1. Bloedafname - Analysegroepen Flashcards

(108 cards)

1
Q

Wat is een bloedafname?

A

Het is het afnemen van een welbepaalde hoeveelheid bloed bij een persoon.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat is het doel van een bloedafname?

A
  • Laboratoriumtesten uitvoeren
  • Zo weinig mogelijk hinder voor de persoon (voor, tijdens en na de bloedafname)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wat zijn de voorwaarden bij een bloedafname?

A
  1. Een voorschrift van een arts nodig
  2. Correcte identificatie
  3. De tijd nemen om bloedafname te nemen
  4. De nodige kennis en vaardigheden bezitten
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Bloedafname

Wat moet er op de aanvraag van de arts staan?

A
  1. Naam en voornaam patiënt
  2. Adres
  3. Geboortedatum
  4. Geslacht
  5. Naam, voornaam, adres en RIZIVnummer aanvragende geneesheer
  6. Datum voorschrift, stempel + handtekening geneesheer
  7. Datum & uur staalafname
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Bloedafname

Wie heeft de verantwoordelijkheid over de juistheid van de administratieve gegevens?

A

De persoon die prikt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Welke waarde heeft de bloedafname en labo-onderzoek in het genezingsproces?

A
  1. Diagnose
  2. Therapie
  3. Prognose
  4. Management
  5. Research
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Leg de waarde diagnose van bloedafname uit.

A
  1. Screening op bepaalde ziektes
    –> Is er iets verkeerd?
  2. Bevestigen van bepaalde ziektes
    –> Wat is er verkeerd?
  3. Uitsluiten van mogelijke ziektes
    –> Differentieel diagnose
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Geef een voorbeeld van diagnosewaarde.

A

Symptomen:
- overmatige dorst
- frequent urineren
- onverklaarbaar gewichtsverlies
- vermoeidheid
–> Diabetes?

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Leg de waarde therapie van bloedafname uit.

A

Bij bepaalde bloedziekten is het nodig om op bepaalde tijdstippen en met een bepaalde labo-uitslag een uitgebreide bloedafname te doen. Het gaat hier vooral om de hoeveelheid bloed die afgenomen wordt.
= Aderlating

Deze behandeling helpt bij het reguleren van overtollige stoffen in het bloed, zoals ijzer en rode bloedcellen, waardoor het risico op complicaties wordt verminderd en de algehele gezondheid van de patiënt wordt verbeterd

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Geef een voorbeeld van therapiewaarde.

A

Aderlating bij hemochromatose
= een genetische aandoening waarbij het lichaam te veel ijzer absorbeert uit voedsel.
=> overtollig ijzer verwijderen door bloed af te nemen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Leg de waarde prognose van bloedafname uit.

A

Bepaalde uitslagen en/of combinatie/reeks van bloeduitslagen kunnen voorspellingen geven over het verloop van de ziekte –> Bepalen van passende behandelingen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Geef een voorbeeld van prognosewaarde.

A

Hartfalen
= Milde of ernstige vorm –> aanpassen van behandeling

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Leg de waarde management van bloedafname uit.

A
  1. Follow-up therapeutisch resultaat + eventuele complicaties
  2. Follow-up van een pathologisch proces
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Geef een voorbeeld van managementwaarde.

A

Chronische nierziekte
= een progressieve aandoening waarbij de nierfunctie geleidelijk achteruitgaat, via regelmatige bloedafname gebeurt er dus een follow-up

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Leg de waarde research van bloedafname uit.

A
  1. Nieuwsgierigheid
  2. Placebo-effect
  3. Medecollegiaal
  4. Wetenschappelijk onderzoek
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Geef een voorbeeld van researchwaarde.

A

Onderzoek naar de effectiviteit van een COVID-19 Vaccin

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Wat is van belang bij hematologie-onderzoek?

A

Samenstelling en kwaliteit van het vast gedeelte van het bloed

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Welke onderzoeken vallen onder hematologie?

A
  1. Rode bloedcellen
  2. Witte bloedcellen
  3. Bloedplaatjes/trombocyten
  4. Hemoglobine
  5. Hematocriet
  6. Ijzer, totale ijzerbindingscapaciteit, ferritine
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Hematologie

Leg het onderzoek van de rode bloedcellen uit.

