Oncologie Flashcards Preview

Ziekteleer > Oncologie > Flashcards

Flashcards in Oncologie Deck (94)
Loading flashcards...
1

Goedaardige mamma-afwijkingen met verhoogde kans op maligniteit

Ductaal carcinoom in situ:
- vaak niet te voelen
- kan multifocaal zijn
- drie differentatiegraden
- geeft kalkspatjes op mammogram
- kan niet uitzaaien

pre-maligne afwijking.

In situ betekent voorstadia.
DCIS: ontstaat in de melkgang
LCIS (lobulair): ontstaat in de melkklier

2

Cystes

Een veelvoorkomende goedaardige aandoening. Een met vocht gevulde holte. Ontstaat door een verstopping of zwakke plek in de wand van de melkgang of melkklier.

Het kan met een punctie leeggezogen worden.

3

Goedaardige afwijkingen

In overleg wordt het wel of niet weggehaald. Het kan hinderlijk en pijnlijk zijn. Weghalen laat vaak litteken achter.

4

Verschil tussen schildwachtprocedure en een okselklierdissectie:

Schildwachtprocedure:
Een andere naam voor schildwachtklier is poortwachterklier. Deze klier bevat als eerste een uitzaaiing. Deze procedure haalt de klier weg die dichtsbij de borst zit en kijkt of er tumorcellen in de schildwachtklier zitten. Schildwachtklierprocedure meestal tijdens de operatie.

Okselklierdissectie:
Als in de schildwachtklieren uitzaaiingen zitten worden alle okselklieren + vetweefsel weggehaald die bij de oksel horen. Weghalen en onderzoeken van deze lymfeklieren is belangrijk voor bepalen van de aanvullende behandeling.

Dit telt niet als uitgezaaide ziekte, want het is curatief te behandelen.
Bijwerkingen: lymfe oedeem, dit wordt vaak chronisch. De arm gaat zwellen en pijn doen.

5

Erfelijke borstkanker

Richtlijn:
- borstkanker voor 40ste levensjaar.
- in beide borsten voor 50ste levensjaar.
- borst-en eierstokkanker bij drie of meer eerste-of tweedegraads familieleden.
- borstkanker en eierstokkanker <70 jaar.
-borstkanker bij man

6

Prognose borstamputatie of borstbesparend

Als beide mogelijk is dan maakt het voor de prognose niets uit.

Soms is borstamputatie nodig ivm de plek van de tumor, de grootte van de borst of de algemene conditie van de patiënt.

Ablatio = weghalen. Tepel wordt altijd weggehaald, want daar komen alle melkklieren op uit.

Sparend + bestralen is even veilig als weghalen. Na sparen altijd bestralen. Veel mensen moeten mind switch maken als ze horen dat sparend mogelijk is.

Als er al borstbesparend is geweest en het komt terug kun je niet nog een keer sparen. Sparen gaat samen met bestralen en je kunt maar 1x in je leven bestralen op de borst.

7

Belangrijkste hulpmiddelen borstkanker diagnostiek

- Bevolkings/screeningsonderzoek door mammografie
- echo
- zelfonderzoek
- punctie

8

Nacontrole borstkanker

- er wordt gekeken naar een tweede primaire tumor of recidief
- NIET gekeken naar uitzaaiingen
- controle op bijverschijnselen van operatie en chemo
- sociaal emotionele factoren
- pijnbestrijding

9

Vormen van borstreconstructie

- met prothese (implantaat)
- met spierweefsel en/of huid en vet uit de buik
- met rugspier
- met spierweefsel, huid en vet uit dijbeen
- tepelreconstructie (verplaatsing of tattoo)

- direct
-indirect
-invloed van al dat niet RT

10

Echo bij borstkanker

Met een echo kun je de borst niet screenen, want je moet goed zoeken. Als er iets op de mammogram te zien is of als de vrouw iets voelt wordt er gericht op de afwijking een echo genomen.

11

Biopt

Is bewijzend of het wel of niet kwaadaardig is. Biopt wordt genomen als het afwijkend is.

12

Meestvoorkomende vorm borstkanker

Ductaal carcinoom 80%

= afvoergang van melkklier

13

Lobulair carcinoom

vanuit de lobjes groeit wat. Dit is sprietiger en minder goed te zien op de foto, daarom MRI

14

TNM classificatie

Beschrijving stadium, wereldwijd voor alle tumoren.

Stadium heeft 3 elementen:
T: tumor
N; regionale lymfeklieren
M: metastasen (Mx, M0, M1)

Stage 0: in situ
Stage 1: Beperkt invasief
Stage 2: Resecabel grotere T of N+
Stage 3: Uigebreide lokale tumor, niet resectabel
Stage 4: Metastasen op afstand elke T, elke N.

