hoorcollege 12 Flashcards Preview

Wetenschapsfilosofie > hoorcollege 12 > Flashcards

Flashcards in hoorcollege 12 Deck (22):
1

Serieus nemen van wetenschap en het mentale

Serieus nemen van wetenschap en het mentale
SD & idealisme nemen mentale serieus, maar wetenschap niet.
Behaviorisme neemt wetenschap serieus, maar mentale niet.
“De IT neemt zowel het mentale en de resultaten van de fysica en andere wetenschappen
serieus.” (StD: 27). De identiteitstheorie is een versie van het materialisme (fysica). Er is
maar een substantie

2

Minimale aanname materialisme
Materialisme slaat pas laat aan

Minimale aanname materialisme
Materialisme slaat pas laat aan
Thomas Hobbes pleitte al voor een materialisme (StD:9). Zijn argument was vooral dat
dualisme onzinnig was. Moderne materialisten geven ook positieve argumenten voor die
positie. Materialisme is een vorm van monisme: er is slechts één substantie & dat is de
materiële. Een materialist claimt dat de geest bestaat, maar de geest is fysisch.
Materialisme = fysicalisme (hoewel in sommige teksten fysicalisme voor MBIT gereserveerd
wordt).
Onder materialisme valt: MBIT, functionalisme, connectionisme en de EET en EMT (&
meestal behaviorisme ook – maar niet altijd).Minimale aanname geformuleerd door Kim: Mind-body supervenience.

3

Superveniëntie
Algemeen

Superveniëntie
Algemeen geaccepteerde stelling van materialisten: materialisme (zowel de identiteitstheorie
als het functionalisme) moet superveniëntie aanvaarden - dat is een minimale eis aan
materialisme. De precieze invulling varieert dan (volgens de identiteitstheorie is
superveniëntie de identiteitsrelatie; volgens het functionalisme is het een realisatie-relatie).

4

Gewone superveniëntie (dus niet lichaam-geest superveniëntie)
Het is een bepalingsrelatie:

Gewone superveniëntie (dus niet lichaam-geest superveniëntie)
Het is een bepalingsrelatie: de delen en de onderlinge relaties van de delen bepalen de
eigenschappen van het geheel.
Zelfde lager niveau structuur (d.w.z. legoblokjes zijn gelijk van vorm en zijn op dezelfde
manier – volgens dezelfde bouwtekening – neergezet), dan dezelfde hogere niveau structuur
(een brandweerauto). De legoblokjes en de onderliggende structuur bepalen de vorm van dit
object (brandweerauto). De delen en de onderlinge relaties bepalen de vorm van het geheel.
De vorm van de brandweerauto supervenieert op de legoblokjes en hun onderliggende relatie.
De geest supervenieert op materie. De materie zijn eigenlijk ook bouwblokjes, als deze een
bepaalde structuur hebben dan supervenieert dat met een geest.
Jaegwon Kim noemt de aanname van superveniëntie ook wel de "Star Trek Assumption". De
machine maakt als het ware een bouwplan van jou. Het idee is dat het dezelfde persoon is als
je hem uit elkaar haalt op de planeet en weer in elkaar zet op een space-ship.
Hebben beide Rikers dezelfde gedachten/emoties etc.? Hebben ze dezelfde gevoelens voor
Troi. Als je deze intuïtie hebt, dan geloof je (impliciet) in superveniëntie;
“[Mind-body supervenience] The mental supervenes on the physical in that any two things
(objects, events, organisms, persons, etc.) exactly alike in all physical properties cannot
differ in respect of mental properties. That is physical indiscernibility entails psychological
indiscernibility.” (Kim 1996: 10)
Twee dingen die gelijk zijn in de fysische eigenschappen, zullen gelijk zijn in mentale
eigenschappen. Als twee dingen fysisch niet van elkaar te onderscheiden zijn, dan zijn ze
mentaal niet van elkaar te onderscheiden. Het fysische bepaalt het mentale. Het mentale
supervenieert op het fysische. Dit kan op verschillende manieren (posities) geïnterpreteerd
worden.