A
  1. Verschillende onderzoeken
  2. Telling van aantal RBC rechtstreeks op het staal
  3. Uitgedrukt in milj/mm³
  4. Klinische tekenen vaak waarneembaar bij afwijkende waarden
  5. Vaak in combinatie met andere bepalingen: MCV, MCH, MCHC
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

MCV
MCH
MCHC

Waarvoor gebruiken we deze waarden?

A

Mean Corpuscular Volume ‘(gem volume RBC)
Mean Corpuscular Hemoglobine (gem gewicht hemoglobine/RBC)
Mean Corpuscular Hemoglobine Concentration (gem hemoglobineconcentratie/RBC)

Om de kwaliteit van de RBC te beoordelen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Hematologie

Wat zijn de aandachtspunten bij RBC-onderzoek?

A
  1. De patiënt moet niet nuchter zijn.
  2. Meestal wordt een EDTA-tube gebruikt.
  3. Observeer eventuele klinische symptomen.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Leg het onderzoek van de witte bloedcellen uit.

A

1.Telling van aantal WBC rechtstreeks op het staal
* Uitgedrukt in aantal/mm³

2.Gebruik van leukoformule
* Hoeveelheden van de verschillende soorten WBC en hun onderliggende verhoudingen
* Uitgedrukt in aantal/mm³ of procent

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Afwijkende waarden van WBC?

A

Gedaald niveau = bloedziektes of medicatie
Gestegen niveau = infectie of medicatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Hoeveel groepen WBC bestaan er? Som ze op.

