NIII Flashcards

1
Q

NIII =

A

N. oculomotorius

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Kenmerken zenuw

A
  • In hoofdzaak motorisch, ook parasympatisch
  • Primaire neuronen (ASEkernen) in mesencephalon, axonen vormen n. oculomotorius
  • Innerveert externe oogspieren: m. levator palpebrae superioris, m. retractor bulbi (mediaal), m. rectus oculi dorsalis medialis ventralis, m. obliquus oculi ventralis
  • N bevindt zich beiderzijds van crus cerebri, gaat met andere zenuwen in oogkas lopen
  • Treedt met n. opthalmicus uit schedel naar buiten
  • Verdikking die neuronen bevat op verloop van N = ganglion ciliare = autonome component
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Ganglion ciliare

A

Verdikking met neuronen op verloop zenuw, deze neuronen vormen een component van het autonome zenuwstelsel en gaan hun axonen naar m. ciliaris sturen (een intrinsieke oogspier) –> verkleining pupil. Dit is dus een autonome component van NIII.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Welke externe oogspiertjes worden niet door de n. oculomotorius geïnnerveerd? Wat is hiervan het gevolg?

A

De NIII innerveert 2 spiertjes niet: m. rectus oculi lateralis en m. oculi obliquus dorsalis. Als de NIII uitvalt, werken deze spieren nog wel –> oog wordt naar lateraal getrokken en de pupil krijgt een schuine stand = strabismus

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Innervatie

A

Input van NII, gaat thv colliculus rostralis via schakelneuronen (fasciculus longitudinalis medialis/lemniscus medialis) op o.a. motorkern van NIII aan contralaterale en ipsilaterale zijde. Het axon verlaat de hersenen aan de binnenzijde van crus cerebri en gaat in de richting van de oogkas lopen. Thv ganglion ciliare wordt overgeschakeld, gaat dan naar de oogspieren (pupilconstrictie of bewegen oogbol).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Welke structuren moeten intact zijn voor een goed werkende NIII?

A

Retina, NII, colliculus rostralis, fasciculus longitudinalis medialis, lemniscus medialis, NIII, ganglion ciliare.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Welke afwijkingen bij uitval NIII?

A
  • Ptosis: afhangen van bovenste ooglid (m. levator palpebrae superioris)
  • Strabismus divergens: motorische component valt weg, dus enkel m.rectus oculi lateralis en m. oculi obliquus dorsalis werken nog (input van andere zenuw) –> oogbol naar lateraal getrokken + schuine stand pupil
  • Aniscoria: verschil in pupilgrootte (PS deel zenuw werkt niet goed)
  • Slechte respons op pupilreflex
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Pupilreflex

A

Bij deze test ga je ervanuit dat NII intact is; je gaat de autonome component van NIII testen. Input van NII, gaat thv colliculus rostralis via schakelneuronen (fasciculus longitudinalis medialis/lemniscus medialis) op o.a. motorkern van NIII aan contralaterale en ipsilaterale zijde. Het axon verlaat de hersenen aan de binnenzijde van crus cerebri en gaat in de richting van de oogkas lopen. Thv ganglion ciliare wordt overgeschakeld, leidt tot pupilconstrictie. Je krijgt dus een reactie in beide ogen, aan de contralaterale zijde is die reactie wel kleiner.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Als dreigreflex niet doorgaat, en pupilreflex wel, waar zit dan het probleem?

A

In de visuele cortex.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Als de dreigreflex wel doorgaat, maar de pupilreflex niet, waar zit dan het probleem?

A

De NIII werkt dan niet.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly