Diabetes Flashcards Preview

Ziekteleer > Diabetes > Flashcards

Flashcards in Diabetes Deck (117)
Loading flashcards...
1

Cijfers diabetes

Ongeveer een miljoen mensen in NL.

25% van de DM patiënten weet het nog niet (in NL is dit percentage kleiner ivm screening na 60 jaar)

De komende jaren wordt er een stijging van ongeveer 34% verwacht.

Economisch is diabetes ook een enorme last, het kost ongeveer 1,7 miljard per jaar.

2

Wat is diabetes?

- stofwisselingsziekte, primair gekenmerkt door teveel glucose in het bloed (chronische hyperglycemie)
- Insuline heeft een sleutelrol
- Als gevolg van defecten in secretie insuline treden ook stoornissen op in vet-en eiwitstofwisseling

Insuline wordt aangemaakt in de alvleesklier. Op het moment dat je gaat eten wordt er meer insuline aangemaakt om die suikers op te nemen.

Belangrijk om te weten welke vorm, dan weet je welke behandeling.

3

Productie insuline

Betacellen in de eilandjes van Langerhans zijn groepjes cellen in de alvleesklier waar insuline wordt gemaakt.

B-cellen in de pancreas.

De alvleesklier is ook betrokken bij spijsvertering.

Als je teveel suiker in je bloed hebt plas je het uit.

4

Insuline

Is een opbouwend hormoon. Het bouwt spieren en vet op. Bij weinig insuline val je af.

Eerst moet van de pro-insuline de c-peptide worden afgeknipt, daarna is het werkzaam.

Vanaf 1923 begint toediening van insuline

5

HbA1C

Suiker bindt zich aan het rode bloed, dus hoe meer suiker in je bloed, hoe meer suiker zich heeft gebonden aan de rode bloedcellen.

Met die meting kun je zien hoe het gemiddelde de afgelopen 6-8 weken was.
Probleem: schommelingen worden niet weergegeven.

4x meting. Het is de beste maat, omdat we geen andere maat hebben.

Eigenlijk iedere waarde die je vindt boven de 11 is iemand met diabetes.

6

Zwangerschapsdiabetes

Bij het merendeel gaat het na de zwangerschap weg.

= aanleg of hoog BMI

7

MODY

Vaak genetische aanleg

8

Criteria diabetes

Gestoord nuchter glucose:
Vingerprik: 5.6-6,1 mmol/l
Uit ader: 6,1-7,0 mmol/l

Gestoorde glucose tolerantie:
Vingerprik: 7,8-11,1 mmol/l
Uit ader: 7,8-11,1 mmol/l

9

capillair bloed en veneus plasma

capillair bloed = vingerprik

Veneus plasma = uit de arm

10

Insulineresistentie

Weefsel is minder gevoelig voor insuline.

Vaak is er een combinatie van verstoorde insuline productie en insuline resistentie

11

Type 1

- Auto-immuun type 1 en LADA:
Het lichaam maakt antistoffen.

- idiopathische type 1:
Je vindt geen antistoffen, verder dezelfde kenmerken.

Het ontstaat doorgaans op jongere leeftijd, vrij acuut met flink ziek zijn en gewichtsverlies.

Zo'n 10-15% heeft dit type.

Door ontspoorde afweerreactie tegen insuline producerende betacellen in de eilandjes van Langerhans wordt geen insuline meer gemaakt.

Erfelijke vatbaarheid en omgevingsfactoren spelen een rol

LADA is langzamer ontwikkelende vorm van autoimmuun type 1

Idiopatische type 1 is een vorm waarbij de etiologie van de betaceldestructie niet duidelijk is.

Bij type 1 heb je vanaf het begin insuline nodig.

Inpassing speelt grote rol in insulineregulatie.

12

Type 2:

Je maakt te weinig insuline om aan de vraag te voldoen.

Type 2 is vaak beter te regelen dan type 1

Bij type 2 speelt beweging niet zo'n grote rol in de regling.

Bij type 2 gaat de insulineproductie vaak eerst omhoog, maar wegens resistentie kan het niet tegen de vraag op. Dan neemt de productie af en dat is vaak het moment dat je insuline erbij krijgt.

13

Kenmerken type 1:

- veel drinken, veel plassen
- gewichtsafname in korte tijd
- klachten gaan vaak heel snel (misselijk, braken)
- soms verminderd bewustzijn, uitputting
- snelle diepe ademhaling, acetongeur uitademing
- uitdrogingsverschijnselen.
- wordt bij aanvang ontdekt.

14

LADA

Meestal bij volwassenen, presenteren zich niet met een acuut beeld, ontwikkeld zich langzamer (wordt ook wel aangezien voor type 2).

15

Ontwikkeling diabetes

Waarschijnlijk is de ontwikkeling niet van de een op de andere dag, er zit een fase aan vooraf. Er zijn 2 triggers: aanleg en omgevingsfactoren (infectie, voeding, milieu, allergie)

Heel zeldzaam is het bij de geboorte aanwezig. Meestal heeft het die 2 triggers nodig.

16

Type 2

Ontstaat doorgaans op oudere leeftijd, al komt het steeds vaker bij jongeren voor.

Ontstaat geleidelijk met weinig klachten.

De insuline productie is onvoldoende om een verhoogde behoefte aan insuline op te vangen. Op een gegeven moment kan de alvleesklier de vraag niet meer aan.

Die behoefte is verhoogd door ongevoeligheid voor insuline (insuline-resistentie)

Erfelijke vatbaarheid om ongevoelig te worden voor insuline bij overgewicht en onvoldoende beweging zijn de belangrijkste oorzaken + betaceldisfunctie.

Vaak krijg je eerst tabletten om insulineproductie te versterken en de resistentie te verminderen. Vaak na een aantal jaren insuline.

17

Kenmerken type 2

- moe zijn, prikkelbaar.
- moeizame genezing van wonden
- kan ontdekt worden door een complicatie

Vaak zijn hypo's niet zo'n probleem bij type 2, hypers zijn het probleem. Dus, snelle suikers vermijden, gezond BMI en veel bewegen.

18

Incretine

Incretine (GLP1) is een darmhormoon en heeft invloed op de productie van insuline. Maaltijdgerelateerd.

Er is een verminderd incretine-effect. Deze darmhormonen zetten wat minder goed de productie aan.

19

Hypo

Onder de 3.8

Oorzaken:
- teveel insuline
- te weinig eten
- veel bewegen
- emoties/stress
- alcohol

Medicijn -> glucagon

- trillen
- honger
- zweten
- concentratieproblemen
- reactievermogen achteruit
- kans op coma.

Onderverdeling:
1. hypo's zonder klachten, lage waarden zonder dat iemand er last van heeft.
2. milde hypo's: iemand is zelf in staat actie te ondernemen.
3. Ernstige hyp's: hulp van derden nodig.

1 op 3 maakt ernstige hypo mee, 1 op 5 raakt een keer in coma.

20

Hyper

Klachten ontstaan bij glucosewaarde van 10-15 mmol/l

- polydipsie
- polyurie
- visusklachten
- moeheid
- afvallen
- infecties (bv vaginale schimmel)
- slecht helen van wondjes
- tintelingen of dof gevoel in voeten
- seksuele problemen.

21

Dyslipidemie

Afwijking in je vetspectrum. Teveel LDL cholesterol

22

Micro- en macrovasculaire complicaties

Microvasculair: afwijkingen kleinste arteriolen en capillairen = kleine bloedvaten
- retinopathie
- nefropathie
- neuropathie

Op den duur bij 50-80%

Macrovasculaire: versnelde atherosclerose in kransslagaders en beenslagaders = grote vaten
- CVA
- Myocardinfarct
- Perifeer vaatlijden.

Diabetespatiënten 2-4 keer hogere kans op cardiovasculaire complicaties. Veroorzaakt ongeveer 80% van de mortaliteit.

Gemiddeld 5-10 jaar kortere levensverwachting.

23

Neuropathie

Gevoelstoornis, bijvoorbeeld in de voeten.

- Sensibele verschijnselen: tintelingen, dof gevoel, gevoelloos of pijn. Meestal beginnend verste eind, langzaam opstijgend

- Motore verschijnselen: zwakte/atrofie intrinsieke spieren van handen en voeten.

- jaarlijks testen en wekelijks voeten controleren op wondjes

- in combinatie met slechte vaatvoorziening: meer kans op wonden voeten.

24

Factoren die complicaties beïnvloeden

- duur diabetes
- regulatie diabetes
- overgewicht, roken, dyslipidemie, leeftijd
- mate van insulineresistentie, hoge insulineconcentraties.

25

Factoren die complicaties beïnvloeden

- duur diabetes
- regulatie diabetes
- overgewicht, roken, dyslipidemie, leeftijd
- mate van insulineresistentie, hoge insulineconcentraties.

26

Retinopathie

Kleine vaatjes in de ogen gaat kapot. Jaarlijks onderzoek

27

Nefropathie

Nieren laten makkelijker eiwitten door: jaarlijks urine controle; microalbuminurie (/kreatinine ratio)

Later kan de nierfunctie verminderen, tot dialyse aan toe

Therapie: glucosewaarden normaliseren, bloeddrukwaarden normaliseren (RAAS remming), zout/eiwitbepaling

28

Neuropathie autonoom

- schade aan onwillekeurige zenuwstelsel
- gastrointestinaal: vertraagde passage slokdarm, vol gevoel maag, obstipatie/diarree, incontinentie
- Cardiovasculair: snelle hartslag, orthostase, stil hartinfarct
- Urogenitaal: neurogene blaas, seksuele disfunctie
- zweetsecretie: slecht kunnen zweten, hitteintolerantie, droge huid
- pupilfunctie

29

Cerebrale complicaties

- cognitieve disfunctie
- dementie
- affectieve stoornissen: 2x zoveel kans op depressie

30

Zelfcontrole

- zelf controleren van de bloedspiegel
- aanpassen insuline dosis aan glucosewaarden, Inzicht hebben in verloop, maaltijden, insulinedosis, beweging.