A

5 grote groepen
1. Neutrofielen
2. Eosinofielen
3. Basofielen
4. Monocyten
5. Lymfocyten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Wat zijn de aandachtspunten bij WBC-onderzoek?
1. Patiënt moet **niet nuchter** zijn. 2. Alleen bij **bepaling van de formule** is **vermelden van het tijdstip van afname belangrijk** (specifiek voor de eosinofielen). 3. Heb **aandacht** voor **tekenen van infectie, allergie of genezing**. 4. **Sommige medicatie** kan de **resultaten beïnvloeden** (vooral hydrocorticoïden)
26
Leg het onderzoek van de bloedplaatjes/trombocyten uit.
* Een rol in de start van de **stollingscascade**. * Uitgedrukt in **aantal per mm3**.
27
Bespreek gedaalde en gestegen waarde bij bloedplaatjes.
**Gestegen** aantal trombocyten: - trauma **Gedaalde** waarde (of **trombocytopenie**): - eclampsie *(stuipen)* - invloed van verschillende medicaties,…
28
Wat zijn de aandachtspunten bij bloedplaatjesonderzoek?
1. Patiënt moet **niet nuchter** zijn. 2. Indien patiënt **radiotherapie of chemotherapie** krijgt dient dit **vermeld** te worden. 3. **Observeer** eventuele **bloedingsproblemen**.
29
Geef meer info over **hemoglobine**
1. Een **eiwit** dat zich in de rode bloedcellen bevindt. 2. Het geeft het **bloed** zijn **rode kleur**. 3. **IJzer** is het belangrijkste bestanddeel en zorgt voor de zuurstofbinding 4. uitgedrukt in **g/dl**.
30
Bespreek gedaalde waarde bij hemoglobine.
**Gedaalde** waarden: - meestal anemie - zwangerschap - medicaties.
31
Wat zijn de aandachtspunten bij hemoglobineonderzoek?
1. Patiënt hoeft **niet nuchter** te zijn. 2. **Niet langs dezelfde arm waar een IV-infuus zit** 3. De **garrot niet langer dan 1 minuut aangespannen** 4. Observeer mogelijk oorzaken voor een gestegen of gedaalde hemoglobinewaarde.
32
Leg het onderzoek van de hematocriet uit.
1. **Volume RBC/100ml** 2. Uitgedrukt in **ml**, maar **meestal in procent**. 3. Het meet **de concentratie aan RBC in het bloed**
33
Bespreek gedaalde en gestegen waarde bij hematocriet.
**Gedaalde** waarde: - zwangerschap -groot bloedverlies -anemie - medicatie,… **Gestegen** hematocriet: - dehydratatie - eclampsie
34
Wat zijn de aandachtspunten bij hematocrietonderzoek?
1. De patiënt moet **niet nuchter** zijn. 2. Gebruik een andere prikplaats dan de arm waar een IV-infuus geplaatst is. 3. **Leeftijd van de patiënt kan een rol spelen** in de waarde. **Pasgeborenen en ouderen** hebben meestal **hogere hematoconcentratie**
35
Leg het onderzoek van ijzer/totale ijzerbindingscapaciteit/ferritine uit. Waarom is dit relevant?
Van ijzer kunnen een aantal zaken bepaald worden, de 3 belangrijkste zijn: - totaal ijzer - totale ijzerbindingscapaciteit - ferritine in serum Relevant want: 1. Ijzer van **belang bij de RBC en het hemoglobine**. 2. Het wordt **opgenomen in het duodenum en het jejunum** 3. Het **transporteiwit transferrine** zorgt ervoor dat het ijzer in het beenmerg terechtkomt, om hemoglobine op te bouwen.
36
Leg "het totale ijzer" wat uitgebreider uit. Gedaalde en gestegen waarde?
Deze waarde geeft de **hoeveelheid ijzer weer die in het bloed aanwezig** is. Uitgedrukt in **μg/dl**. **Verlaagd** ijzergehalte: - kinderen met laag geboortegewicht - bloedverlies -malnutritie **Verhoogd** spiegel: - foliumzuurdeficit -anemie
37
Leg "het totale ijzerbindingscapaciteit" wat uitgebreider uit.
Meet de **maximum hoeveelheid ijzer dat kan gebonden worden aan het eiwit transferrine**. Eenheid: **μg/dl**.
38
Gedaalde en gestegen waarde van het totale ijzerbindingsactiviteit?
**Verlaagd**: - infecties - anemie **Verhoging**: - bij acuut en chronisch bloedverlies - gebruik van orale anticonceptie
39
Leg "het ferritine in serum" wat uitgebreider uit.
* Ferritine is **een eiwit die ijzer bindt** en voor een **bepaalde reserve van ijzer zorgt**. * Het **maakt ijzer vrij uit de weefsels** als er een toegenomen behoefte is aan ijzer. * De **hoeveelheid ferritine in het serum is rechtevenredig met de totale hoeveelheid ijzer in het lichaam** => vroegtijdig ijzertekorten opsporen * Uitgedrukt in **ηg/ml**.
