Nederlands 1 Flashcards Preview

Nederlands correct taalgebruik > Nederlands 1 > Flashcards

Flashcards in Nederlands 1 Deck (17):
1

Bijhebben

Iets bij zich hebben

2

Verschieten
= verbleken van kleur

Schrikken

3

Trekken op niets

Nergens op lijken

4

Zich overslapen

Zich verslapen

5

Ontslag geven
Ontslag nemen

Werknemer neemt ontslag, dienst zijn ontslag in, stapt op.
Werkgever geeft ontslag, werknemer krijgt zijn ontslag.

6

Om + infinitief

om te + infintitief

7

Waaraan, aan wie

waaraan, waarbij, waarnaar = zaken en dieren
aan wie, bij wie, door wie = mensen

8

moest
moest ik tijd hebben

mocht ik, als ik
mocht ik tijd hebben, als ik tijd zou hebben

9

zich niet laten doen

van zich afbijten, zich niet gewonnen geven, zich niet laten verassen, zich verzetten, weerstand bieden

10

verwachten (zich aan)

zich verwachten aan iets

11

weerstaan

iets weerstaan

12

Telkens

telkens als, elke keer

13

horloge = klein

Polshorloge
uurwerk = binnenwerk van een horloge, of klok

14

frigobox

koelbox

15

en zeggen dat

en te bedenken dat

16

proef

schriftelijke proef= examen
proeven afleggen= examens afleggen

17

vijf na drie
vijf achter drie

vijf over drie