Micronutrienten Flashcards

1
Q

Hoeveel in vet oplosbare vitamines zijn er?

A

4

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Hoeveel in water oplosbare vitamines zijn er?

A

9

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Welke vitamines behoren tot de in vet oplosbare vitamines?

A

Vitamine A, D, E, K

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Vitamine A:

  1. Synoniem
  2. Functie
  3. Deficientie
  4. Intoxicatie
  5. product
  6. Risicogroepen
  7. ADH/AI
  8. AB
A
  1. retinol
  2. normale groei, een gezonde huid, haar en nagels en een goede werking van de ogen en het afweersysteem
  3. huidproblemen, dof haar, nachtblindheid of blindheid
  4. hoofdpijn, misselijkheid, duizeligheid, vermoeidheid en afwijkingen aan ogen, huid en skelet.
  5. komt voor in dierlijke producten (lever) lichaam kan het ook zelf aanmaken. toegevoegd aan halvarine en bak en braad producten.
  6. overschot is schadelijk voor zwangere vrouwen en kinderen
  7. mannen 800 vrouwen 680
  8. 3000
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

vitamine B1

  1. Synoniem
  2. Functie
  3. Deficientie
  4. Intoxicatie
  5. product
  6. Risicogroepen
  7. ADH/AI
  8. AB
A
  1. Thiamine
  2. is onmisbaar voor de energievoorziening van hhet lichaam, en voor de goed werking van de hartspier en het zenuwstelsel.
  3. afwijkingen aan het zenuwstelsel en psychische afwijkingen
  4. lichaam breekt vitamine af
  5. brood, graanproducten, aardappelen, groente, vlees en melk.
  6. nvt
  7. 0.1
  8. nvt
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

vitamine B2

  1. Synoniem
  2. Functie
  3. Deficientie
  4. Intoxicatie
  5. product
  6. Risicogroepen
  7. ADH/AI
  8. AB
A
  1. Riboflavine
  2. Het speelt namelijk een belangrijke rol bij het vrijmaken van energie voor je lichaam uit koolhydraten, eiwitten en vetten.
  3. huidafwijkingen bij de mond en tong en ontstekingen bij de neus.
  4. NVT
  5. melk en melkproducten, maar ook in vlees, vleeswaren, groente, fruit, brood en graanproducten.
  6. NVT
  7. 1.6
  8. NVT
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

vitamine B3

  1. Synoniem
  2. Functie
  3. Deficientie
  4. Intoxicatie
  5. product
  6. Risicogroepen
  7. ADH/AI
  8. AB
A
  1. niacine (nicotinezuur)
  2. belangrijk voor de energievoorziening van het lichaam en de aanmaak van vetzuren.
  3. pellagra, een ziekte waar je huidaandoeningen, diarree en dementie van kunt krijgen. De kans op een tekort is uiterst klein.
  4. via hoog gedoseerde supplementen kan, bloedvatverwijding ontstaan. Bij zeer hoge dosering van nicotinamide kan schade aan lever en ogen ontstaan.
  5. Niacine zit in vlees, vis, volkoren graanproducten, groente en aardappelen, voornamelijk als nicotinamide. Verder kan het lichaam zelf niacine aanmaken
  6. NVT
  7. 1.6
  8. hangt af van de vorm waarin het aanwezig is
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

vitamine B5

  1. Synoniem
  2. Functie
  3. Deficientie
  4. Intoxicatie
  5. product
  6. Risicogroepen
  7. ADH/AI
  8. AB
A
  1. pantotheenzuur
  2. is nodig voor de energievoorziening van het lichaam, de opbouw en afbraak van eiwitten en vetten.
  3. Door een langdurig en ernstig tekort aan pantotheenzuur kan een branderig of pijnlijk gevoel in de voeten ontstaan. Een tekort aan pantotheenzuur is uiterst zeldzaam.
  4. Bij zeer hoge doseringen van tientallen grammen per dag kun je diarree krijgen. Je kunt alleen te veel pantotheenzuur binnenkrijgen als je supplementen gebruikt.
  5. vlees, eieren, volkorenproducten, peulvruchten, melk en melkproducten, groenten en fruit.
  6. NVT
  7. 5
  8. NVT
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