5

let op

Let op!
De superveniëntie these zegt alleen dat als twee toestanden fysisch (FT) gelijk zijn, dat de
mentale toestanden (MT) dan niet kunnen verschillen, dus: = plaatje

6

Wat is identiteit?
Gelijkheid / kwalitatieve identiteit - Eerste opvatting van identiteit:

Wat is identiteit?
Gelijkheid / kwalitatieve identiteit - Eerste opvatting van identiteit:
We gebruiken de notie 'identiteit' als we het over twee zaken hebben die veel gelijkenis
vertonen. Zo spreken we van "een identieke tweeling". Ze lijken op elkaar, maar zijn twee verschillende mensen. Twee merken koffie die net zo goed zijn (het gaat dus niet over
persoonlijke identiteit). Hier draait het bij MBIT niet om.

7

Numerieke / kwantitatieve identiteit - Tweede opvatting van identiteit:

Numerieke / kwantitatieve identiteit - Tweede opvatting van identiteit:
We gebruiken de notie 'identiteit' ook als we het hebben over "twee" zaken die eigenlijk
hetzelfde zijn. Het is een en hetzelfde ding. Voorbeeld "Socrates is de man van Xantippe."
Zowel de naam 'Socrates' als de singuliere beschrijving "de man van Xantippe" verwijzen
naar één persoon. Hier draait het bij MBIT wel om: a = b.
Een tweeling is niet numeriek identiek, maar wel kwalitatief identiek.

8

Ullin T. Place

Ullin T. Place (brein staat bij universiteit waar hij werkte)
Hij beweerde dat mentale toestanden identiek zijn aan hersentoestanden. Het gaat niet om een
kwestie dat we een definitie geven dat A = B (pijn = vuren van C- vezels). We hebben al
redenen om aan te nemen dat het zo is, of we hebben het al ontdekt. Het gaat om een
empirische constatering (zie StD: 25-26). HD: M.a.w. MBIT stelt dat we het of al ontdekt
hebben, of dat de data in die richting wijzen.

9

Saul Kripke's inzicht

Saul Kripke's inzicht
Een belangrijk inzicht is dat identiteitsuitspraken altijd noodzakelijk waar zijn (als ze waar
zijn), ook als de waarheid a posteriori is vastgesteld. Hoe zit dat? Dat het noodzakelijk is dat
"2 + 2 = 4" is duidelijk, dat is a priori zo.
Als we ontdekken dat A identiek is met B, dan is het noodakelijk waar, ook als we dat ontdekt
hebben (a posteriori). Voorheen was het idee dat het niet noodzakelijk waar was, als het
ontdekt was.

10

Contingente uitspraken

Contingente uitspraken
Als iets ook anders had kunnen zijn, dan spreken we van contingente uitspraken: Ik had ook
een andere naam kunnen hebben, maar toevallig kozen mijn ouders deze.
Contingent: voor hetzelfde geld was het anders geweest. Deze is niet noodzakelijk.
Lang dacht men: de a posteriori vastgestelde waarheid van identiteitsclaims zijn contingent
waar. Als je het dan toch vaststelt, dan heb je dat a posteriori vastgesteld en is het
noodzakelijk waar (volgens Kripke).
Voorbeeld
Men heeft ontdekt dat de avondster de ochtendster is (de planeet Venus). Oude gedachte: voor
het zelfde geld waren het wel twee verschillende hemellichamen gebleken. Kripke: nee! Nu
we het ontdekt hebben, weten we ook dat het noodzakelijk zo is.
We gebruikten het woord water al heel lang voordat we ontdekten dat het H2O was. Kripke:
"water" is een starre verwijzer. Vroeger is er een groep mensen geweest die dit woord is
gaan gebruiken voor dat „spul‟, dat „spul‟ is water. Hiervan hebben we ontdekt dat dat H2O
was, maar dat was vroeger ook al zo. In alle mogelijke wereld verwijst dit naar hetzelfde, naar
water dus, dus naar H2O. Als je zegt dat het woord water ook naar XYZ kan verwijzen
(waarbij XYZ ≠ H20), dan verander je de taal. Dat geldt voor alle identiteitsclaims. Als we nu
ontdekken dat mentale toestanden identiek zijn aan hersentoestanden, dan kan dat ook niet
anders, dit is noodzakelijk zo.