Mx = niet op afstand gekeken (bijv als er in de oksel niets zat)
M1 = metastagering

15

Mammaprint

Je kijkt in DNA van tumor en je kijkt of iemand wel of niet een gunstig genenprofiel heeft (wel/niet grote kans op uitzaaiing). Dit gebruik je bij een twijfelgeval of chemo wel of niet nodig is.

16

Factoren waar rekening mee wordt gehouden met de behandeling

- type kanker
- omvang van de ziekte
- leeftijd
- andere ziekten
- algemene toestand van de persoon.

17

Curatief vs palliatief

Niet gemetastaseerd -> curatief en genezing tot doel

Gemetastaseerd -> palliatief

Chemo, bestraling en operatie kan allemaal palliatief zijn.

Bij een gemetastaseerde ziekte:
- behandelen van zichtbare metastasen
- streven = palliatie en levensverlenging
- chemotherapie onderdeel reeks klachten verminderen.

18

Sentinel node

Je haalt er een lymfeklier uit.

19

Anti hormoon therapie

Duurt 5-10 jaar

20

Bestraling

Dood alle sneldelende cellen. Aan het eind wordt de huid rood en warm (alsof je in de zon hebt gelegen)

Alle weefsels zijn - in verschillende mate - gevoelig voor de werking van stralingen.

- indicatie in iets meer dan 1/2 van de gevallen
- Soms alleen RT
- Soms combinatie chirurgie en/of chemo

Er wordt een soort 'bouwplan' gemaakt om een tumor zo gericht mogelijk te bestralen, want er sterft ook gezond weefsel.

Tussen de 16-23 keer. Je kunt een keer een flinke boost geven (hoge dosis), daarna met warmte (anders kan huid het niet aan).

Radiotherapie zelf is niet pijnlijk, de gevolgen wel.

21

Palliatief

- verbetering van de overleving
- verbetering KvL
- afwegen benefit tov toxiciteit
- wens van patiënt
- mogelijk langdurige remissies bij patiënten met metastasen.

Bij borstkanker kan soms 1 uitzaaiing op het bot wijzen op chronische borstkanker.

22

Locoregionale behandelingen

- Chirurgie
Gaat altijd in combinatie met andere behandeling. (Lokale) radiotherapie of algehele systemische behandeling.

- Radiotherapie

23

Systemische behandelingen

- Chemotherapie
- Immunotherapie
- Monoklonale behandeling
- Hormonale behandeling

Monoklonaal = 'target therapie' -> tumorcel heeft receptoren die binden aan groeifactoren. Als je die receptoren afdekt kan de tumor niet meer groeien en gaat die ten gronde.

24

Adjuvante therapie

Een aanvullende behandeling, na een eerdere behandeling die in opzet genezend was.

Gericht op micrometastasen te vernietigen (die zijn niet zichtbaar). Alleen curatief!

De behandeling moet opwegen tegen de gevolgen.

- na (of tijdens) loco regionale behandeling residuele micrometastasen vernietigen
-Het is een geschat effect op absolute en relatieve daling in het risico op een recidief.

25

Neo-adjuvant

- vóór de toepassing van een loco regionale behandeling
- mogelijkheid om effect op primaire tumor te evalueren
- gehoopt dat systematische behandeling die tumor respondeert ook gunstig effect zal hebben op micro metastasen
- respons is in sommige gevallen gecorreleerd met prognose
- significante tumorvolume afname -> minder mutilerende chirurgie

Of je adjuvant of neo-adjuvant (vooraf of achteraf) geeft maakt voor de overleving niets uit.

26

Tripple negatief

reageert niet op hormoontherapie en monoklonale therapie

27

Chemotherapie

Gezonde cellen hebben meer 'repair mechanisme', waardoor ze zich sneller herstellen.

Vaak verschillende chemo's in combinatie. Gericht op verschillende fases van het delen.

- medicijnen die de celdeling remmen of stoppen
- toegediend via infuus, tabletten, injectie
- effect op verschillende momenten van de celdelingscyclus

28

Log. kill

Chemotherapie doodt tumorcellen volgens een kinetiek van een 2e orde -> een kuur zorgt voor het doden van eenzelfde percentage tumorcellen.

Op basis van het percentage dat sterft wordt berekend hoe lang er doorgegaan wordt. Je hoopt dat leven in de laatste cellen niet meer mogelijk is.

29

Resistentie

Primaire resistentie

Secundaire resistentie:
tumor ontsnapt aan therapeutisch effect, na een initiële regressie.

30

Interne en externe radiotherapie

Extern:
- stereotactisch: bundels komen op één punt samen om kleine volumes met hoge dosis te bestralen (gammaknife)
- protontherapie: dosis verminderen, weefsel achter de tumor niet bestralen.

Intern:
radioactieve stof ingeplant in een orgaan, in direct contact met het gezwel.