Hoorcollege 2 Flashcards Preview

Wetenschapsfilosofie > Hoorcollege 2 > Flashcards

Flashcards in Hoorcollege 2 Deck (31):
1

Justified belief:

Justified belief: je kunt uitleggen/rechtvaardigen waarom je iets zeker weet.

2

rancis Bacon nieuwe methode

Francis Bacon nieuwe methode
Hij stelde een nieuwe methode op waarin je kennis kon verwerven door middel van
experimenten. Hij breekt met Aristoteles, maar niet met de Bijbel. Hij probeert deze twee
wereldbeelden dus weer uit elkaar te trekken. Bacon valt het Middeleeuws-Aristotelische
wereldbeeld aan en houdt een pleidooi voor een nieuwe wetenschap. Bacon had er geen
problemen mee dat het Aristotelische wereldbeeld ter discussie gesteld werd. Hij ging o.a. in
tegen het idee dat je geen experimenten zou mogen gebruiken.

3

De nieuwe methode
A. Stelt dat we onze vooroordelen moeten laten varen hierbij ook 4 vooroordelen

De nieuwe methode
A. Stelt dat we onze vooroordelen moeten laten varen (epistemologische – kennis
gerelateerde vooroordelen; verkeerde opvattingen over de wereld).
Er is een aantal hardnekkige vooroordelen (het gaat om de manier van denken) (Bacon
spreekt ook van false conceptions) die mensen hebben. Deze staan in de weg bij het proberen
te verwerven van kennis. Dus moeten we er beducht op zijn die niet te gebruiken.
We moeten proberen erachter te komen welke denkfouten dit zijn en zorgen dat we deze niet
meer maken. Je kunt het zien als een soort bias.

4

Het gaat om de volgende vooroordelen (idolen/idols/idola):
 Idols of the tribe (Idola tribus).

Het gaat om de volgende vooroordelen (idolen/idols/idola):
 Idols of the tribe (Idola tribus).
Dit zijn de vooroordelen die we als mens hebben. We zijn geneigd om typisch
menselijke fouten te maken (zoals het je vergissen bij een visuele illusie).
Voorbeelden:
 Het zien van orde en regelmaat waar die niet is (= inductief denken). Je gaat er
vanuit dat dit zo is, maar het is niet terecht dat je dit denkt.
 Het zoeken naar bevestiging en het negeren van weerleggingen van wat je
gelooft. Je zoekt bevestiging voor je eigen overtuigingen (= confirmation bias).
 We zien de zon onder gaan (maar die gaat natuurlijk niet onder – dat zien we
zo vanwege onze menselijke aard).
 Zeelui die de kracht van hun gebed hoog inschatten (misschien niet helemaal
een idols of the tribe, maar idols of the cave).
Als je je niet bewust bent van deze vooroordelen, dan staat dit in de weg bij het
werven van echte kennis.

5

idols of the cave

 Idols of the cave (Idola specus). Vooroordelen die we hebben omdat we tot
een bepaalde (culturele) groep horen.
Hier hoort bijvoorbeeld een extreme voorkeur voor vroeger bij – extreem conservatisme,
of juist het tegenovergestelde, een extreme voorkeur voor vernieuwing om de vernieuwing
(beide dienen vermeden te worden volgens Bacon).
De groep met een mobiele telefoon denkt dat 65% van de medestudenten een mobieltje
heeft, de groep zonder mobiele telefoon denkt dat dat 40% is (we denken dat anderen net
zo zijn als wij, en maken dan inschattingsfouten – het was ongeveer 50%). Je gaat
inschattingsfouten maken naar gelang de groep waarin je hoort. Als je bij een bepaalde
groep hoort, ga je er vanuit dat iedereen zo doet of denkt. Dit is echter niet zo.

6

 Idols of the marketplace (Idola fori).

 Idols of the marketplace (Idola fori). Vooroordelen die we hebben omdat we
erover kunnen praten. Er zijn woorden waarvan we denken dat ze ergens naar
verwijzen, maar dit kunnen we niet vaststellen. Niet alles waar we woorden voor
hebben bestaat.
Soms hebben we woorden die nergens naar verwijzen „geluk‟, „het element vuur‟, „de
eerste beweger‟. Andere voorbeelden: „Heks‟, „elan vital‟.

7

 Idols of the theatre (Idola theatri).

 Idols of the theatre (Idola theatri). Vooroordelen die we hebben omdat
autoriteiten zeggen dat ze kloppen. Maar om welke autoriteiten gaat het hier? Je moet
er voor zorgen dat je niet naar een verkeerde autoriteit verwijst.
Bijv. oude filosofische scholen. Hieruit blijkt dus dat Bacon breekt met Aristoteles.

