Week 4 Flashcards Preview

HRM - werving en selectie > Week 4 > Flashcards

Flashcards in Week 4 Deck (12):
1

Opdrachtrelatie

De opdrachtnemer belooft aan de opdrachtgever om bepaalde werkzaamheden uit te voeren zodat een bepaalde prestatie geleverd wordt.

2

Hybride arbeidsrelaties

Relaties die officieel nog wel een arbeidsovereenkomst zijn, maar die in de praktijk minder gaan lijken op de 'ouderwetste' arbeidsrelatie tussen werkgever en werknemer

3

Arbeidsrelaties worden diverser

De buyers-market verandert in een sellers-market.

4

Employability paradox

Medewerkers die goed inzetbaar zijn, waardevol zijn voor de organisatie, maar ook een grote kans dat ze naar een andere organisatie vertrekken.

5

Neoklassieke arbeidsmarktbenadering

De vraag naar arbeid is direct gerelateerd aan de arbeidsproductiviteit en de omvang en de waarde van de geleverde productie.

6

Human-capital theorie

Mensen investeren in hun kennis en vaardigheden, maar de een doet dat meer dan de ander, waardoor de arbeid die de ene werknemer aanbied zal verschillen van wat de andere werknemer aanbied.

7

Segmentatietheorie

De arbeidsmarkt moet worden gezien als een samenstel van meerdere deelmarkten

8

Vakdeelmarkt

Er wordt naar specifieke arbeid gevraagd en dit wordt aangeboden.

9

Bijzondere kenmerken van de bedrijfsinterne arbeidsmarkt

- Regels en procedures bepalen lonen
- Grote nadruk op interne mobiliteit volgens regels en procedures
- Ports of entry, waar nieuwe werknemers binnen komen en vervolgens doorstromen
- Hoe langer iemand in dienst is, des te hoger in de organisatie hij verblijft
- Secundaire arbeidsvoorwaarden zorgen voor loyaliteit van de werknemer aan het bedrijf
- Langetermijnrelaties tussen werkgever en werknemer

10

Technologisering

De arbeid en arbeidsmarkt worden kennisintensiever. Er komt meer nadruk te liggen op hoger opgeleide arbeidskrachten.

11

De transitionele arbeidsmarkttheorie

Het individu dat gedurende zijn leven meerdere keuzen en transities maakt in zijn arbeidsbestaan.

12

Flexicurity

Positieve consequenties van transities stimuleren en negatieve consequenties ervan te beperken.