Oefententamen Flashcards Preview

IA > Oefententamen > Flashcards

Flashcards in Oefententamen Deck (11):
1

Welk lymfoïde organ speelt de belangrijkste rol in de initiatie van de adaptieve immuunrespons bij een lokale huidinfectie?

Perifere lymfeknoop.

2

De lymfo:ide organen kunnen onderverdeeld worden in primaire (centrale) lymfoϊde organen en secundaire (perifere) lymfoϊde
organen. Welke van onderstaande beweringen is juist?

a. Primaire lymfoϊde organen zijn van belang voor de initiatie van de
aangeboren afweer en secundaire lymfoϊde organen zijn van
belang voor de initiatie van de adaptieve immuunrespons

b. Primaire lymfoϊde organen ontstaan vroeg in de ontwikkeling en
de omvang van deze organen neemt toe tijdens een
immuunrespons

c. In primaire lymfoϊde organen worden lichaamsvreemde antigenen
gepresenteerd waarop het B- en T-cel repertoire wordt
geselecteerd

d. Secundaire lymfoϊde organen ontstaan relatief laat in de
ontwikkeling en zijn van belang voor de initiatie van de adaptieve immuunrespons.

d. Secundaire lymfoϊde organen ontstaan relatief laat in de
ontwikkeling en zijn van belang voor de initiatie van de
adaptieve immuunrespons

3

Bij de afdeling Pathologie wordt een dier opengesneden om de lever
te bekijken. Op de lever worden witte vlekjes op het oppervlak
gezien. Dat kan worden veroorzaakt door verschillende parasieten bij
verschillende soorten gastheren. Bij welke van onderstaande
combinaties van parasiet en gastheer kan dit niet worden gevonden?

a. Ascaris suum – varken
b. Toxocara canis – hond
c. Ascaridia galli – kip
d. Toxocara cati – kat

c. Ascaridia galli – kip

4

De levenscyclus van een trematode (bijv. leverbot) kent verschillende
stadia. Geef de volgorde van de verschillende stadia van een trematode leverbot.

b. Volwassen bot – miracidium – metacercarie

5

Een hond die verdacht wordt van een levertumor wordt geopereerd.
Tijdens de operatie en na punctie blijkt de abnormaliteit een
blaasworm, (van Echinococcus multilocularis) te zijn.
Welke van onderstaande stellingen is juist?

De hond heeft een blaasworm:

a. De opererend dierenarts loopt hierdoor risico op het ontwikkelen
van Echinococcose

b. De eigenaren van de hond lopen hierdoor risico op het oplopen
van Echinococcose

c. doordat het dier een besmet prooidier heeft gegeten

d. doordat het dier eieren heeft binnengekregen

d. doordat het dier eieren heeft binnengekregen

6

Op het slachthuis worden levers aangetroffen met leverbotten. De
slachter vraagt aan de keuringsarts of hij een risico loopt bij het
slachten van dieren met deze levers. Bovendien heeft hij een hond
waaraan hij wel eens rauwe levers voert.
Welke van onderstaande adviezen is juist?

a. Hoewel de leverbotten niet gastheerspecifiek zijn, lopen
zowel hijzelf als zijn hond geen enkel risico op infectie met
leverbot.

b. Hij loopt zelf geen risico met betrekking tot een infectie met
leverbot, maar de hond wel als hij zo’n lever aan het dier voert.

c. De leverbotten vormen een zoönotisch risico, dus hij moet goed
opletten geen leverbotten binnen te krijgen. Ook de hond kan
besmet raken via deze levers.

d. Er is een risico op een leverbotinfectie. Maar hoewel mens en
hond wel een geschikte gastheer zijn, zal een lichte infectie via de
levers van de geslachte dieren geen klinisch probleem
veroorzaken.

a. Hoewel de leverbotten niet gastheerspecifiek zijn, lopen
zowel hijzelf als zijn hond geen enkel risico op infectie met
leverbot.

7

In de verspreiding van een infectieziekte speelt het fenomeen
reproductieratio (RO) een belangrijke rol.
Welke van onderstaande beweringen is juist?

a. Met vaccinatie wordt beoogd om de reproductieratio (RO) gelijk
aan 1 te krijgen.

b. De mate van verspreiding van een infectie wordt bepaald door de
reproductieratio (RO) van de gastheer.

c. In geval van worminfecties wordt het begrip reproductieratio (RO)
gebruikt om te bepalen welke preventieve maatregelen zinvol zijn.

d. De reproductieratio (RO) wordt, behalve door
eigenschappen van het agens, bepaald

d. De reproductieratio (RO) wordt, behalve door
eigenschappen van het agens, bepaald

8

Welke van onderstaande stellingen m.b.t. ‘herd immunity’ is onjuist?

a. Bij een voldoende mate van ‘herd immunity’ zijn ook de gevoelige
(niet-immune) individuen beschermd tegen een epidemie.

b. In geval van aanwezigheid van ‘herd immunity’ is de
reproductieratio (RO) < 1.

c. Er is sprake van ‘herd immunity’ als de drempeldichtheid (Gd)
overschreden wordt.

d. Om ‘herd immunity’ d.m.v. vaccinatie tot stand te brengen,
moet minstens 95% van de populatie gevaccineerd
worden.

d. Om ‘herd immunity’ d.m.v. vaccinatie tot stand te brengen,
moet minstens 95% van de populatie gevaccineerd
worden.

9

Welke uitspraak over membraan-omhulde virussen is onjuist?

a. Tijdens budding van het virus worden de virale glycoproteïnen
ingebouwd in het viruspartikel

b. Membraan-omhulde virussen verschillen in de plaats van budding

c. Antilichamen tegen het nucleocapside van membraanomhulde
virussen kunnen aanhechting van het virus aan de
cel remmen

d. Receptor interactie wordt verzorgd door glycoproteïnen in het
viruspartikel

c. Antilichamen tegen het nucleocapside van membraanomhulde
virussen kunnen aanhechting van het virus aan de
cel remmen

10

Herpesvirussen zijn enveloped DNA virussen. Deze virussen kunnen
zeer lang in het lichaam van de gastheer persisteren. Geef één manier waarop zij dit doen (equine herpesvirus doet dit)

b. remming van MHC I presentatie

11

Waarom is een infectie door trypanosomen persisterend?

Omdat een trypansoom in staat is voortdurend zijn oppervlakte te veranderen door de expressie van verschillende VSG genen.