Thema 2 Flashcards

0
Q

Op welke 3 manieren kan een materiaal voorkomen?

A
  1. Vloeibaar
  2. Vast
  3. Gas.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
1
Q

Wat zijn moleculen?

A

Moleculen zijn de kleinste bouwsteentjes van een materiaal waarin je dat materiaal nog herkent.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Noem minimaal drie eigenschappen van een vloeistof.

A
  1. Geen vaste vorm
  2. Je kunt ze schenken
  3. Nemen vorm aan waarin je ze giet
  4. Ze kunnen stollen of bevriezen
  5. De moleculen bewegen en houden wel contact..
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q
  1. Water -> ijs = …….

2. IJs -> water = …….

A
  1. Bevriezen

2. Smelten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q
  1. Water -> waterdamp = …….

2. Waterdamp -> water = …….

A
  1. Verdampen

2. Condenseren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat is smelten?

A

Smelten is als een vaste stof verandert in een vloeistof.

Bijv. Chocolade wordt vloeibaar als je het verwarmt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat is verdampen?

A

Verdampen is als een vloeistof verandert in gas.

Bijv. water verdampt in waterdamp.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat is stollen?

A

Stollen is als een vloeistof verandert in een vaste stof.

Bijv. kaarsvet stolt in een kaars.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Bij welke temperatuur gaat water koken?

A

Water gaat koken bij 100 graden celcius

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Noem minimaal 2 kenmerken van een vaste stof.

A
  1. Veranderen niet uit zichzelf van vorm
  2. Ze gedragen zich allemaal anders
  3. De moleculen zitten strak tegen elkaar.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Bij welke temperatuur bevriest water?

A

Bij 0 graden celcius.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat gebeurt er met moleculen die warm worden?

Wat gebeurt er dan met het materiaal?

A

Moleculen die warm worden gaan verder uit elkaar. Daardoor wordt het materiaal groter (stoffen, vloeistoffen en gassen).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Zitten moleculen in vaste stoffen strak tegen elkaar?

A

Ja.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

noem 3 voorbeelden van vasten stoffen?

A
  • steen,
  • ijzer,
  • glas.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

noem 3 voorbeelden van een vloeistof?

A
  • benzine,
  • melk,
  • slaolie.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

noem 2 voorbeelden van een gas?

A
  • aardgas,

- zuurstof.

16
Q

gassen kun je ruiken en zien waar of niet waar?

A

niet waar.