8

Bacons eigen Idol of the Theatre

Bacons eigen Idol of the Theatre
Bacon maakt zichzelf schuldig aan de Idol of the Theater.
Bacon wilde juist experimenten doen om kennis te verwerven, zodat we weer terug kunnen
gaan naar de paradijselijke toestand zoals die in het Oude Testament beschreven wordt (dus:
de Openbaring is precies een autoriteit die door Bacon niet kritisch genoeg wordt benaderd).
We zien bij Bacon dus eigenlijk al dat de psychologie belangrijk is voor de epistemologie: de
psychologie achterhaalt immers een deel van onze idola. Dit anticipeert op een
genaturaliseerde epistemologie (zie college 10). De psychologie wordt belangrijk voor alle
andere wetenschappen. De psychologie vertelt ons wat de biases zijn voor zowel mensen als
wetenschappers.

9

B. Stelt dat we de empirische methode moeten gebruiken (en geen autotiteitsboeken
zoals die van Aristoteles). Hierbij mag geëxperimenteerd worden.

B. Stelt dat we de empirische methode moeten gebruiken (en geen autotiteitsboeken
zoals die van Aristoteles). Hierbij mag geëxperimenteerd worden.
“Legacy has it that Bacon died, aged 65, of pneumonia contracted while going out into the
freezing cold to stuff a chicken with snow in order to test its antiseptic properties.” (EH: 57)

10

C. Hiervoor is inductie een belangrijk middel.

C. Hiervoor is inductie een belangrijk middel.
Dit is bij Bacon een mix van waarneming & verstand (hier zie je dus dat Bacon ook een
rationalistisch element in zijn epistemologie heeft zitten). Goede wetenschap maakt gebruik
van observatie en rationele gevolgtrekking.
Voorbeeld warmte:
Bacon maakte een lijst van zaken waarbij warmte aanwezig was: licht; levende lichamen;
gistingsprocessen; wrijving; etc. Uiteindelijke conclusie: warmte is te verklaren uit de
beweging van (onzichtbaar) kleine deeltjes.
Hij generaliseert (inductie) en maakt dus gebruik van zijn verstand (rationalistisch element;
lijkt op intuïtieve inductie van Aristoteles).

11

Bacon houdt een pleidooi voor de degelijke wetenschap als

Bacon houdt een pleidooi voor de degelijke wetenschap als de methode die we moeten
gebruiken om kennis over de wereld op te doen. We moeten ons vooral niet laten leiden door
onze menselijke vooroordelen (idols) & dat we daar dus op bedachtzaam moeten zijn. Hij
merkt dus eigenlijk al op dat we psychologisch op een bepaalde manier in elkaar zitten die
moeilijk los te laten is, maar die de kennisverwerving wel in de weg staat.

12

Het rationalisme van René Descartes

Het rationalisme van René Descartes
Leeft in de tijd dat Galilei door de kerk veroordeeld wordt (1633); gaat naar Nederland.
Descartes gaat in tegen Aristoteles, maar niet tegen de Bijbel. Hij wilde ook niets publiceren
wat tegen de kerk in ging (dus over dat de aarde om de zon draait), ondanks dat hij dit
geloofde.
“Descartes accepted neither Plato‟s theory of the supernatural World of Forms, nor his
method of recollection.” (EH: 62)

13

Descartes wilde zekere kennis

Descartes wilde zekere kennis (i.t.t. dogmatische houding van zijn leraren). Dit bereik je
door je verstand goed te gebruiken.
Net als alle andere empiristen en rationalisten, verzetten de Britse empiristen en Descartes
zich tegen het scepticisme. Hij nam dus een anti-sceptische positie in. (EH: 61)
Michel de Montaigne twijfelde overal aan. Montaigne zegt niet dat hij niets zeker weet, maar
het enige wat hij doet is een vraag stellen: wat weet ik? Descartes gaat tegen Montaigne in.
Hij zoekt iets waaraan hij niet kan twijfelen. De wiskunde heeft axioma‟s waarbij je zeker
weet dat ze waar zijn. In de wetenschap wil hij ook een fundament hebben waarvan hij
absoluut zeker is. Vervolgens wil hij dan op dat zekere fundament gaan bouwen.