40
Afwijkende waarden van ferritine?
**Verlaagde ferritinespiegel**: - bij zwangerschap -blaasziektes **Gestegen** waarde: - orale ijzerinname
41
Wat zijn de aandachtspunten bij ijzer/ijzerbindingscapaciteit en ferritine?
1. Voor **ferritine** moet de patiënt **niet nuchter** zijn. 2. Voor **ijzer en bindingscapaciteit** is de patiënt **best 8 uur nuchter**. 3. **Vermijd hemolyse**. Dat geeft vals positieve resultaten. 4. Indien de patiënt **ijzerpreparaten** neemt of **recent een bloedtransfusie** gekregen heeft, dient dit **vermeld** te worden. 5. Er is een **volledig gevulde tube gestold** nodig.
42
Wat omvat immunohematologie?
De bloedgroeptesten
43
Welke onderzoeken vallen onder immunohematologie?
1. Bloedgroepbepaling 2. Rh-bepaling 3. Kruisproeven 4. Coombs direct *(antilichamen detecteren die zich op opp van RBC bevinden)* 5. Coombs indirect *(antilichamen die vrij in het serum circuleren, nog niet gebonden aan RBC)*
44
Wat speelt nog een rol in de bloedstolling, naast de bloedplaatjes? | Wat valt hier allemaal onder?
De hemostase | PT, APTT, fibrinogeen, D-dimeren
45
Waarom spreekt men van een **bloedstollingscascade**?
Bloedstolling bestaat uit **een serie opeenvolgende reacties waarbij verschillende stollingsfactoren** (eiwitten in het bloed) **geactiveerd worden**.
46
Wat is **PT of Quicktijd**?
= **Protrombinetijd** 1. Geeft een beeld van de **extrinsieke weg** vd stollingscascade 2. Test **afhankelijk van stollingsfactoren II, V, X en VII** 3. **II = Protrombine** is de belangrijkste en wordt **aangemaakt in de lever**
47
Hoe wordt resultaat van PT uitgedrukt?
1. protrombine**waarde in %** 2. protrombine**tijd in sec** 3. **INR** = international normalised ratio als **een cijfer** Verlengde protrombinetijd=verminderde protrombinewaarde=verhoogde INR
48
Bespreek verlengde en vertraagde waarde bij protrombinetijd.
**Verlengde** protrombinetijd: - Orale antistolling **Vertraagde** protrombinetijd: - bepaalde medicatie (orale anticonceptiva)
49
Wat zijn de aandachtspunten bij "protrombinetijd"?
1. **Afnametube** dient **een anticoagulantium** bevatten, natriumcitraat of natriumoxalaat. 2. De tube dient **volledig gevuld** te worden. 3. Het **labo-onderzoek** dient **zo vlug mogelijk na de afname** te gebeuren *(binnen het uur bij natriumoxalaat, binnen de 2 uur bij natriumcitraat.)* 4. Het **bloedstaal wordt het best in ijs bewaard**. Een tube enige tijd op kamertemperatuur bewaren kan de resultaten beïnvloeden. 5. Indien in het tube het bloed toch stolt, dan dient een nieuw staal genomen te worden. 5. Patiënt dient **niet nuchter** te zijn. 6. **Observeer** de patiënt op **eventuele bloedingen of verhoogde bloedingsneiging**. 7. Ga na of de patiënt **beïnvloedende medicatie** neemt, en meldt het eventueel op het aanvraagformulier
50
Wat is **APTT**?
= **Activated partial tromboplastine time** 1. Bootst de **intrinsieke weg** van de stollingscascade na. 2. Uitgedrukt in **sec** 3. Vooral gebruikt om **deficiënties van stollingsfactoren VII en XIII en bloedplaatjesvariaties** op te sporen 4. Een zeer groot nut bij het volgen van **patiënten die onder heparine staan**
51
Wanneer verlengde waarde APTT?
**Verlengd** bij - Vitame K tekort
52
Wat zijn de aandachtspunten bij "APTT"?
1. **Afnametube** dient **een anticoagulantium** bevatten, natriumcitraat of natriumoxalaat. 2. De tube dient **volledig gevuld** te worden. 3. Het **labo-onderzoek** dient **zo vlug mogelijk na de afname** te gebeuren, **binnen het uur bij natriumoxalaat**, **binnen de 2 uur bij natriumcitraat.** 4. Indien in het tube het bloed toch stolt, dan dient een nieuw staal genomen te worden. 4. Patiënt dient **niet nuchter** te zijn. 5. **Observeer** de patiënt op **eventuele bloedingen of verhoogde bloedingsneiging**. 6. Ga na of de patiënt **beïnvloedende medicatie** neemt, en meldt het eventueel op het aanvraagformulier | (idem PT)