11

Wat is reductionisme = MBIT (Mind Body/Brain Identity Theory)?

Wat is reductionisme = MBIT (Mind Body/Brain Identity Theory)?
Stelling: alle mentale toestanden zijn identiek met bepaalde brein- (of lichaams-) toestanden.
Volgens de IT: elke mentale toestand is identiek met hersentoestanden, maar niet andersom. Er zijn allerlei hersentoestanden, waar je geen bewuste toegang tot hebt, die dus niks te
maken hebben met mentale toestanden. Als iets identiek is, dan zou beide waar moeten zijn,
maar dat is niet waar. Daarom is het woordje bepaalde toegevoegd.
Let op: het heet mind-brain identity, maar dat is slechts de naam (immers niet elke
hersentoestand is identiek met een mentale toestand). Er is wel meer nodig dan het brein,
want soms gaat het over een lichaamstoestand: mind-body. In het college gaat het echter wel
over mind-brain identity.

12

Type fysicalisme

Type fysicalisme
Een mentale toestand valt onder een bepaald type en dit type is identiek met het type
waaronder de breintoestand valt waaraan de mentale toestand identiek is;
Als je een mentale toestand hebt van Type I (pijn), dan is die mentale toestand identiek met
een hersentoestand Type 2 (vuren van C-vezels). Elke keer is een pijnervaring identiek met
het vuren van C-vezels. Als C-vezels vuren, dan heb je pijn. De twee typen zijn hetzelfde.
Normaal wordt MBIT zo bedoeld (Volgend college zien we nog een andere mogelijke
interpretatie: token identity.)

13

„New York‟

„New York‟
“[I]edere mentale toestand, van één bepaalde soort, is identiek aan een fysische toestand, van
één bepaalde soort. Hiermee bedoelt de IT dan te zeggen dat bijvoorbeeld iedere gedachte
over New York identiek is met een hersenproces dat welbepaalde fysische kenmerken heeft.
Dit wordt type-identiteit genoemd.” (StD: 28)
Elk type gedachten, is identiek met een type hersentoestand. Het gaat om twee categoriën die
identiek zijn met elkaar. De hersentoestand bepaald wat de mentale toestand is.

14

Reductionisme (reductionistisch materialisme)

Reductionisme (reductionistisch materialisme)
Men reduceert bij MBIT dus ontologisch mentale toestanden tot bepaalde breintoestanden.
Men reduceert bij MBIT dus theoretisch psychologie tot een deel van de
neurowetenschappen. De psychologie = neurowetenschappen.
Je kunt pijn terugbrengen tot de hersentoestand. Pijn is niet iets aparts, want je reduceert het
tot de hersentoestand. Je hebt het ontologisch gereduceerd; je dacht dat het twee dingen
waren, maar kunt het reduceren (identificeren) tot die ene hersentoestand. Er is dus ook maar
een ding. Ontologisch: wat er is  maar 1 ding.

