Test. - 2 Flashcards Preview

Nederlands Deel 3 > Test. - 2 > Flashcards

Flashcards in Test. - 2 Deck (51):
1

de hak van mijn schoen

the heel of my shoe

2

klotsen

to splash

3

de paardenstaart

a ponytail

4

de aktetas

the briefcase

5

de maden

the maggots

6

goor

dingy, disgusting

7

de vlooien

the fleas

8

je bent gezakt voor de test.

you failed the test.

9

de herkansing

a second chance

10

fluwelig

velvety

11

hij is hier pasgeleden geweest.

he had recently been here.

12

met de sloof

with the apron

13

het dierenasiel

the animal shelter

14

hij viel door de mand

he fell through the basket

15

geld aftroggelen

to wheedle money

16

de bezichtiging

the visit, tour, viewing

17

dat zal niet meevallen.

it won't be easy.

18

beroofd

robbed

19

dat maakt mijn moeder nijdig

that makes my mother angry.

20

de sproeten

the freckles

21

Ik raakte op dreef.

I was on a roll.

22

ze had me door.

she was on to me.

23

ondertekenen

to sign

24

bekrast hebben

to have scratched

25

de beroving

the robbery

26

het gezeur

the nagging

27

de wikkels

the wrappers

28

dat was een meevaller

that was a fluke

29

een onbestemd voorgevoel

a vague premonition

30

armoediger

shabbier

31

eeltig

callused

32

ontfutselen

to pilfer

33

ik weet dat ik doordraafde

I know I trotted by

34

het statief

the tripod

35

de teek

the tick

36

onafwendbaar

unavoidable, inevitable

37

ik pakte de tape aan weerzijden

I grabbed the tape on both sides

38

een naargeestig gebouw

a gloomy building

39

de poort

the gate, port, gateway

40

bezweren

to exorcise, conjure

41

bezeren

to injure, hurt

42

de drollen

the turds

43

dichtgetimmerd

boarded up

44

naar verhouding

proportionally

45

de brandstof

the fuel

46

de speelweide

the playground

47

om het over te hevelen

to shift about

48

de brievenbus

the mailbox

49

de haag

the hedge

50

de heg

the hedge

51

de ijsbeer

the polar bear