vitamine B6

  1. Synoniem
  2. Functie
  3. Deficientie
  4. Intoxicatie
  5. product
  6. Risicogroepen
  7. ADH/AI
  8. AB
A
  1. pyridoxine
  2. is belangrijk voor de stofwisseling, vooral voor de afbraak en opbouw van aminozuren.
  3. Langdurig ernstige tekorten kunnen leiden tot bloedarmoede, zenuwaandoeningen en een verminderde weerstand.
  4. Bij langdurig dagelijks gebruik van hooggedoseerde supplementen met vitamine B6 kunnen aandoeningen aan de zenuwen in de armen en benen ontstaan.
  5. Vitamine B6 zit in vlees, eieren, vis, brood en graanproducten, aardappelen, peulvruchten, groente, melk, melkproducten en kaas.
  6. Bij pasgeboren baby’s kan een tekort leiden tot stuipen. In Nederland komt een tekort aan vitamine B6 nauwelijks voor.
  7. 1,5
  8. 25mg
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

vitamine B8

  1. Synoniem
  2. Functie
  3. Deficientie
  4. Intoxicatie
  5. product
  6. Risicogroepen
  7. ADH/AI
  8. AB
A
  1. biotine
  2. eb je nodig om energie uit eten vrij te maken. Verder speelt biotine een rol bij de vorming van vetzuren. Biotine draagt ook bij aan het behoud van een normale huid en normaal haar, en een normale werking van het zenuwstelsel.
  3. huidafwijkingen, bloedarmoede en depressie. Tekorten aan deze vitamine komen bijna niet voor, alleen als je veel rauwe eieren eet.
  4. NVT
  5. Biotine zit in eieren, lever, melk, noten en pinda’s.
  6. NVT
  7. 40 MCG
  8. NVT
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

vitamine B11

  1. Synoniem
  2. Functie
  3. Deficientie
  4. Intoxicatie
  5. product
  6. Risicogroepen
  7. ADH/AI
  8. AB
A
  1. foliumzuur
  2. is nodig voor de groei en goede werking van het lichaam en voor de aanmaak van witte en rode bloedcellen. Foliumzuur is ook belangrijk voor de vroege ontwikkeling van het ongeboren kind.
  3. bloedarmoede. Bij het ongeboren kind is er een verhoogde kans op een open ruggetje, hazenlip en gespleten verhemelte.
  4. NVT
  5. groenten, vooral de groene soorten, volkorenproducten, brood, vlees en zuivel.
  6. NVT
  7. 300 MCG
  8. 1000
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

vitamine B12

  1. Synoniem
  2. Functie
  3. Deficientie
  4. Intoxicatie
  5. product
  6. Risicogroepen
  7. ADH/AI
  8. AB
A
  1. cobalamine
  2. Nodig voor de aanmaak van rode bloedcellen. Rode bloedcellen zijn nodig om zuurstof in je bloed te vervoeren. Daarnaast is vitamine B12 nodig voor een goede werking van het zenuwstelsel.
  3. bloedarmoede en neurologische gevolgen
  4. NVT
  5. Vitamine B12 zit alleen in dierlijke producten, zoals melk, melkproducten, vlees, vleeswaren, vis en eieren.
  6. NVT
  7. 2,8 MCG
  8. NVT
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

vitamine C

  1. Synoniem
  2. Functie
  3. Deficientie
  4. Intoxicatie
  5. product
  6. Risicogroepen
  7. ADH/AI
  8. AB
A
  1. ascorbinezuur
  2. Vitamine C heeft een functie als antioxidant in het lichaam en is nodig voor de vorming van bindweefsel, de opname van ijzer en het in stand houden van de weerstand.
  3. Bij een tekort kan verminderde weerstand, vertraagde wondgenezing en uiteindelijk scheurbuik ontstaan.
  4. Een teveel aan vitamine C kan leiden tot darmklachten of diarree.
  5. fruit, groente en aardappelen, met name in koolsoorten, citrusfruit, kiwi’s, bessen en aardbeien.
  6. NVT
  7. 75MLG
  8. NVT
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Vitamine D