53
Wat is **fibrinogeen**? (Fg)
1. Een **in de lever gesynthetiseerd eiwit**. Het is de **enige stollingsfactor** die **in relatief hoge concentratie in het plasma** voorkomt. 2. Een acute-fase eiwit 3. Aangegeven in **mg/dl**.
54
Bespreek de gedaalde en verhoogde fibrinogeenspiegel.
1. **Verhoogd**: - bij acute infecties - trauma - chirurgische ingrepen - bij inname bepaalde medicatie (orale anticonceptie) - bij zwangerschap 2. **Verlaagd**: - complicaties tijdens bevalling
55
Wat zijn de aandachtspunten bij "Fibrinogeen"?
1. Gebruik **een tube met anticoagulantium**. 2. De tube moet **volledig gevuld** zijn. 3. Het bloed moet **goed gemengd worden met het anticoagulatium**, maar zeker NIET schudden. 4. De patiënt moet **niet nuchter** zijn. 5. Een **zwangerschap in de 3de trimester en chirurgie** kunnen **vals positieve resultaten** geven. 6. Observeer de patiënt op **actieve bloedingen of verhoogde bloedingsneiging**
56
Wat is **D-dimeren**?
1. Een **specifieke groep van afvalproducten van fibrine**. 2. Ze komen in principe voor **in alle toestanden van fibrinevorming** 3. Uitgedrukt in **μg/L**.
57
Bespreek de verhoogde d-dimerenconcentratie.
**Verhoogd**: - infecties - diepe veneuze trombosen - normale en verwikkelde zwangerschap,…
58
Wat valt er onder **biochemie**?
Labotesten die vooral **gericht zijn op het glucosemetabolisme en de nierfunctie**
59
Wat is **ureum**?
1. Een **eindproduct van het eiwitmetabolisme** en wordt **uitgescheiden door de nieren**. 2. De **verhouding tussen de ureumsynthese en de ureumuitscheiding**. 3. Uitgedrukt in **mg/dl**
60
Wat zien we in de zwangerschap gebeuren met de ureumwaarde?
Gedaalde waarde
61
Aandachtspunten bij ureumgehalte.
1. Patiënt is best **minstens 8 uur nuchter** voor de bloedafname. 2. Gebruik **een gestolde tube** 3. **Hemolyse** kan **vals positieve waarden** geven. 4. **Observeer** de patiënt op **eventuele tekenen van over- of ondervulling**.
62
Wat is **creatinine**?
1. Een **afvalstof van het spiermetabolisme**. Hoe groter de spiermassa, hoe hoger de productie van creatinine. 2. **Uitgescheiden via de nieren**. Het evalueert de functie van de glomeruli. 3. Eenheid: **mg/dl**. 4. Tussen de creatinine en het ureum kan ook een verhouding berekend worden: **de ureum-creatinine ratio**. Deze is gemiddeld 15:1 (ureum-creatinine)
63
Wat gebeurt er in de zwangerschap met het creatininespiegel?
Gedaalde waarde
64
Wat zijn de aandachtspunten bij creatinine?
1. Gebruik **een gestolde tube, volledig gevuld**. 2. De patiënt moet **niet nuchter** zijn, maar wel **vermijden om 24 uur voor de bloedafname rood vlees te eten**. 3. **Controleer** de **diurese** (volume uitgescheiden urine)
65
Wat is **bilirubine**?
Een **afbraakproduct van hemoglobine** via plasma naar lever en afgescheiden via galvocht mg/dl Twee soorten: 1. Directe (omgezette) bilirubine 2. Indirecte (niet-omgezette) bilirubine
66
verlaagde en verhoogde waarden
verlaagd bij: -anemie -bep medicatie verhoogd bij: -bep medicatie
67
Wat zijn de aandachtspunten bij bilirubine?
1. Gebruik **een gestolde tube**. 2. **Hemolyse beïnvloedt de resultaten**. 3. De patiënt is **best nuchter**, behalve voor water. (Vette voedingsstoffen kunnen het resultaat beïnvloeden) 4. Op **voorschrift van de arts**, best **24 uur voor de bloedafname stoppen met beïnvloedende medicatie.** 5. Stel het **bloedstaal niet bloot aan zonlicht**. 6. **Bloedcontact vermijden**, vooral bij **risicopatiënten** op **hepatitis**
68
Wat is **foliumzuur**?
1. Een van de **B-vitamines** en is nodig voor een normale functie van RBC en WBC. Het is in veel voedingsstoffen aanwezig. 2. Een test op foliumzuur wordt meestal gevraagd - **ter opsporing van een bepaalde soort anemie** (megaloblastische anemie), - **bij zwangerschap** (de foetus heeft een grote vraag naar foliumzuur) - **chronisch alcoholisme**. 3. Uitgedrukt in **μg/L**
