Dorsale stroom bij perceptie
Speelt een rol bij visuele geleiding van beweging
Ventrale stroom bij perceptie
Speelt een rol bij waarneming van objecten (inclusief kleur en gezichten) en verkrijgen va soorten bewegingen.
bestaande uit: inferieure temporale stroom en de STS-stroom
- Lijken afgestemd te zijn op het identificeren van objecten, zoals handen, gezichten etc. Een andere regio, gaat over het analyseren van het uiterlijk.
STS-stroom
Middelste pad langs de sulcus temporalis superior is waarschijnlijk van belang bij visum-spatiale functies en bij de perceptie van bepaalde soorten bewegingen.
De STS-stroom, waar informatie van de dorsale en ventrale stroom samenkomt, stroomt van gebied V1 naar de sulcus temporalis superior.
gaat naar centrale sulcus is belangrijk voor functies met betrekking tot visie en perceptie.
Gebieden V1, V2, V3, V4 en V5
V1: (striate cortex) is het eerste gebied van de visuele verwerking, krijgt de meeste input vanuit de laterale geniculate nucleus van de thalamus. Waarna dit geprojecteerd wordt naar andere occipitale gebieden.
V2: het tweede verwerkingsgebied van waaruit visuele input gestuurd worden naar andere occipitale gebieden. vanuit V2 gaan er 3 stromen naar de pariëtale cortex, de multimodale superieure temporale sulcus (STS) en de inferieure temporale cortex.
V3: kan dynamische vormen detacteren (bij ventraal (wat))
V4: voor kleur en vorm (bij ventraal (wat))
V5: voor beweging van bepaalde dingen (dorsaal (waar of welke bewegingen))
Wat bij schade aan V’s?
V1: gedragingen als blind, maar visuele input komt wel binnen op hogere niveaus. V1 laesies lijken zich niet bewust te zijn van visuele input en er kan alleen worden aangetoond dat ze bepaalde aspecten van het gezichtsvermogen behouden door speciale test. Mensen kunnen wel handelen op basis van visuele stimuli wat inhoudt dat ze wel ‘zien’.
V2:
V3: verstoorde perceptie van vormen bij grote laesie in V3 en V4
V4: verstoorde waarneming van kleur, alleen nog grijstinten kunnen zien; resulteert dus in kleurverlies of het denken over kleur
V5: moeite met waarneming van bewegende objecten, alleen nog object in rust kunnen zien.
Gebieden V1, V2, V3, V4 en V5
V1: (striate cortex) is het eerste gebied van de visuele verwerking, krijgt de meeste input vanuit de laterale geniculate (of geniculaire?) nucleus van de thalamus. Waarna dit geprojecteerd wordt naar andere occipitale gebieden.
V2: het tweede verwerkingsgebied van waaruit visuele input gestuurd worden naar andere occipitale gebieden. vanuit V2 gaan er 3 stromen naar de pariëtale cortex, de multimodale superieure temporale sulcus (STS) en de inferieure temporale cortex, voor verdere verwerking.
V3: kan dynamische vormen detacteren (bij ventraal (wat))
V4: voor kleur en vorm (bij ventraal (wat))
V5: voor beweging van bepaalde dingen (dorsaal (waar of welke bewegingen))
De 5 algemene categorieën van verwerking
2 systemen: wat een object is en het systeem dat de visuele geleiding van beweging regelt
Systeem van wat een object is: omvat stroom van visuele informatie van gebied V1 naar temporale kwab in de ventrale stroom
Systeem dat de visuele geleiding regelt van een beweging: omvat stroom van gebied V1 naar de pariëtale kwab in de dorsale stroom.
Laesie dorsale- en ventrale stroom
Laesie dorsaal: Ze kunnen objecten waarnemen maar niet nauwkeurig kunnen reiken van het object.
Laesie ventraal: LO-gebied (lateraal occipitaal) blind, maar vormt hand wel op de juiste manier wanneer men reikt naar een object.
Milner-Goodale-model (uitleg)
Helpt ons begrijpen hoe ons visuele brein georganiseerd is.
- Dorsale stroom: begeleiden van bewegingen (visuele controle van actie)
- Ventrale stroom: voor identificeren van objecten
- STS-stroom maakt deel uit van de multimodale cortex en wordt gekenmerkt door polysensorische neuronen –> deze neuronen reageren op zowel auditieve als somatosensorische input.
Model kan worden toegepast op auditieve en somatosensorische systemen: beide dienen ook voor het begeleiden van bewegingen en identificeren van stimuli.
Het model geeft 3 punten van bewijs (theorie)
punt 1: Als het systeem niet werkt, dan reageer je ook niet op stimuli, ons systeem werkt goed, als het verder weg is neem je iets minder waar, maar als het dichterbij komt ga je er wat mee doen.
Punt 2: Als er een hand naar je toe beweegt, ga je er fysiek, motorisch naar reageren.
Punt 3: Samenvatting van de punten ervoor, als het eerste systeem niet werkt heb je een laesie erin en dat heeft weer invloed op elkaar.
Route van V’s en wat bereik je?