  1. Synoniem
  2. Functie
  3. Deficientie
  4. Intoxicatie
  5. product
  6. Risicogroepen
  7. ADH/AI
  8. AB
A
  1. ergocalciferol (vitamine D2) en cholecalciferol (vitamine D3).
  2. stevige botten en tanden, beperking botontkalking, in stand houden van goed spierfunctie, belangrijk voor een goed werken immuunsysteem.
  3. Botontkalking of osteoporose en/of spierzwakte
  4. Kalkafzettingen
  5. vette vis, zoals haring, zalm en makreel. Vlees en eieren leveren ook vitamine D, maar minder dan vette vis. In Nederland wordt ook vitamine D toegevoegd aan halvarine, margarine en bak- en braadproducten (maar niet aan olie). In roomboter zit van nature vitamine D
  6. kinderen
  7. 10 MCG
  8. 100 MCG
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Vitamine E

  1. Synoniem
  2. Functie
  3. Deficientie
  4. Intoxicatie
  5. product
  6. Risicogroepen
  7. ADH/AI
  8. AB
A
  1. tocoferolen
  2. Vitamine E werkt als antioxidant en beschermt zo de cellen, bloedvaten, organen, ogen en weefsel. Vitamine E speelt ook een rol bij het regelen van de stofwisseling in de cel.
  3. NVT
  4. NVT
  5. zonnebloemolie, halvarine, margarine, brood, graanproducten, noten, zaden, groenten en fruit.
  6. NVT
  7. mannen 13 vrouwen 11 MLG
  8. 300mlg
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Vitamine K

  1. Synoniem
  2. Functie
  3. Deficientie
  4. Intoxicatie
  5. product
  6. Risicogroepen
  7. ADH/AI
  8. AB
A
  1. fylochinon
  2. Is nodig voor een goede bloedstolling en mogelijk ook voor de aanmaak van botten.
  3. -
  4. Mensen die bloedverdunners of antistollingsmiddelen gebruiken, moeten wel oppassen met vitamine K-pillen met meer dan 100 microgram vitamine K.
  5. Groene bladgroenten, maar ook in andere groenten, fruit, melk en melkproducten, vlees, eieren en granen. Kleine hoeveelheden vitamine K2 komen ook voor in lever, kaas en eigeel.
  6. Volwassenen die langdurig antibiotica gebruiken kunnen ook vitamine K-tekorten krijgen, met mogelijk een vertraagde bloedstolling tot gevolg.
  7. 70mcg
  8. NVT
17
Q

calcium

  1. Synoniem
  2. Functie
  3. Deficientie
  4. Intoxicatie
  5. product
  6. Risicogroepen
  7. ADH/AI
  8. AB
A

1.

  1. mineraal dat nodig is voor de opbouw en onderhoud van de botten en het gebit. Helpt tegen botontkalking op latere leeftijd en is nodig voor een goed werking van de zenuwen en spieren, de bloedstolling en het transport van andere mineralen.
  2. Bij meer dan 2.500 milligram calcium per dag kunnen urinewegstenen ontstaan. Er kan ook verkalking van de nieren en bloedvaatwanden optreden. Dit geldt vooral als je langdurig maagzuurneutraliserende tabletten met calciumbicarbonaat gebruikt, zoals Rennies.
  3. Calcium zit vooral in melk, melkproducten en kaas, maar ook in bepaalde groente en noten.
  4. vrouwen boven de 50 en mannen boven de 70 (ontkalking) en kinderen
  5. 1000
  6. 2.500 Mlg
18
Q