69
Wat zien we gebeuren met de waarde van foliumzuur in de zwangerschap?
Gedaalde waarde
70
Geef de aandachtspunten bij bloedafname voor foliumzuur
1. Gebruik **een tube gestold**. 2. Breng **direct na afname, naar labo**. 3. **Vermijd hemolyse**. 4. Patiënt hoeft **niet nuchter** te zijn, wel **alcoholinname 24 uur voor de bloedafname vermijden**
71
Wat is **C-reactief Proteïne (CRP)**?
1. Een **eiwit, geproduceerd in de levercellen** 2. Maakt deel uit van het **verdedigingssysteem tegen ontstekingen**. 3. Het is een gevoelige, maar **niet-specifieke indicator** voor het aantonen van een **acute ontsteking in het lichaam** 4. Uitgedrukt in **mg/dl**
72
Wat is de rol van enzymen in het algemeen?
Maakt **reacties** in ons lichaam **mogelijk of versnelt** ze.
73
Hoe kan je enzymes herkennen?
Eindigen op -ase
74
Wat zijn de 5 belangrijkste ionen? | Essentieel bij?
* Na * K * Cl * Ca * Mg | Stofwisselingsprocessen (waterhuishouding en spieractiviteit)
75
Wat is de rol van **natrium**?
1. Belangrijkste kation in het **extracellulair vocht** 2. **Waterontrekkend effect** 3. Vooral belangrijk bij de **waterhuishouding** 4. Speelt een rol bij de **spiergeleiding** 5. Heeft een **functie bij enzymatische processen** 6. Helpt mee in het **behoudt van het zuur-base-evenwicht.** 7. Eenheid: **mmol/L of mEq/L**. | > Na ih extracellulaire vocht=thvd nieren veel vocht terug in bloedbaan
76
Wat zijn de aandachtspunten om natriumwaarde te onderzoeken?
1. Patiënt hoeft **niet nuchter** te zijn. 2. **Extreem hoge of lage zoutinnames** dienen wel **gemeld** te worden. 3. Een **tube gestold** kan gebruikt worden. 4. Observeer de patiënt op eventuele **symptomen van hyper- of hyponatriëmie** en op eventuele onderliggende pathologie. 5. Ga na of de patiënt **eventuele eerder orders** (i.v.m. vochtinname of -restrictie) **goed nageleefd** heeft.
77
Wat is de rol van **kalium**? | Gevaarlijk?
1. In het intracellulaire vocht. 2. Kalium wordt vooral uitgescheiden door de nieren. --> slechtwerkende nieren = stijging van het kalium is in het bloed. 3. Het lichaam legt geen reserve aan van kalium, dus moet er een dagelijkse aanvoer zijn van kalium (3 tot 4gr) 4. Uitgedrukt in **mmol/L of mEq/L**. | Te lage/te hoge kaliumspiegel ih plasma= levensbedreigende ritmestoorn.
78
Wat zijn de aandachtspunten om kaliumwaarde te onderzoeken?
1. Gebruik **een gestolde tube**. 2. Patiënt moet **niet nuchter** zijn. 3. Vermijd hemolyse. 4. De **garrot** moet **minder dan 2 minuten** aanliggen. Hou rekening met de hydratatiestatus van de patiënt. 5. Observeer de **vochtbalans van de patiënt**. --> Bij gekende hoge of lage waarden dien je indachtig te zijn op ritmestoornissen. Desnoods moet de patiënt aan de monitor. 5. **IV-toediening van Kalium moet altijd verdund** gebeuren.
79
Wat is de rol van **calcium**?
1. Te vinden **in de botten en de tanden**. 2. Geïoniseerd en niet-geïoniseerde vorm. --> Alleen geïoniseerd Ca kan door het lichaam gebruikt worden. Eiwitten en albumine in het bloed binden geïoniseerd Ca en doen zo de spiegel dalen. 3. Een rol in de **zenuwgeleiding en de hartspiercontracties.** 4. Het speelt een rol in de **stollingscascade en de cellulaire permeabiliteit**. 5. Uitgedrukt in **mmol/L, mEq/L of mg/dl**.
80
Wat veroorzaakt een gedaalde Ca-spiegel?
Het veroorzaakt **Tetanie-symptomen**
81
Wat zijn de aandachtspunten bij het onderzoeken van de calciumwaarde?
1. Een **gestolde tube**. 2. Patiënt hoeft **niet nuchter** te zijn. 3. Observeer de patiënt op **eventuele symptomen van tetanie of hartritmestoornissen**.
82
Wat is de rol van **chloride**?
1. Een anion, meestal in het extracellulair vocht 2. Speelt een **belangrijke rol in de waterhuishouding, osmolaliteit van lichaamsvloeistoffen en het zuur-base-evenwicht** 3. In combinatie met waterstofionen vormt het HCl in de maag. 4. Meest courante eenheid: **mmol/L**.