14

Het twijfel experiment van Descartes

Het twijfel experiment van Descartes
Hij pakt de methode van de scepticus, waardoor hij die methode dus versterkt.
1. Leraren zijn onbetrouwbaar. Ze kunnen wel waarachtig zijn, maar deze informatie is niet
betrouwbaar.
2. Zintuigen zijn onbetrouwbaar. Als er iets is dat jou 1x bedrogen heeft, hoe weet je dan dat
dat jou niet nog 1x bedriegt.
3. Een malin genie houdt je wellicht voor de gek. Misschien bestaat er wel een slechte demon
die jou steeds voor de gek probeert te houden. Hij houdt je voor de gek dat er een wereld is;
dat er andere mensen zijn.
De malin genie kan je niet voor de gek houden als het gaat om denken. “Ik denk, dus ik ben”
(Cogito ergo sum) is zelfs in het geval van [3] waar. Hier kan zelfs de scepticus niet aan
twijfelen. Door zijn verstand is hij tot een zeker fundament gekomen.
Dus: rationeel / rationalistisch fundament voor kennissysteem.

15

Rationalistische methode

Rationalistische methode
Hoe weet je nou dat “ik denk, dus ik” ben waar is? Dit is een rationalistisch inzicht.
Alles wat ik helder en duidelijk inzie is waar. Dit helpt Descartes om van de malin genie af
te komen & ook kennis over de fysische wereld te kunnen verwerven.
Hij komt nu zelf tot een methode om tot kennis te komen; de methode van helder en duidelijk
inzien. Alles wat je helder en duidelijk inziet, moet waar zijn. Je ziet namelijk helder en
duidelijk in dat je bestaat doordat je denkt.

16

Ingeboren ideeën 3 PUNTEN

Ingeboren ideeën
Descartes geloofde ook dat ideeën ingeboren kunnen zijn. Hij maakt een verschil tussen:
 Ingeboren ideeën (driehoek, wiskundige figuren, god). God is perfect. Descartes zelf
is imperfect. Het idee van een perfect wezen, kan nooit vanuit mijzelf komen. Dit
moet komen vanuit iets dat ook perfect is, God. Ik heb dit idee, dus dat betekent dat God dus bestaat. Slecht zijn, is imperfect, dus God is ook geen bedrieger. We zijn nu
van de malin genie af.
 Verworven ideeën (zon, maan). Hiervoor gebruik je je zintuigen. Hij toets alle ideeën
die door de zintuigen verworven zijn door zijn verstand.
 Verzonnen ideeën (Pegasus).
Het verschil met Plato is duidelijk: niet alle ideeën zijn ingeboren.

17

Descartes optimisme

Descartes optimisme
Descartes gebruikt in het begin de methode van de scepticus (radicale twijfel) om zo zijn
tegenstander zo sterk mogelijk te maken. Als hij het Cogito ontdekt heeft, kan hij die
sceptische methode dus vervangen door zijn rationalistische methode (van het helder en
duidelijk inzicht). Descartes is dus optimistisch over het kunnen hebben van echte kennis.
De verworven ideeen uit de fysische wereld heb je niet gekregen van een malin genie, er zijn
namelijk echt mensen. God zou je niet voor de gek houden dat er geen mensen zijn. Nu kan
Descartes kennis verwerven over de wereld.

18

Isaac Newton

Isaac Newton
Descartes (1596-1650) en Newton (1642- 1727) worden vaak in één adem genoemd als het
gaat over het veranderende wereldbeeld in die tijd: beiden zagen de wereld als een grote
machine (de mechanisering van het wereldbeeld – EH: 55);
Newton ontdekte allerlei natuurwetten die het gedrag van alle objecten beschreven (EH: 53).
We zien dus in die tijd een optimisme omtrent het kunnen verwerven van echte kennis over de
wereld. De scepticus lijkt verslagen te zijn.

19

Het Britse Empirisme
John Locke vier punten en reductie

reductio ad absurdum, 1 verwerping van ingeboren ideen, 2 formulering empiristisch principe 3 categorising vder ideen 4 ideeen zijn onderscheiden van kwaliteiten

20

1. Verwerping ingeboren ideeën.

Het Britse Empirisme
John Locke
1. Verwerping ingeboren ideeën.
Empirisme kan geen ingeboren ideeën accepteren. Hij gaat vooral in tegen Descartes.
Hoe verwerpt hij ingeboren ideeën?
Door te laten zien dat de vermeende ingeboren ideeën helemaal niet voorkomen bij veel
mensen. Het gaat om: (1) dat wat is, is; (2) het is onmogelijk tegelijk te zijn en niet te zijn;
(3) morele principes.
 Ten eerste zouden universele principes ook anders verklaard kunnen worden.
 Ten tweede zijn ze niet universeel – (1) & (2) vinden we niet bij kinderen en
dwazen, en vergelijking van culturen laat zien dat er helemaal geen (3) universele
morele principes zijn;
HD: Dat is een gevoelige klap voor het rationalisme.

