Long Flashcards Preview

Ziekteleer > Long > Flashcards

Flashcards in Long Deck (143)
Loading flashcards...
1

Vragen die de longarts stelt:

- benauwdheid
- roken
- familiegevallen
- hoesten
- gewichtsverlies (-> kans op kwaadaardig groter)

2

Onderzoek longarts

- anamnese
- lichamelijk onderzoek
- aanvullend onderzoek:

- PET/CT scan
- Longfunctie
- Laboratorium onderzoek
- Niet invasieve onderzoeken (bronchoscopie endo-echoscopie)
- Invasieve onderzoeken (transthoracale punctie, thorascopie, mediastinoscopie)

3

PET scan

Radioactief glucose inspuiten en alles wat actief is licht op. Als het oplicht hoeft het niet meteen kwaadaardig te zijn, het kan ook een infectie zijn.

4

Flow volume curve

Een patiënt moet inademen en daarna zo snel mogelijk weer uitademen.

FEV1 is een maat om de ernst van obstructie aan te geven. Hoe lager het getal hoe erger.

5

Bronchoscopie

Er zit een werkkanaal in waarmee je vloeistof kunt inspuiten en hapjes kunt nemen.

6

Thoracoscopie

Als de afwijking ver naar buiten zit kun je het vanaf de buitenkant benaderen. Kans op klaplong. Dat gaat vaak vanzelf over, maar er moet een drain worden gezet.

7

Mediastinoscopie

Wordt door de chirurg gedaan als het nog niet goed zichtbaar is

8

Longblaasjes

Daar vindt zuurstofuitwisseling plaats. Er zijn miljoenen kleine blaasjes -> daardoor is het oppervlak groter.

9

Verwering tegen schadelijke stoffen

- trilharen (sigaretten maken dit kapot, meer slijmproductie)
- hoesten
- neusharen

Als er stof in de longen terechtkomt proberen macrofagen het op te ruimen. Als ze er nergens mee terecht kunnen hoopt het zich op. Dan ben je makkelijk vatbaar voor infecties en benauwdheid.

10

Astbest

Macrofaag probeert ze op te ruimen, maar asbestdeeltjes kunnen er doorheen prikken omdat ze zo lang zijn. Daar komen ontstekingscellen op af en dat kan kwaadaardig worden.

11

Zelfregulatie en autoregulatie

Ademen kan zowel bewust als onbewust. Je kunt het even stilleggen, maar op een gegeven moment neemt de autoregulatie het over.

Vloek van Ondine-> autoregulatie is verstoort. Bij slapen stopt de ademhaling.

12

Componenten van het ademhalingssysteem

Respiratoire sensoren:
- Perifere arteriele chemoreceptoren (registreren hoeveel zuurstof er is) o.a. in aorta
- Centraal (hersenstam) chemoreceptoren
- Intra pulmonale receptoren (in de longen)
- Borstkast en spier mechanoreceptoren

13

Mechanoreceptoren

Sensoren die elke in-en uitademing registreren hoe makkelijk de beweging van de borstkast gaat.

14

COPD

Chronische luchtwegvernauwing.
De vernauwing is meestal progressief en hangt samen met een abnormale ontstekingsreactie als reactie op schadelijke deeltjes of gassen. Onderliggende oorzaak is een chronische ontsteking.

Bij COPD worden kleine longblaasjes kapot gemaakt en wordt het een grote blaas.

Bij COPD gaat de ademhaling moeilijk, waardoor er continu lucht in de longblaasjes achterblijft. Daardoor staat het middenrif naar beneden (afgevlakt). Ze gaan extra ademhalingsspieren gebruiken om te ademen. Dat kost veel energie en daarom vallen ze af.

15

Spiergroepen voor ademhaling

- Diaphragma
- Hulpademhalingsspieren

Inademen:
Buitenste tussenribspieren + diafragma (middenrif)

Uitademen:
Geen.