83
Wat zijn de aandachtspunten bij het afnemen van Cl-gehalte?
1. Gebruik **een gestolde tube**. 2. Patiënt moet **niet nuchter** zijn.
84
Wat is de rol van **magnesium**?
1. Te vinden in de **intracellulaire vloeistoffen** 2. Het heeft vooral zijn **belang bij de neuromusculaire activiteit**, samen met K, Ca en eiwitten. Bij een mg-deficit is er meestal ook een deficit van deze andere actoren. 3. Mg is eveneens **van belang om Na en K door de celmembranen te transporteren**. 4. Het heeft eveneens een functie in de eiwitstofwisseling. 5. Mg zit in veel voedingsmiddelen. Het is moeilijk om met een normale, gezonde voeding aan een Mg-tekort te komen. 6. De dagelijkse behoefte is 200 tot 300mg. 7. Eenheid: **mg/dl**.
85
Wat zijn de aandachtspunten bij afname magnesiumwaarde?
1. Een **gestolde tube**. 2. Patiënt moet **niet nuchter** zijn. 3. Vermeld eventueel gebruik van **antacida, laxativa, insuline en diuretica**. 3. Een magnesiumtekort kan de werking van digitalis veranderen. -->Ga eventueel gebruik bij de patiënt na. 4. **Observeer de diurese, het EKG** (T-golf veranderingen) 5. Indien **IV magnesium** dient toegediend te worden, dan moet dit **verdund en traag** gebeuren.
86
Wat betreft de lipidetesten?
Het vetmetabolisme 1. Triglyceriden 2. Cholesterol 3. HDL ("goede" cholesterol) 4. LDL ("slechte" cholesterol)
87
Wat zijn de aandachtspunten bij afname van proteïnechemie?
1. Een **tube gestold**. 2. **Vermijd hemolyse**. 3. De patiënt hoeft **niet nuchte**r te zijn. --> Wel moet **vermeden** worden om **extremen hoeveelheden vet te eten 24 uur voor de bloedafname**. 4. **Observeer** de patiënt op **uitdroging of oedeem**
88
Wat zijn belangrijke onderzoeken ivm de **proteïnechemie**?
1. Totaal Eiwit 2. Albumine
89
Welke bepalingen in het bloed kunnen wijzen op een **tumoraal proces**? Wat zijn tumormarkers?
1. CEA 2. PSA Een bepaling in het bloed/serum dat wijst op een **tumoraal proces**.
90
Wat zijn de aandachtspunten bij lipidetesten?
1. Mag met **een gestolde tube** 2. De patiënt moet **minstens 12 uur nuchter zijn**. Water mag. 3. **Alcoholverbod voor 24 uur voor de bloedafname**. 4. **Vermijd hemolyse**. 5. Er kan met **veel medicatie interactie** zijn. --> Salicylaten en cortisone kunnen de serumspiegels veranderen. 7. **Ernstige hypoxie** kan een verhoogde waarde veroorzaken. 8. In het **3de trimester an de zwangerschap is er een gestegen cholesterolwaarde**.
91
Wat zijn de aandachtspunten voor het afnemen van tumormarkers?
1. Een **gestolde tube** gebruikt worden. 2. **Vermijd hemolyse**. 3. Voor **PSA**:**bloedafname** steeds doen **VOOR het rectale onderzoek**. 4. **Wees tactvol**met de patiënt. Soms is er reeds een vermoeden van maligniteit en is de patiënt op de hoogte ervan. 5. De patiënt moet **niet nuchter** zijn. 6. Indien bij een zwangere **een positieve AFP** (Alfa-foetoproteïne) --> dan dient dit steeds na een week herhaald te worden.
92
Wat houdt **serologie** in?
Onderzoeken van antistoffen, antigenen en antilichamen in het bloedserum --> **virale infecties** aantonen.
93
Wat zijn essentiële serologische markers gelinkt aan zwangerschap-bevalling-postpartum?
1. Hepatitis A - HAV 2. Hepatitis B - HBV 3. Hepatitis C - HCV 4. CMV - Cytomegalovirus 5. Toxoplasmose 6. Rubella 7. HIV
94
# ZELF OPGEZOCHT, NIET IN CURSUS Voor wat wordt **HAV-serologie** gebruikt?
Om **antilichamen tegen het hepatitis A-virus te detecteren**. --> Tijdens de zwangerschap kan een **HAV-infectie leiden tot complicaties**, maar de meeste gevallen zijn asymptomatisch. Het is echter belangrijk om te testen, omdat het **overdragen van het virus aan de foetus een risico** vormt.
95
# ZELF OPGEZOCHT, NIET IN CURSUS Wat omvat **HBV-serologie**?
Testen op **HBV-antigeen en antilichamen**. --> Zwangere vrouwen worden routinematig getest op **HBsAg (hepatitis B-oppervlakte-antigeen)** om te bepalen of ze chronische drager zijn, omdat HBV kan worden overgedragen op de baby tijdens de bevalling.