21

2 formulering empiristisch principe

2. Formulering empiristisch principe.
Hoe verwerven we dan kennis, als het niet via de rede is?
Locke: “Whence has it all the materials of reason and knowledge? To this I answer, in
one word, from experience. In that all our knowledge is founded, and from that it
ultimately derives itself.” (1690: II.I.2; EH: 70)
Bij Locke is ervaring: waarneming & reflectie (interne waarneming/introspectie).
Reflectie: gedachtes van emoties en gevoelens etc. Je kunt naar binnen kijken en
waarnemen dat je aan het denken bent. Dit is het empiristische principe.

22

3. Categorisering der ideeën. met het probleem dat het oplevert

3. Categorisering der ideeën.
Enkelvoudige ideeën: ideeën die je niet kunt splitsen.
 Van één zintuig (bijv. zoetheid, blauw).
 Van twee of meerdere zintuigen (bijv. beweging). Het „idee‟ beweging, kun je
krijgen door te kijken, maar je kunt ook het „idee‟ beweging krijgen door te
voelen. Je kunt het „idee‟ op meerdere manieren verwerven, maar niet splitsen.
 Van de reflectie (bijv. het idee „denken‟). Je kunt zien dat je denkt, zo kom je aan
het concept van denken.
 Van zintuigen & reflectie (bijv. het idee „pijn‟). Je voelt pijn, maar je kunt ook van
binnen kijken wat er in je hoofd gebeurd als je pijn hebt.
Complexe/samengestelde ideeën: ideeën die je kunt splitsen.
 Ideeën van modus; eigenschappen van dingen. Je moet het ding en eigenschap
samen nemen. Bijv. schoonheid, er is iets mooi, bijv. een schilderij.
 Ideeën van substantie: dit idee kun je als empirist niet hebben. Een substantie is
„het onderliggende, de drager‟ van de eigenschappen van iets. Je kunt de
eigenschappen van iets veranderen, maar wat blijft er over als je alle
eigenschappen wegdenkt? Wat je overhoudt is de drager van de eigenschappen, de
substantie. Dit kun je niet zien.
 Ideeën van relatie. Bijvoorbeeld: broer zijn van. Dit kun je niet zomaar zien, maar
volgens Locke wel door gewoon naar de stamboom te kijken.
Probleem (voor empirist): idee van substantie (zie EH: 80). Het idee van substantie valt
op geen enkele manier waar te nemen. Hij heeft dus kennis van iets waarvan hij als
empirist geen kennis van kan hebben. Dit moet hij gaan bedenken met zijn verstand, maar
dan ben je geen zuivere empirist meer. Locke lost dit nergens in zijn werk op.

23

4. Ideeën zijn onderscheiden van kwaliteiten. MET VOORBEELD

4. Ideeën zijn onderscheiden van kwaliteiten.
 Primaire kwaliteiten / eigenschappen: eigenschappen van de dingen zelf
(onafhankelijk van enige waarnemer).
 Secundaire kwaliteiten / eigenschappen: eigenschappen die bestaan bij de gratie
van een waarnemer. Eigenschap die we aan het ding toeschrijven, maar geen
eigenschap is van het ding zelf.
 (Tertiaire kwaliteit: kwaliteit om primaire kwaliteiten te veranderen, bijvoorbeeld
de warmte van de zon kan was doen smelten).
Warm en koud water
Water heeft een bepaalde temperatuur (de primaire eigenschap). Maar water is niet warm of
koud (de secundaire eigenschap). Afhankelijk van de waarnemer, voelt het water warm of
koud. Bijv. als je in de winter je handen wast onder water van 18 graden Celsius, voelt het
warm, maar in de zomer voelt het koud.
Rondheid is verantwoordelijk voor het idee „rond‟ in ons. Rondheid is een primaire kwaliteit
van de sneeuwbal: het is een eigenschap waarmee ons idee overeenkomt. De sneeuwbal is ook
rond als niemand hem ziet.
Maar, kleur is een secundaire kwaliteit.
Ons idee „wit‟ komt niet van de primaire kwaliteit van de sneeuwbal: de sneeuwbal is zelf niet
wit. De sneeuwbal heeft bepaalde primaire kwaliteiten en die zorgen voor een bepaalde
sensatie in mensen. „Wit‟ is een secundaire kwaliteit, die niet langer bestaat als er geen
wezens meer zijn die het object waar kunnen nemen. Kleuren zijn secundaire eigenschappen
Middelbare school natuurkunde: "kleuren zijn de golflengten van het licht".

