aan diens performance op mentale tests.

51
Q

Fluid intelligence

A

De vaardigheid om relaties tussen stimuli te zien zonder voorgaande specifieke oefening of instructies aangaande de relaties. Volgens Catell zijn fluid abilities biologisch bepaald en best gemeten door tests van memory span, speed processing en spatiëel
denken.

52
Q

Crystallized intelligence

A

Mentale vermogens die direct ontstaan zijn uit eerdere ervaringen.
Iemands gecumuleerde kennis kan wijd toegepast worden voor het oplossen van diverse problemen.

53
Q

Raymond Catell argumenteerde dat Sperman’s ‘g’ kon onderverdeeld worden in 2 delen:

A

Fluid intelligence en crystallized intelligence

54
Q

Mental self-government’ Robert Sternberg

A

Mensen die goed presteren op intelligentietesten zijn zij die hun mentale resources zodanig kunnen controleren dat ze efficiënt een probleem kunnen oplossen.

55
Q

Welk bewijs bracht Cattell ertoe om onderscheid te maken tussen vloeibare intelligentie en gekristalliseerde intelligentie?

A

Het bewijs van de analyse van correlatiepatronen en de verschillende effecten van leeftijd, bracht Cattell ertoe te beweren dat vloeibare en gekristalliseerde intelligenties van elkaar verschillen.

56
Q

Welke bevindingen hebben Galtons idee van mentale snelheid als basis voor algemene intelligentie nieuw leven ingeblazen?

A

De meer geavanceerde maatregelen en meetapparatuur. Verschillende literatuuroverzichten van het bewijs van zowel kinderen als volwassenen rapporteerden bescheiden correlaties (tussen ongeveer - .30 en -.50) tussen de snelheid van reageren (en dus vermoedelijk snellere informatieverwerking) die geassocieerd zijn met hogere IQ’s. Een maatstaf voor mentale snelheid is inspectietijd - de minimale tijd die proefpersonen nodig hebben om naar een paar stimuli te kijken of te luisteren om het verschil tussen hen te ontdekken.

57
Q

Pogingen om intelligentie te karakteriseren en te meten hebben zowel praktische als theoretische doelen.

Geschiedenis en geldigheid van intelligentietesten?

A

▪ Binet beschouwde intelligentie als een losse reeks mentale vermogens van hogere orde die door scholing kunnen worden vergroot. Zijn tests gebruikten school-gerelateerde vragen en problemen.
▪ De meeste moderne intelligentietests zijn geworteld in de benadering van Binet en gebruiken een verscheidenheid aan verbale en non-verbale subtests.
▪ IQ-scores correleren redelijk goed met schoolcijfers en werkprestaties. Dergelijke correlaties worden vaak gebruikt als indices van IQ-validiteit.

58
Q

Pogingen om intelligentie te karakteriseren en te meten hebben zowel praktische als theoretische doelen.

De aard van algemene intelligentie?

A

▪ Spearman stelde dat algemene intelligentie, of g, een enkele factor is die bijdraagt aan alle soorten mentale prestaties.
▪ Cattell voerde aan dat g uit twee factoren bestaat: vloeibare en gekristalliseerde intelligentie.
▪ Moderne metingen van mentale snelheid en uitvoerende functies correleren significant met IQ.
▪ Sternberg stelde voor dat de efficiëntie van mentaal zelfbestuur de individuele verschillen in intelligentie verklaart.
▪ In de menselijke evolutie is mogelijk gekozen voor algemene intelligentie omdat het ons helpt om met nieuwe problemen om te gaan.

59
Q

Zijn psychologische verschillen tussen mensen in de eerste plaats het resultaat van verschillen in hun genen (natuur) of in hun omgeving (opvoeding)?

(Nature nurture debate)

A

Het antwoord op de nature nurture vraag betreffende IQ: het hangt ervan af. Het hangt af van wiens IQ u vergelijkt.