ijzer

  1. Functie
  2. Deficientie
  3. Intoxicatie
  4. product
  5. Risicogroepen
  6. ADH/AI
  7. AB
A
  1. IJzer is een mineraal dat onder andere belangrijk is voor de vorming van hemoglobine
  2. Snel vermoeid, bleke huid, snel buiten adem, last van rusteloze benen.
  3. e veel ijzer kan schadelijk zijn voor de lever. Hierdoor neemt mogelijk de kans op leverkanker, hart- en vaatziekten en diabetes type 2 toe.
  4. Heemijzer zit alleen in dierlijke producten zoals vlees, vis en kip. In rund- of lamsvlees zit meer ijzer dan in varkensvlees of kip. Non-heemijzer zit zowel in dierlijke producten als in plantaardige voedingsmiddelen, zoals brood en volkorenproducten, peulvruchten, noten en donkergroene groenten zoals spinazie, postelein, paksoi, andijvie en snijbiet. Ei en vleesvervangers bevatten alleen non-heemijzer.
  5. rouwen in de vruchtbare leeftijd, zwangere vrouwen en vrouwen die borstvoeding geven. Ook voor jonge kinderen en vegetariërs is het van belang extra te letten op ijzer.
  6. mannen 11 vrouwen 16
  7. 25 mlg
19
Q

ijzer

  1. Functie
  2. Deficientie
  3. Intoxicatie
  4. product
  5. Risicogroepen
  6. ADH/AI
  7. AB
A
  1. Zink is ondermeer nodig bij de opbouw van eiwitten, de groei en ontwikkeling van weefsel, en een goede werking van het afweer-/immuunsysteem.
  2. afwijkingen huid, slijmvliezen en skelet, anders ruiken en proeven, achterblijvende gorei en ontwikkeling van het geslacht, verminderde afweer tegen infecties en nachtblindheid.
  3. tekort aan koper
  4. vlees, kaas, graanproducten, noten en schaal- en schelpdieren zoals garnalen en mosselen.
  5. nvt
  6. mannen 9 vrouwen 7 MLG
  7. 25
20
Q

Fluor

  1. Functie
  2. Deficientie
  3. Intoxicatie
  4. product
  5. Risicogroepen
  6. ADH/AI
  7. AB
A
  1. Fluoride beschermt tegen tandbederf.
  2. tandbederf
  3. bruine vlekken en strepen op de tanden, Ook kunnen nieren, botten, zenuwen en spieren worden aangetast bij overmatig gebruik van fluoride.
  4. Fluoride zit in vrijwel alle voedingsmiddelen en vooral in thee en zeevis.
    5.
  5. 0.1-0.15%fluoride
  6. 7 mlg
21
Q

Jodium

  1. Functie
  2. Deficientie
  3. Intoxicatie
  4. product
  5. Risicogroepen
  6. ADH/AI
  7. AB
A
  1. Jodium is een spoorelement dat belangrijk is voor de productie van schildklierhormonen.
  2. Bij een jodiumtekort gaat de schildklier trager werken en opzwellen (krop). Bij kinderen leidt jodiumgebrek tot een groeiachterstand en een verminderd leervermogen en bij een groot tekort tot dwerggroei.
  3. e veel jodium kan onder andere leiden tot schildkliervergroting of een overstimulering van de schildklier.
  4. Van nature komt jodium voor in zeevis, eieren, zuivelproducten en zeewier. Toegevoegd jodium zit in sommige vleeswaren, gejodeerd keukenzout en bakkerszout.
  5. Mensen die weinig of geen brood eten of brood zonder gejodeerd zout, zoals veel biologisch brood of een deel van het thuisgebakken brood, lopen het risico op een jodiumtekort.
  6. 150mcg
  7. 600mcg