V2: V1 = pariëtale visuele gebieden
V3: V1 + V2 = V3 (dynamische vorm - Pariëtale visuele gebieden)
V3a: V1 = V3a (vorm - dorsale stroom - pariëtale visuele gebieden)
V4: V1 + V2 = V4 (kleur en vorm - Ventrale stroom - Temporale visuele gebieden)
V5: V1 = V5 / V1 + V2 + V4 = V5 (beweging - dorsale stroom - pariëtale visuele gebieden)
temporaal en pariëtale gebieden zijn verbonden met elkaar
V4 en V5 ook
Laterale occipital complex (LOC)
Meer geactiveerd bij bekijken van objecten ten opzichte van gecodeerde objecten of texturen.
Homonymous hemianopia
Blindheid aan een geheel visueel veld (linker- of rechterhemisfeer). Deze verstoring vindt plaats door complete doorsnijding van het visuele pad voorbij het optisch chiasma of beschadiging in een gedeelte van V1.
Agnosie betekenis en oorzaak
Verlies van vermogen om personen, voorwerpen, geluiden, reuk etc. te herkennen. De zintuigelijke waarneming is nog intact en er is geen sprake van geheugenverlies over de betreffende waarneming.
Oorzaak: hersenletsel, psychische aandoening/neurologische aandoening (alzheimer bv.).
Object agnosie (twee vormen van agonie) - Lissauer
Perceptuele agnosie (apperceptief): falen in objectherkenning, men heeft een beperking in de integratie van visuele vorm en functieinformatie. Mensen met perceptuele agnosie hebben problemen in de primaire perceptuele verwerking. Moeite met natekenen en het schrijven is verstoord.
–> Ontstaat niet door een laesie aan een specifiek gedeelte van het brein, maar door bilaterale beschadiging aan de laterale delen van de occipitaalkwab en gebieden die de output versturen door de ventrale stroom. (Rechterhelft)
Associatieve agnosie: het onvermogen om objecten te herkennen ondanks de opvallende perceptie van het object. Stoornis in de betekenisgeving van het object en bevindt zich dus in een hoger cognitief verwerkingsniveau dan perceptuele agnosie. Kunnen wel natekenen, maar geen betekenis geven.
–> Schade in gebieden van de ventrale stroom die zich verder in het verwerkingsproces bevinden. (Bv. anteriore temporale kwab).
Materiaal-specifieke agnosie (3 typen)
prosopagnosie: aandoening van de visuele herkenning die specifiek is voor gezichten. Ze kunnen het individu niet identificeren. Sommige patiënten herkennen zelfs hun eigen gezicht niet.
–> Schade vindt plaats na bilaterale schade in het gebied onder de calcarine fissure bij de temporale knooppunt
Pure alexia: Mensen hebben een onvermogen om te lezen. Beide hemisferen kunnen letters lezen, alleen de linker hemisfeer is in staat dit te vormen tot woorden.
–> Schade aan linker fusiform en linguale gebieden.
Optische afasie: Ze kunnen het gebruik van een object wel aantonen, maar kunnen het object niet benoemen.
Modaliteit-specifieke agnosie (3 typen)
Het zijn herkenningsstoornissen die 1 type input betrekken.
Syndroom van posterieure corticale atrofie
Patiënten met deze aandoening kunnen problemen hebben met het herkennen van gezichten, woorden en objecten en zijn bijzonder slecht in het herkennen van complexe scènes, die vaak elementen van het Balint-Syndroom vertonen
Balint-syndroom
Agnostisch syndroom dat het gevolg is van grote bilaterale pariëtale laesies en bestaat uit 3 gebreken:
1. Verlamming van oogfixatie met onvermogen om vrijwillig in het perifere gezichtsveld te kijken.
2. Optische ataxie (neurologische stoornis dat leidt tot verstoorde coödinatie in bewegingen en balans)
3. Verstoring van visuele aandacht zodat het perifere veld wordt verwaarloosd.
Andere vormen van visuele agnosie
Dorsale stimultanagnosie: onvermogen om op meer dan een object tegenlijk te focussen. Moeite om aandacht van het ene naar het andere object te verplaatsen (verschuiven van de aandacht). Wel informatie over de vorm van het object gebruiken. (pariëtaal)
Ventrale stimultanagnosie: Verminderd vermogen om verschillende stimuli snel te herkennen. Hebben moeite met lezen. (Pariëtaal)
Integratieve agnosie: Men behoud het vermogen om objecten te herkennen, maar is niet in staat deze elementen samen te integreren tot begrijpelijke waarneming.
Categorie-specifieke visuele agnosie (CSVA)
Maakt onderscheid tussen biologische en niet-biologische objecten, waarbij patiënten een behouden herkenning voor alle categorieën en een tekort voor biologische objecten vertonen. (Herkennen wel gereedschap, maar geen groente en fruit).
Bitemporal hemianopia
Een laesie in de mediale velden van het optic chiasma schaadt kruisende vezels, wat veroorzaakt een verlies bij beide temporale velden
Nasal hemianopia
Laesie in het laterale chiasma, gevolg is het verlies van zicht in een nasaal veld
Neglect (en subtypen)
De neiging om te reageren op of actief te zoeken naar stimuli in het gedeelte van de ruimte contralateraal aan de laesie, zonder dat er sprake is van functieverlies aan de sensorische en motorische functies, waardoor dit gedrag verklaard zou kunnen worden.
Subtypen:
- Personeel neglect: niet herkennen van eigen lichaam (been of arm bv.) (vraag: verschil somatoparafrenie?)
- Peri-personeel neglect: reikruimte (ruimte waartoe men kan komen) van de persoon
- Extrapersoneel neglect: de omgeving buiten de reikruimte