15

Mereologisch model van de wereld

Identiteitstheorie: laag 7 is
een onderdeel van laag 6. Het
mentale is niks anders dan
bepaalde hersentoestanden.
Kim: de reductie geldt niet
voor alle lagen.
Andere zeggen dat de
reductie weer wel geldt voor
alle lagen.
Eliminativisme
Mensen hebben intuitief het
gevoel dat de psyche
verdwijnt. Als je het mentale identificeert met bepaalde hersentoestanden, dan elimineer je de mentale toestanden. Dit is niet waar, maar mensen hebben wel dit gevoel. We hebben sterk
dualistische intuities.
Als mentale toestanden te identificeren zijn met hersentoetstanden, dan wil dat niet zeggen dat
de mentale toestand niet bestaat, je hebt het alleen gereduceert. Je kunt wel zeggen dat je de
term kunt elimineren. Bijv. aspirine‟s voor het vuren van c-vezels, je hebt de term pijn niet
meer nodig. Het betekent dus niet dat je de pijn elimineert, want dit is identiek met het vuren
van c-vezels.
Wat we nodig hebben voor MBIT is dat een mentale term keurig overeenkomt met een term
die verwijst naar een hersentoestand ("pijn" en "c-vezel-vuren"). Maar zo beweert Paul
Churchland: in het vocabulaire van de folk psychology zitten heel veel termen die niet
verwijzen (bijvoorbeeld "vrije wil"). Als je iets niet kan identificeren met een hersentoestand,
dan moet je zeggen dat het niet bestaat (= eliminativisme). Het is pas een mentale toestand,
als het een hersentoestand is. Dat soort termen moeten we elimineren.

16

Reductionisme en eliminativisme

Reductionisme en eliminativisme
Dit zijn dus posities op een spectrum: welke termen kunnen we reduceren en welke niet (en
moeten we dan elimineren). Het is per mentale toestand de vraag of je de hersentoestand,
waar het mee te identificeren is, kunt vinden. Dat moeten we dus afwachten. Maar dat houdt
dus in dat eliminativisme niet zondermeer aannemelijk is, maar ook niet zonder meer te
verwerpen. We moeten het wetenschappelijk onderzoeken. Let's wait and see (we komen hier
in college 13 op terug bij de bespreking van het connectionisme).
Het is een empirische kwestie: je moet uitzoeken of mentale toestanden te identificeren zijn
met hersentoestanden (Place).

17

Drie argumenten pro MBIT

Drie argumenten pro MBIT
1. Het verklaart de feitelijke correlatie
Er is een sterke correlatie tussen wat we denken/voelen en ons brein. Hier hebben we
bewijs voor.
Feit: Het brein is van groot belang voor het bestaan van bewustzijn;
Data waarop dit gebaseerd is: studies naar hersenbeschadigingen, fMRI, experimenten;
etc.;
Voorbeeld: Stimulering van rechtertemporaalkwab leidt tot het gevoel van "a presence"
(Persinger).
De eenvoudigste verklaring
Vraag: Waarom komen A en B altijd samen voor (waarom is de correlatie zo groot)?
Eenvoudigste antwoord: Omdat A, B is. Het is hetzelfde (IBE: beste verklaring voor
deze correlaties)
Voorbeeld: Waarom is Mark Rutte overal waar de huidige Minister-President van
Nederland is?
MBIT: Hetzelfde geldt voor mentale toestanden en sommige hersentoestanden.
2. Het causale rol argument: gaat over wat iets veroorzaakt/wat voor functie iets heeft.
David Armstrong start zijn argument met een voorbeeld van identiteit in de biologie.
Voordat we DNA hadden ontdekt wisten we al wat een gen was.
Functionele / causale rol
Een gen is een concept van een interne factor van een biologisch wezen dat
verantwoordelijk is voor het doorgeven van de erfelijke eigenschappen. De causale
rol/functie van het gen: is het overdragen van erfelijke eigenschappen. Genen waren dus gedefinieerd in termen van de functionele rol die ze spelen. DNA vervult de causale rol
van het overgeven van de eigenschappen. Maar genen deden dit ook al, dus genen zijn dan
DNA.
Kunnen we zo'n redenering mbt MBIT geven?
1. Stap 1: wat is de causale rol/functie van een mentale toestand?
Causale analyse van mentale concepten, bijvoorbeeld "pijn":
Pijn is die mentale toestand die onder normale omstandigheden veroorzaakt wordt
door weefselschade en die als effect bepaald gedrag heeft (kreunen, wegvluchten
van oorzaak van weefselschade, etc.);
2. Stap 2: uitzoeken wat de fysische mechanismen in het lijf zijn die dit
veroorzaken.
De wetenschap moet op zoek gaan naar die brein-toestand die deze causale rol
speelt tussen de input van weefselschade en de output van dit specifieke gedrag;
Stel nu dat men ontdekt dat dit het vuren van C-vezels is, dan volgt
3. Stap 3: Ergo: pijn = het vuren van C-vezels in het brein.
3. MBIT voldoet aan Occam's Razor
Jack Smart vond het implausibel dat we alles kunnen verklaren binnen een materialistisch
framework, behalve bewustzijn. Als we alles materialistisch kunnen verklaren, geldt dit
ook voor het bewustzijn.
JS: Voor bewustzijn moeten we een zelfde soort verklaring kunnen geven:
“[S]ensory states of consciousness, do seem to be the one sort of thing left outside the
physical picture, and for various reasons I just cannot believe that this can be so.”

