Hoorcollege 9 Flashcards Preview

IA > Hoorcollege 9 > Flashcards

Flashcards in Hoorcollege 9 Deck (38):
1

Wat is een antigeen?

Dit is een moleculaire structuur waartegen een immuunrespons kan optreden.

- Afhankelijk van de manier waarop het immuunsysteem geconfronteerd wordt met het antigeen volgt een immuunrespons
- Hoe gemakkelijker het is een immuunrespons op te wekken tegen een antigeen, des te meer immunogeen is het antigeen

2

Hoe noem je de mate waarin een antigeen in staat is een immuunrespons op te wekken?

De immunogeniciteit

3

Wanneer is een antigeen immunogeen?

Grote lichaamsvreemde moleculen waarmee het organisme geconfronteerd wordt op een manier die weefselschade (gevaar) veroorzaakt, induceren een immuunrespons

Van belang zijn:
- Toedieningsroute (sc > ip > iv)
- Grootte van het molecuul (groot > klein)
- Verschillen met zelfs (anders > identiek)
- Adjuvants (slow release > fast release)

4

Adjuvantia

Stoffen die ervoor zorgen dat het antigeen bijvoorbeeld van de plaats waarin het wordt ingespoten, dat het maar heel langzaam verdwijnt. Bijvoorbeeld verpakken in een vetbolletje. Adjuvantia kunnen soms op zichzelf de innate respons activeren (kan, hoeft niet)

5

Wat gebeurt er bij een allergie?

Onschuldige substanties veroorzaken toch een immuunreactie. Aan het oppervlak van die onschuldige substanties zitten enzymen die schade veroorzaken en daardoor een respons triggeren.

6

Het immuunsysteem moet op twee groepen pathogenen reageren als het gaat om de locatie van die pathogenen. Welke twee groepen zijn dit?

1. Intracellulaire pathogenen. Dit zijn virussen, maar ook intracellulaire bacteriën (mycoplasma, sommige mycobacteriën), protozoa en parasieten.

2. Pathogenen die extracellulair zitten. Dit zijn ook bacteriën, schimmels, protozoa, parasieten

7

Geef de algemene bouwstenen van pathogenen.

Een pathogeen bezit in ieder geval genetisch materiaal, cytoplasma en een celwand of celmembraan.

In de celwand of het celmembraan zitten moleculen die makkelijk gezien kunnen worden door het immuunapparaat. Zij moeten het innate immuunrespons in gang zetten. Er kan gereageerd worden tegen DNA als de pathogeen uit elkaar valt, maar ook tegen lipiden, eiwitten en suikers in het membraan.

8

Waar reageren T cellen alleen maar op?

Op eiwitten. Ook daar zijn uitzonderingen op, maar in principe herkennen zij alleen eiwitten. B cellen kunnen ook op de andere structuren reageren, want die kunnen ruimtelijke structuren herkennen.

9

Geef alle vier de structuren van een eiwit.

1. Primaire structuur. Aminozuren in bepaalde volgorde.
2. Secundaire structuur. Alfa helix en bèta sheet.
3. Tertiaire structuur. Monomerisch met domeinen
4. Quaternaire structuur. Subunits, bijvoorbeeld dimeer.

10

Hoe noem je de onderdelen van de domeinen van de eiwitten waartegen gereageerd gaat worden?

De antigene determinanten of de epitopen.

11

Wat voor soorten epitopen herkennen de antilichamen (los van de B cel of op de B cel)?

Conformationele epitopen. Dit antilichaam kan gewoon een ruimtelijke interactie aangaan met zo'n molecuul. Dit is een slot-sleutel reactie.

12

Wat voor soort epitopen herkennen de T cel receptoren?

Lineaire epitopen. Dit zijn lineaire stukken eiwit van de 8 tot 20 aminozuren lang (afhankelijk van type T cel). Dit stukje wordt aangeboden door antigeen presenterende cellen. T cellen zijn niet in staat ruimtelijke structuren te herkennen.

13

Wat moet een antigeen presenterende cel doen om te zorgen dat de T cel de lineaire epitoop kan herkennen?

Eerst moet de pathogeen worden gefagocyteerd. Vervolgens moet de pathogeen worden afgebroken en in stukjes worden geknipt. Die stukjes (nu lineaire epitopen) moeten worden geladen in een MHC molecuul en dat stukje moet dan worden getoond aan de T cel.