96
# ZELF OPGEZOCHT, NIET IN CURSUS Op wat is **HCV-serologie** gericht?
Gericht op het **detecteren van antilichamen tegen het hepatitis C-virus.** --> Zwangere vrouwen met HCV worden gescreend om overdracht van het virus aan de baby te voorkomen, omdat het risico op **verticale overdracht** bestaat tijdens de bevalling
97
# ZELF OPGEZOCHT, NIET IN CURSUS Voor wat wordt **CMV-serologie** gebruikt?
Het wordt gebruikt om **antilichamen tegen het cytomegalovirus** te detecteren. --> CMV kan tijdens de zwangerschap worden overgedragen van moeder op kind, en het kan leiden tot **aangeboren afwijkingen en neurologische problemen bij de pasgeborene**
98
# ZELF OPGEZOCHT, NIET IN CURSUS Wat omvat serologie voor toxoplasmose?
**Het detecteren van antilichamen tegen Toxoplasma gondii**. --> Zwangere vrouwen worden getest omdat een **primaire infectie tijdens de zwangerschap kan leiden tot aangeboren toxoplasmose bij de foetus, wat ernstige gevolgen kan hebben**.
99
# ZELF OPGEZOCHT, NIET IN CURSUS Waarom wordt serologie voor rubella uitgevoerd?
Om antilichamen tegen het rubellavirus te detecteren. --> **Een rubellabesmetting tijdens de zwangerschap** kan ernstige aangeboren afwijkingen veroorzaken bij de foetus, waaronder **doofheid, oogafwijkingen en hartafwijkingen**.
100
# ZELF OPGEZOCHT, NIET IN CURSUS Waarom wordt HIV-serologie uitgevoerd?
Om antilichamen tegen het HIV-virus te detecteren. --> **Zwangere** vrouwen worden **routinematig getest op HIV** om overdracht van het virus op de baby te voorkomen, via **antiretrovirale therapie en preventieve maatregelen tijdens de bevalling**
101
Wat zijn de aandachtspunten bij het prikken ivm serologie?
1. Meestal wordt **een tube gestold** gebruikt. 2. Zorg zeker voor **goede bescherming**. Een aantal aandoeningen kunnen door **bloedcontact overgedragen** worden. 3. Soms zijn specifieke maatregelen nodig.
102
Welke hormonen kunnen via bloedonderzoek onderzocht worden?
1. Zwangerschaps- (Hcg) 2. Geslachtshormonen (Testosteron, LH, FSH, Progesteron,…) 3. Schildklier- (TSH, T3,…) 4. Bijnier (cortisol, Androstenedion)
103
Wat is het doel van testen op vlak van drugmonitoring?
Het doel is om **de therapeutische serumspiegel van bepaalde medicatie bepalen** --> marge tussen intoxicatie en therapeutische drempel is klein
104
Wat onderzoeken we qua toxicologie?
Producten vreemd aan het lichaam, al dan niet accidenteel ingenomen (bv. ethanol)
105
Hemocultuur?
**Bacteriële septicemieën opsporen en identificeren** --> adhv aërobe en anaërobe kweek, om een antibiogram te bepalen = **geschikt antibiotica bepalen**
106
Afwijkende waarden kunnen te verklaren zijn door?
1. Fysiologische veranderingen 2. Veranderingen tijdens staalafname 3. Chemische interferenties
107
Wat zijn mogelijke fysiologische veranderingen die voor afwijkende waarden kunnen zorgen?
1. Dieet --> glucose, koffie, langdurig vasten 2. Ritmische veranderingen --> menstruele cyclus, schommelingen vit D en caroteen 3. Inspanning en stress --> rechtstaan vs zitten, lange inspanning, acute stress 4. Geneesmiddelen 5. Roken
108
Wat zijn mogelijke veranderingen tijdens staalafname die voor afwijkende waarden kunnen zorgen?
1. **Oorsprong van het staal:** Waarden kunnen verschillen afhankelijk of de bloedname veneus, arterieel of capillair gebeurd is. 2. **Effect van de knelband:** zo zal het lactaat en ammoniak stijgen door hemoconcentratie 3. **IV-vloeistoffen**: deze zullen een effect hebben indien de bloedname aan de zelfde kant gebeurd als het perifeer infuus. 4. **Hemolyse** 5. **Bewaarmiddelen en antistolling** 6. **Verkeerde identificatie** 7. **Veranderingen na de bloedname** 8. **Pocket syndroom**= langdurig met bloedtubes in de zakken lopen--> de temperatuur van de bloedtubes --> stijgende waarden van ammoniak en lactaat. De waarde van catecholamines zal hierdoor dalen.