18

Het scheermes van Ockham

Het scheermes van Ockham
Pluralitas non est ponenda sine necessitate (veelvoudigheid moet niet zonder noodzaak
gepostuleerd worden). Je moet niet zonder noodzaak veelvoudigheid in je verklaring
postuleren. Waarom heeft iemand een auto ongeluk overleefd? Airbag, beschermengel?
Wat doet de beschermengel extra dan dat de airbag verklaart? Niets. Je had al een goede
verklaring. Je moet de beschermengel dus met een scheermes uit je verklaringen scheren,
en de spaarzame verklaring overhouden. Dit geldt ook voor lichaam-en-geest

19

Hoe werkt Occam's Razor in het voordeel van MBIT volgens Smart?

Hoe werkt Occam's Razor in het voordeel van MBIT volgens Smart?
Ontologische spaarzaamheid: we hoeven naast de fysische entiteiten niets anders meer
aan te nemen.
Conceptuele spaarzaamheid: we kunnen in principe de mentale termen afschaffen (die
refereren immers aan dezelfde feiten in de wereld);
Nomologische spaarzaamheid: je hebt minder wetten nodig om de wereld te begrijpen.
Als je een correlatie hebt van A met B en A ≠ B, dan moet je die correlatie verklaren,
maar: "If we believe that heat is correlated but not identical to molecular kinetic energy,
we should regard as legitimate the question of why the correlation exist and what its
mechanism is. But once we realize that heat is molecular energy, questions like this can
be seen as wrongheaded." (Block & Stalnaker 1997: 11)
Je hoeft de wetten niet meer te zoeken als je begrijpt dat het mentale identiek is aan het
fysieke. Als je denkt dat ze gecorreleerd zijn, maar niet identiek, dan moet je opzoek naar
de wetten. De enige vraag die je nog kan stellen is hoe "A" en "B" aan hetzelfde kunnen
refereren. Maar dat is een andere kwestie.

20

Contra MBIT
Uit Leibniz' Law volgt een strategie tegen MBIT
Via Leibniz' Law:

Contra MBIT
Uit Leibniz' Law volgt een strategie tegen MBIT
Via Leibniz' Law:
1. We kennen mentale toestanden op een andere manier dan hersentoestanden.
2. Mentale toestanden hebben geen locatie.
3. Fysische toestanden hebben geen betekenis.
Via Kripke:
4. Voorstelbaarheidsargumenten.

21

Wat is de wet van Leibniz? Dit is een combinatie van 2 principes:

Wat is de wet van Leibniz? Dit is een combinatie van 2 principes:
1. The principle of identity of indiscernibles (identiteit van ononderscheidbaren)
Geen twee objecten zijn exact gelijk (ze hebben dus verschillende eigenschappen - al
was het maar de locatie), want ze kunnen ook niet op dezelfde plek zijn.
Als "twee" objecten ononderscheidbaar zijn, dan moeten ze numeriek identiek zijn.
Als beide objecten dezelfde locatie hebben en hetzelfde zijn, dan kun je ze niet
onderscheiden.
2. The principle of indiscernibility of identicals (ononderscheidbaarheid van
identieke dingen)
Het omgekeerde is ook juist: Als "twee" objecten identiek zijn, dan moeten ze precies
dezelfde eigenschappen hebben. Als ze al een eigenschap verschillend hebben, dan is
het niet precies hetzelfde.
De combinatie
De wet van Leibniz is de combinatie hiervan;
“[T]wee zaken x en y zijn identiek dan en slechts dan als alle eigenschappen van x ook
eigenschappen van y zijn, en alle eigenschappen van y eigenschappen van x zijn.” (StD: 27)
Leibniz' Law
LL geeft een strategie aan om te argumenteren tegen MBIT: Zoek een eigenschap die x wel
heeft en y niet (of andersom), en dan is de conclusie dat x ≠ y. Bijv. locatie.
We zoeken "differentiating properties": zoek eigenschappen waar een verschil in zit.
Zoek een eigenschap die de mind heeft en het brein niet; of een eigenschap die het brein heeft
en de mind niet.