14

Waar staat MHC voor? En wat is er bijzonder aan deze complexen?

Major Histocompatibility Complex. De MHC moleculen zijn specifiek per persoon. Om deze reden kun je niet met Pietje's antigeen presenterende cel de T cel van Karel activeren.

15

Geef aan hoe de B cel receptor in elkaar zit.

De B cel receptor wordt ook wel het antilichaam genoemd en kan in het membraan van de B cel zitten, maar kan ook los van de B cel zijn. Het molecuul bestaat uit twee zware ketens die een Y vormen een twee lichte ketens. De onderste delen van de zware en de lichte ketens zijn constante regio's die nooit echt verschillen. Het bovenste deel is de variabele regio, bestaande uit stukjes van beide zware ketens en beide lichte ketens. Dit is het stuk wat het antigeen kan herkennen.

16

Geef aan hoe de T cel receptor in elkaar zit.

De T cel receptor bestaat uit twee ketens, alfa en bèta, waarvan de stukken die het dichtst bij het membraan zitten constant zijn. De bovenste stukken vormen samen de variabele regio (bestaande uit een alfa en een bèta variabele regio).

17

Hoe komt het repertoire van ca 10^12 verschillende specificiteiten tot stand?

Geldt alléén voor de B en T cellen en voor geen enkele andere cel. Random herschikking en/of gen conversie (vanuit pseudogenen) leiden tot ca 10^12 verschillende specificiteiten.

18

Hoe werkt genconversie (basaal)?

Komt op hetzelfde neer als genherschikking, maar gebruikt pseudogenen. Stukjes uit pseudogenen (niet uit coderende genen) worden uitgewisseld met stukjes uit coderende genen.

19

Hoe komen we nou tot een specifieke lichte keten?

De lichte keten bestaat uit een constant gedeelte en een variabel gedeelte. OP het germline DNA ligt een reeks aan V genen en een reeks aan J genen. Ook zijn er een beperkt aantal C genen. De C genen zorgen voor de constante regio en de V en J genen samen zorgen voor de variabele regio. Ergens in die stretch van V en J genen komen er twee op een random manier bij elkaar. Je krijgt dan een V en J complex. Uiteindelijk wordt dat de coderende unit.

20

Hoe komen we nou tot een specifieke zware keten?

Ook de zware keten bestaat uit een constante regio en een variabele regio. De variabele regio bestaat nu uit drie verschillende genen, namelijk V, D en J die weer random bij elkaar worden gezocht (herschikken) uit reeksen. Uiteindelijk krijg je dan één coderend complex.

21

Hoeveel verschillende constante regio's heb je bij de zware keten?

negen

22

Hoeveel verschillende constante regio's heb je bij de lichte keten?

Kappa: 1
Lambda: 4 tot 5

23

Hoeveel V, D en J genen heb je bij de zware keten?

V: 38 tot 46
D: 23
J: 6

24

Hoeveel V en J genen heb je bij de lichte keten?

Kappa:
V: 34 tot 38
J: 5

Lambda:
V: 29 tot 33
J: 4 tot 5

25

Waar is het constante gedeelte zo belangrijk voor en waarom zijn er meerdere constante gedeelten?

VDJ zorgt voor herkenning (specificiteit) en het constante gedeelte zorgt voor de biologische functie. Als er een antigeen herkent is, dan zit het antilichaam op het antigeen. Wat er vervolgens gebeurt (fagocytering, activatie NK cellen en complement activatie) hangt af van het constante gedeelte. Als je kijkt naar een B cel die zijn rijping heeft doorgemaakt, heeft deze B cel IgM en IgD aan zijn oppervlak. Als je iets wil met IgG, IgE of IgA, moet er ergens een klasse switch gemaakt worden. Een ander constant gen moet dan mee gaan doen.

26

Wat heeft iedere B cel na rijping op zijn oppervlak?

IgM en IgD, moet klasse switch doen om andere antilichamen te gaan maken.

27

Met alleen de VDJ verschillen kom je niet aan een repertoire van 10^12 specificiteiten. Primaire diversificatie is dus niet voldoende. Noem alle vier de processen die zorgen voor secundaire diversificatie.