60
Q

Hoe wordt erfelijkheid (heritability) bepaald?

A

Erfelijkheid is de mate waarin variatie in een bepaalde eigenschap, binnen een bepaalde populatie van individuen, voortkomt uit genetische verschillen in tegenstelling tot verschillen in de omgeving. Erfelijkheid wordt vaak gekwantificeerd door een statistiek die de erfelijkheidscoëfficiënt wordt genoemd

61
Q

Waarom zouden we verwachten dat de erfelijkheidsgraad hoger is in een populatie met een vergelijkbare omgeving dan in een ecologisch diverse populatie?

A

Hoe meer verschillende omgevingen er zijn tussen mensen in een populatie, hoe lager de erfelijkheidsgraad. De erfelijkheidsgraad is dus relatief en varieert met de omgevingsomstandigheden waarin mensen binnen de bevolking leven.

62
Q

Hoe kan IQ-erfelijkheid worden geschat met behulp van de correlatiecoëfficiënten voor de IQ’s van identieke en twee-eiige tweelingen die samen zijn grootgebracht?

A

Erfelijkheid = (r identieke tweelingen - r niet-identieke tweelingen) x 2

(r= correlatie)

De precieze logica achter deze methode omvat uitgebreide wiskundige details.
De aanname is dat de omgeving even vergelijkbaar is voor de twee categorieën tweelingen, dus het verschil tussen de twee in IQ-correlatie moet voortkomen uit het verschil in hun mate van genetische verwantschap; dat wil zeggen, het verschil moet de erfelijkheidsgraad weerspiegelen.

63
Q

Uitkomsten onderzoeken van heritability voor IQ

A

Bij tweelingen die samen opgroeien is de invloed van de omgeving dezelfde, maar voor eeneiige tweelingen is ook de genetische rol dezelfde. Hieruit kan men berekenen dat de heritability voor IQ .52 genetisch is.

Bij studies naar eeneiige tweelingen die in verschillende gezinnen opgroeiden, stelde men echter vast dat de heritability voor IQ .73 is.

Belangrijk is dat de heritability toeneemt wanneer de kwaliteit van de omgeving beter is (cfr ouderlijk opleidingsniveau).

Geadopteerde kinderen die samen opgroeien hebben in hun jeugd gelijkaardige IQ’s, maar het effect van de omgeving is volledig verdwenen naarmate ze volwassenheid bereiken.

64
Q

Wat is stereotype dreiging en hoe verklaart dit de verschillen in IQ tussen blanke en zwarte Amerikanen?

A

Stereotype dreiging: Wanneer mensen bewust worden gemaakt van negatieve stereotypen voor hun specifieke sociale groep, zoals de stereotiepe overtuiging dat zwarten slecht presteren bij intelligentietests, hebben ze de neiging om deze te bevestigen.

65
Q

Welk bewijs suggereert dat de status van onvrijwillige minderheid bijzonder schadelijk kan zijn voor de IQ- ontwikkeling?

