VO 10.2 Microscopische anatomie en pathologie van endocriene organen Flashcards

1
Q

Hoe ziet de normale hypofyse eruit en hoe ziet een adenoom in de hypofyse eruit?

A

Normaal in het endocriene deel van de hypofyse nestjes structuur, bij een adenoom ziet het eruit als meer een geheel. Normaal is de adenohypofyse bestaande uit veel verschillende cellen, maar bij een adenoom zie je een monotoner beeld

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wanneer is een adenoom een microadenoom en wanneer een macro?

A

Als die kleiner is dan 1 cm dan is het een microadenoom, groter dan 1 cm dan heet het macroadenoom. Een macroadenoom kun je zien op een MRI.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Hoe noemt de ‘units’ waaruit een schildklier is opgebouwd?

A

Follikels

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Welke twee functies heeft de schildklier en via welke stoffen wordt dit bewerkstelligt? Door welke twee celtypen worden de stoffen geproduceerd?

A

Groei en metabolisme door: T3 en T4, Calciumhuishouding door: productie calcitonine. T3 en T4 wordt gemaakt door folliculaire cellen en calcitonine wordt gemaakt door parafolliculaire cellen (C-cellen).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Welk effect verwacht je van de verhoogde ACTH spiegels?

A

Verhoogde cortisol en androgenen productie en groei van de bijnieren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Soms is er geen expressie van ACTH op de tumor maar toch zijn er Cushing klachten. Hoe zou dat kunnen ?

A

Detectieprobleem of versnelde excretie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat is belangrijkste reden om macroadenomen apart te noemen?

A

De kans op effecten door groei lokaal is groter. Dus meer kans op lokale symptomen. Echter, ook macroadenomen kunnen hoge hormoonspiegels geven.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Door welke hormonen wordt de schildklier aangestuurd?

A

TSH vanuit de hypofyse. T3 en T4 hebben negatieve feedback op TSH productie. TRH stimuleert.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Welk eiwit is herkenbaar in preparaat A en welk in preparaat B?

A

Preparaat A = thyreoglobuline en Preparaat B = Calcitonine

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Wat is thyreoglobuline?

A

Thyreoglobuline = follikel epitheel cellen produceren het onder invloed van jood en thyreoglobuline wordt opgeslagen in de follikel. En uit thyreoglobuline worden T4 en T3 gemaakt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Meerdere follikels zijn sterk vergroot. Welke prikkel ligt hieraan ten grondslag? En welke stof medieert dit effect?

A

Verminderde synthese van T3 en T4 is de aanleiding. De verminderde T3 en T4 levels geven afname negatieve feedback en dit leidt tot extra TSH en daarna follikelgroei.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat is het effect van vergrote follikels: welke concentratie verandert als gevolg daarvan? Welk mineraal is hiervoor essentieel?

A

Effect: versterkte T3 en T4 synthese om het niveau te herstellen. Jodium is essentieel.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Welke gevolgen zijn er voor de grootte van het orgaan resp. de follikelbouw van het orgaan op langere termijn als gevolg van sterke ‘fluctuaties’ in de TSH en T3/T4 dynamiek?

A

Er treedt ‘compensatoire massatoename plaats van de schildklier op om te lage T3 en T4 spiegels te compenseren. Eerst diffuus en later nodulair. De hele klier wordt onregelmatig. Histologisch zien we regressie, ontsteking, verlittekening en verkalking resp. soms verbening.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Bij een struma ontstaat vaak vervorming én vergroting van de schildklier (hypertrofie en hyperplasie van de schildklier). Wat is het gevolg voor de hormoonsynthese?

A

Bij vrijwel alle nodulaire hyperplasieën /struma is er géén versterkte hormoon synthese.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Deze stoornis (langdurige fluctuaties van de aansturing en sterke vervorming van de schildklier) kwam vroeger in bepaalde gebieden vaak voor. Hoe heet dat, wat was de oorzaak en wat heeft men er aan gedaan?

A

Dit heet endemisch struma. Kwam vaak in bergachtige gebieden voor door gebrekkige jodiumhoudend heid van het voedsel (alpiene krop). Remedie: zout joderen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat is een medullair schildkliercarcinoom?

A

Medullair carcinoom. Gaat uit van C cellen. Maligne: zaait uit. C-cel hyperplasie is een voorstadium.

17
Q

Wat is een papillair schildkliercarcinoom?

A

Papillair carcinoom. Gaat uit van follikelcellen. Maligne: zaait uit. Hebben ook optische lege kernen. Meestal lymfogene metastasering. Meest frequente vorm: 75-85% van de gevallen van een schildkliercarcinoom. Meestal lymfogene metastasering.

18
Q

Wat zijn 2 anderen kwaadaardige schildkliertumoren?

A

Anaplastische carcinoom en folliculaire carcinoom (kleine follikels, minder colloïd)

19
Q

Wat is een anaplastisch schildkliercarcinoom?

A
  • Zeer snel groeiende tumor, met necrose en veel atypie, hoge mitose index
  • Vaak mutaties in P53 (= belangrijk gen wat normaal de ongecontroleerde celdeling stopt)
  • Overleving meestal niet meer dan enkele maanden door locale doorgroei
20
Q

Wat is standaard (belangrijkste) epitheliale celtype is een normale bijschildklier?

A

Chief cells / Clear cells (vanwege lichte cytoplasma), produceren PTH

21
Q

Welk niet-epitheliaal celtype komt gewoon ook voor in de bijschildklier?

A

Vetcellen

22
Q

Wat is het gevolg van een adenoom in de bijschildklier die gevormd wordt uit chief cellen?

A

Het adenoom produceert PTH hierdoor krijg je een hoog calcium (osteoporose, nierstenen, abdominale klachten (obstipatie), moe, depressief). Deze aandoeningen zijn opgelost bij het verwijderen van de bijschildklier.

23
Q

Wat zijn de verschillen tussen een goedaardige en kwaadaardige tumor?

A
24
Q

Wat is het verschil tussen benigne en menigne?

A