1. Combinatorial diversity (H +L)
2. Junctional diversity
3. Somatic hypermutation
4. Gene conversion (bv kip)

28

Wat is combinational diversity?

Dit is het combineren van de Heavy en de Light chain. Beide hebben een bepaalde specificiteit en zorgen samen voor nog een grotere specificiteit.

29

Wat is junctional diversity?

Dit ontstaat doordat er foutjes optreden bij het combineren van de V, D en J genen. De V, D en J genen moeten wel fysiek naast elkaar liggen om een coderende unit te vormen. De foutjes die daar plaatsvinden, dragen bij aan de specificiteit. Af en toe valt een base weg (of meer) en ontstaat er een andere structuur.

30

Wat is somatische hypermutatie?

Dit gebeurt alleen bij B cellen. Je hebt een variabel gebiedje van bijvoorbeeld de lichte keten. Je hebt dus twee genen die coderen, het V en het J gen. De delen van de lichte keten die aan het oppervlak liggen zijn het belangrijkst, want die moeten echt binden aan het molecuul. Dit worden de hyper variabele delen in het exon genoemd. Dat zijn stukjes in het DNA die heel sterk variëren. Daar vinden veel mutaties plaats. Bij elke immuunreacties vindt juist daar mutatie plaats! Somatische hypermutatie verhoogd de antilichaam affiniteit voor het antigeen. De immuunrespons wordt dus steeds sterker. De affiniteit voor een herintredende ziekte neemt steeds meer toe doordat de betere B cel altijd beter kan binden, het wint de competitie met de B cellen met minder affiniteit.

31

Hoe werkt herschikking van de T cel receptor?

Er is een receptor met een constant en een variabel gedeelte. Het variabele gedeelte wordt in het geval van de bèta keten gecodeerd door V, D en J en in het geval van de alfa keten door V en J. Opnieuw is junctional diversity, combinatorial diversity en gene coversion van belang voor het creëren van de specificiteit.

32

Wat is gene coversion?

Hier worden stukjes van de introns en exons uitgewisseld en dit draagt ook bij aan de diversiteit.

33

Wat is rijping?

Repertoire vorming van de T cel en de B cel.

34

Simpel van een rijping tot aan differentiatie in 6 stappen.

1. Repertoire vorming.
2. Selectie
3. Tolerantie
4. Activatie
5. Clonale expansie
6. Differentiatie

35

B cel rijping en selectie in het kort.

De B cel precursors zitten in het beenmerg. Signalering zorgt voor het aanzetten van de rijping. Dat is dus ook het herschikken van het genetische materiaal. Rijpe B cellen hebben IgM en IgD op hun membraan. Vervolgens vindt selectie plaats omdat je tolerantie wilt hebben voor de lichaamseigen cellen. De rijpe B cellen gaan in lymfeklieren reageren met hun antigeen en dan vindt deling plaats. Uit deze populatie van gedeelde B cellen gaat dan een groep zich ontwikkelen tot B memory cellen. Memory cellen helpen nu niet mee met het bestrijden van het antigeen, maar kunnen bij een volgende infectie heel snel reageren omdat ze al wat verder gedifferentieerd zijn en al met meer zijn.

36

T cel rijping en selectie in het kort.

T cellen ontstaan in het beenmerg. Er is een initieel signaal tot herschikking van genen in het beenmerg. De T cellen (die dan Pre-T cellen worden genoemd) gaan zich dan verplaatsen naar de thymus. In de thymus wordt het repertoire gevormd en vindt ook de selectie plaats. De selectie is tweeledig. Enerzijds moet er tolerantie zijn voor lichaamseigen cellen, anderzijds moet er wel met MHC kunnen worden gebonden. Dat is straks het molecuul wat het antigeen aan gaat geven. De rijpe T cel brengt zijn receptor tot expressie en deze cel gaat vanuit de thymus naar de perifere organen.

37

Specifieke herkenning wordt gevolgd door..

- Uitbreiding van het aantal cellen die het pathogeen herkennen (clonale expansie)
- Proliferatie en differentiatie tot effector cellen

Er vindt dus een exponentiële vermeerdering van die ene specifieke receptor plaats!

38

Polyvalent

1 eiwit met 5 (3B + 2T) epitopen