A

Onvrijwillige minderheden zijn groepen, zoals Afro-Amerikanen en indianen, die minderheden werden door veroverd, gekoloniseerd of tot slaaf gemaakt te worden. Het zijn mensen die lange tijd werden, en in veel opzichten nog steeds worden behandeld alsof ze een aparte, inferieure klasse zijn. Volgens onderzoek dat door Ogbu is samengevat, presteren onvrijwillige minderheden overal slechter op school en scoren ze gemiddeld 10 tot 15 punten lager op IQ-tests dan de dominante meerderheid. Bijzonder informatief in Ogbu’s werk is de vergelijking van de Buraku-verschoppelingen van Japan met zwarten van de Verenigde Staten. De Buraku, die een puur culturele klasse vormen, raciaal niet onderscheiden van andere Japanners, werden door een koninklijk edict in 1871 van de officiële outcast-status bevrijd, slechts 8 jaar nadat de zwarten in de Verenigde Staten uit de slavernij waren bevrijd; toch bekleden beide groepen tot op de dag van vandaag vaak ondergeschikte posities en worden ze impliciet, zo niet expliciet, door veel leden van de dominante meerderheid als minderwaardig beschouwd. De kloof in schoolprestaties en IQ tussen de Buraku en de meerderheidsgroep in Japan is ongeveer hetzelfde als die tussen zwarten en blanken in de Verenigde Staten - maar de kloof verdwijnt wanneer Buraku naar de Verenigde Staten verhuist. De meeste mensen in de Verenigde Staten kennen het verschil niet tussen Buraku en andere Japanners, en de twee groepen immigranten worden op dezelfde manier behandeld en presteren even goed op school als op IQ-tests. Volgens Ogbu is het gevoel dat iemand een verschoppeling is, en dat de standaardroutes naar succes worden afgesneden, dat kasteelachtige minderheden onderdrukt en hun schoolprestaties en IQ’s onderdrukt.

66
Q

Verschillende soorten minderheidsstatus en effecten op het IQ

A

Ogbu onderscheid tussen vrijwillige minderheden en onvrijwillige of kasteelachtige minderheden. Vrijwillige minderheden zijn groepen, zoals Italiaanse Amerikanen en Chinese Amerikanen, die emigreerden in de hoop zichzelf te verbeteren, die zichzelf doorgaans even goed vinden vergeleken met degenen die ze achterlieten, en die zichzelf zien als op weg naar boven, ongeacht hoe de dominante meerderheid ze zou kunnen zien. Onvrijwillige minderheden daarentegen zijn groepen, zoals Afro-Amerikanen en indianen, die minderheden werden door veroverd, gekoloniseerd of tot slaaf gemaakt te worden

67
Q

Hoe kan de historische stijging van de vloeiende intelligentiescores worden verklaard?

A

Flynn (2007, 2012) stelt dat de toename voornamelijk het gevolg is van veranderingen in het moderne leven. Verbeteringen in het onderwijs, meer gebruik van technologie en meer mensen die zich bezighouden met intellectueel veeleisend werk hebben allemaal geleid tot een groter percentage mensen met ervaring met het manipuleren van abstracte concepten dan in decennia het geval was.

68
Q

IQ-verschillen binnen een culturele groep

A

▪ De redelijke versie van de nature-nurture-vraag stelt de vraag of genetische of omgevingsvariatie meer bijdraagt aan de waargenomen IQ-variatie binnen een populatie.
▪ Erfelijkheid is de mate waarin variatie in een eigenschap (bijv. IQ), binnen een bepaalde populatie, komt voort uit genetische verschillen tussen de individuen.
▪ Tweelingstudies hebben aangetoond dat genetische variatie binnen een populatie verantwoordelijk is voor ongeveer de helft van de IQ-variantie.
▪ Effecten van de gedeelde gezinsomgeving op IQ zijn tijdelijk; ze verdwijnen op volwassen leeftijd.
▪ Er zijn aanwijzingen dat iemands baan of vrijetijdsactiviteiten zijn of haar vloeibare intelligentie kunnen veranderen.

69
Q

IQ-verschillen tussen culturele groepen

A

▪ Erfelijkheidscoëfficiënten voor IQ binnen groepen kunnen niet legitiem worden gebruikt om de bron van gemiddelde IQ- verschillen tussen groepen te verklaren.
▪ Het gemiddelde zwart-wit IQ-verschil gevonden in de Verenigde Staten is gerelateerd aan de sociale aanduiding van zwart of wit in plaats van in de mate van Afrikaans of Europese afkomst.
▪ Met name een onvrijwillige minderheidsstatus zal het IQ van een groep verminderen.
▪ De grote historische winst in IQ - misschien het gevolg van veranderingen in technologie - demonstreren ook de invloed van
culturele factoren.