Bij diepe ademhaling extra spieren.

16

Zuurstof

Zuurstof kun je niet opslaan. Je organen hebben het continu nodig.

Als er geen zuurstof is merkt je lichaam dat niet echt. Geen prikkel dat het niet goed gaat, je valt gewoon weg.

17

Longoperatie

Rechterlong is groter, dus die operatie is groter, je levert meer longfunctie in.

18

Prikkels die de long wel/niet waarneemt

Wel:
- verslikkingen
- rook

Niet:
- zuurstofgebrek
- koolstof mono oxide
- geen pijn sensatie in de long.

19

RAR en SAR

RAR:
- hoest receptoren

SAR:
-activatie -> relaxatie bronchiaal spiervezels

20

Chronische bronchitis

- Chronische productie van slijm
- Minimaal 3 opeenvolgende maanden per jaar.
- minimaal 2 opeenvolgende jaren

21

Emfyseem:

Slijtage aan de longblaasjes, uitgerekte longen. Hoe meer de longblaasjes kapot gaan, hoe meer de luchtwegen zullen vernauwen. Longblaasjes houden het normaal gesproken wijder.

22

Epidemiologie COPD

- prevalentie neemt sterkt toe boven 45 jaar
- prevalentie:21 op de 1000. Meer dan 360.000
- 4.1% van de sterfte
- een van de ziekten met de hoogste sterfte (hoger dan myocardinfarct)

Wereldwijd is het de enige doodsoorzaak die blijft stijgen. Verwachting is dat het blijft stijgen (met 30%), omdat er een vertragingsfactor nav rookgedrag is.

23

GOLD stadia

GOLD richtlijn: classificatie adv FEV1 waarde

I licht: FEV1> 80
II matig ernstig: FEV1 50-80
III ernstig: FEV1 30-50
IV zeer ernstig: FEV1 <30

Deze waarde alleen zegt weinig, er spelen meer factoren mee. Iemand met gold 4 kan in een rolstoel zitten, maar kan ook nog rondwandelen.

24

Risicofactoren voor COPD

Persoonsgebonden:
- zeker: alfa-1 antitrypsine
- waarschijnlijk: familiair, laag geboortegewicht, hyperreactiviteit, frequente luchtweginfecties

Omgevingsgebonden:
- zeker: sigerettenrook, cadmium, silicum
- waarschijnlijk: sociaal-economische status, passief roken, luchtverontreiniging

25

COPD en roken

- Meer dan 90% van COPD patiënten rookt of heeft gerookt

- Ongeveer 15% van alle rokers ontwikkelt COPD (bij veel anderen is er al wel schade)

Enige interventie die de snelheid van de achteruitgang kan stoppen is stoppen met roken. Ook op latere leeftijd heeft dat effect.

26

COPD en hartklachten

Bij verslechterde luchtwegen moet het hart harder pompen, dus is de druk hoger.

Veranderingen in de structuur en functie van de rechter ventrikel door hoge bloeddruk. Veroorzaakt door ziekten in de longen.

Rechter ventrikel hypertrofie:
- 40% van patiënten met FEV1 <1.0 L
- 70% van patiënten met FEV1 <0.6 L

27

COPD en kortademigheid

Door de vernauwde luchtwegen duurt het bij de uitademing langer voordat de lucht eruit is. Als je in de tussentijd alweer inademt blaas je jezelf op -> hyperinflatie.

28

Diagnostiek COPD

- anamnese
- lichamelijk onderzoek
- röntgenonderzoek
- longfunctie
- lab

29

Anamnese COPD

- kortademigheid, moeheid
- hoesten
- gewichtsverlies
- oedeem
- pijn (vaak over het hele lichaam)

30

Lichamelijk onderzoek

- inspectie thorax (als die opgeblazen is wijst dat op hyperinflatie, kenmerk COPD)
- auscultatie longen
- oedeem, veneuze druk
- voedingstoestand