22

Argumenten tegen MBIT:

Argumenten tegen MBIT:
1. We kennen mentale op een andere manier dan hersentoestanden
Het idee is dat fenomenen epistemische eigenschappen hebben.
We kennen (bijvoorbeeld ) pijn direct. Hoe weet je dat als je in een spijker trapt, je
C-vezels vuren? Het vuren van C-vezels (of zo) kennen we via de neurologie, indirect
dus. Mentale eigenschappen = direct kenbaar. Fysische eigenschappen = niet direct
kenbaar. Er is dus een eigenschap die de psyche wel heeft, maar het brein niet. M.a.w.
beide hebben verschillende epistemische eigenschappen.
Toepassing LL: pijn ≠ vuren C-vezels. En dus: MBIT is incorrect.
Maar: we kennen water ook anders dan dat we H2O kennen. Later hebben we ontdekt
dat water = H20. Maar als epistemische eigenschappen differentiating properties
zijn, dan volgt, dat water ≠ H2O. Reductio ad absurdum: epistemische
eigenschappen kunnen geen differentiating properties zijn. Dit accepteren we nergens,
dus waarom wel in het lichaam-geest debat.2. Mentale toestanden hebben geen locatie
Het is onzinnig om te zeggen dat mentale toestanden een plaats in de ruimte
innemen. Als mentale toestanden geen locatie hebben en fysische toestanden wel dan
is MBIT incorrect. Want fysische toestanden hebben de differentiating property dat ze
plaats in nemen in de ruimte en mentale toestanden niet. Deze zijn dus niet identiek.
3. Fysische toestanden hebben geen betekenis
Als fysische toestanden geen betekenis hebben en mentale toestanden wel dan is
MBIT incorrect. Want mentale toestanden hebben de differentiating property dat ze
betekenis hebben en de fysische toestanden hebben dat niet. Deze zijn dus niet
identiek.
Analoog: Pijnen kunnen scherp, zeurend zijn & het is onzinnig omdat van
hersentoestanden te zeggen.
Tegen argument 2 & 3
Dat is precies wat MBIT zegt: mentale toestanden hebben een locatie &
hersentoestanden kunnen betekenis hebben. Je kan niet zomaar zeggen: dat is onzin,
daar moet je dan een argument voor geven.
4. Voorstelbaarheidsargumenten
Het is voorstelbaar dat zielen / losse geesten kunnen bestaan. Het kan niet
noodzakelijk zo zijn dat ze identiek zijn. De identiteit van mind met (parts of) the
brain is niet noodzakelijk (en dat moet gegeven Kripke's theorie wel). En dus is MBIT
incorrect.
Onwetendheid
Maar dit is een argument dat gebaseerd is op onwetendheid. Als je weet wat een cirkel
is en wat een vierkant is, dan kan je je geen vierkante cirkels voorstellen. Als je
eenmaal de empirische data kent, dan kan je je niet meer voorstellen dat iemand met
een bepaalde hersentoestand een mentale toestand niet heeft. Wellicht geldt zoiets ook
losse geesten: als je beter zou weten wat een brein is en wat een geest kan je de losse
geest niet meer voorstellen
Conclusie
De argumenten contra zijn weerlegd. De argumenten pro zijn niet allemaal weerlegd. MBIT
neemt wetenschap serieus. MBIT neemt mentale serieus.