Nederlands 3 Flashcards Preview

Nederlands correct taalgebruik > Nederlands 3 > Flashcards

Flashcards in Nederlands 3 Deck (13):
1

Voorzien= zien aankomen, voorspellen

uitgetrokken
gereserveerd
begroot
vastgesteld
bepaalt
behelst

2

Gerief = hetgeen wat ik nodig heb

gerei

3

dicht = gesloten, nauw aaneengesloten

dicht bij, dichterbij

4

Toekomen = genoeg hebben

aankomen

5

Mistoestand

wantoestand, misstand

6

aanklagen = beschuldigen

aan de kaak gesteld, afgekeurd, gelaakt, gehekeld

7

Buizen

niet slagen, zakken

8

voor

naar voren = richting
vooraan = plaats

9

Opkuisen

schoonmaken, opvegen

10

klacht indienen

een klacht indienen

11

Piste = baan of arena voor circus, lopen, koersen of skieën

Spoor, voorste, plan, mogelijkheid

12

ergens komaf mee maken

ergens een eind aan maken, een zaak voor eens en altijd oplossen

13

zeker zijn van je stuk

zeker zijn van je zaak