24

Reductio ad absurdum

Reductio ad absurdum
Als je door logisch redeneren vanuit een premisse bij iets absurds uitkomt, dan weet je dat je
premissen fout zijn. Je komt door logisch redeneren uit op iets geks. Het is zo gek dat je het
niet kan accepteren.
Als we kunnen laten zien dat 390 nm ook als paars ervaren kan worden & als we de
middelbare school natuurkunde accepteren dan volgt dat 390 nm = paars.
Maar dat is absurd, want de implicatie zou dan zijn: blauwpaars = 390 nm = paars = 380 nm.
Doordat de omgeving verandert is, verandert de kleurervaring. De kleur wordt door jou
gemaakt, afhankelijk van de omgeving.
Vraag: zijn de primaire kwaliteiten wellicht net zo illusoir als de secundaire kwaliteiten?
Sommige eigenschappen (waarvan we denken dat deze bestaan) maken we zelf. Is hoogte niet
ook een secundaire kwaliteit?

25

George Berkeley

George Berkeley
Berkeley laat alle eigenschappen van de fysische wereld afhangen van de geest: “Zijn is
waargenomen worden” (“esse est percipi”). Er zijn alleen maar secundaire eigenschappen,
want deze nemen we waar.
Is dit wel empirisme?
Ja, de waarneming staat centraal (kennis volgt nog steeds uit ervaring).
Dit is geen ontkenning van de fysische werkelijkheid (EH: 78). De hoogte is ook afhankelijk
van de waarnemer en is dus een secundaire eigenschap. Alles is afhankelijk van de
waarnemer. Bestaat deze steen dan wel? Ja hij bestaat omdat jij er naar kijkt. Maar wat als je
even niet kijkt? Dan neem je niets meer waar, dus dan zou het er niet meer zijn. Maar het is er
nog wel, want God kijkt continu, dus het is er nog steeds.
Er zijn twee problemen: je krijgt ook een reductio ad absurdum + de redenering m.b.t. tot de
hoogte is ook niet juist. De hoogte is wel afhankelijk van hoe iemand het ziet, maar het heeft
wel een bepaalde grootte in centimeters.
Idealisme: de filosofische opvatting dat de werkelijkheid essentieel mentaal is. De
werkelijkheid is afhankelijk van de geest.

26

David Hume

David Hume
We denken na over de wereld in termen van oorzaak en gevolg. Als empirist zegt hij dus dat
hij kennis heeft van oorzakelijke verbanden. Maar oorzakelijkheid kun je niet waarnemen met
je zintuigen. Wij zitten psychologisch zo in elkaar, dat als wij twee gebeurtenissen
waarnemen waarvan de ene voor de andere plaatsvindt en ze in elkaar buurt plaatsvinden en
keer op keer, dan concluderen wij dat dat een oorzakelijk verband is. We kunnen het niet
waarnemen (dus kunnen we er geen kennis van hebben), maar we concluderen dit wel. Dit is
inductie: je hebt 100x gezien dat op A B volgt, dus zal het altijd wel zo zijn. Als empirist kun
je dit niet doen.
Hume heeft een versie van het empirisme die erg op die van Locke lijkt. Hume is wel wat
kritischer op zijn eigen visie dan Locke op die van hem. Het probleem zit hem in het
nadenken over de wereld (standen van zaken, matters of fact). We denken na over de feiten
die er zijn in de wereld. Hierin zit uiteindelijk ook het probleem.

27

Hume & Locke:

Hume & Locke: Door de wereld waar te nemen, doe je kennis op. Bij Hume gaat dat via het
„copy principle‟: d.w.z. je doet impressies op en die resulteren in ideas in de geest (analoog
aan een zegelring die door een druk in was een afdruk achterlaat). De impressies verdwijnen
vervolgens weer en slechts het idee blijft achter. Normaal
gesproken komt een idee overeen met een impressie.
Een idee is altijd minder helder dan de werkelijke
impressie.
Complexe idee van New Jeruzalem. Dit bestaat niet, dus
hoe kun je hier een idee van hebben?
De enkelvoudige ideeën, van het samengestelde complexe
idee, zijn allemaal terug te herleiden tot enkelvoudige
impressies. Alle kennis is uiteindelijk terug te voeren tot de
ervaringen van enkelvoudige impressies.

28

Een probleem voor Hume

Een probleem voor Hume
Ideeën kunnen we enkel opdoen via de ervaringen door waarnemingen (Hume is een
empirist). Redeneren over de wereld (matters of fact) doe we met behulp van het idee van
„oorzakelijkheid‟, door middel van oorzaak en gevolg. Bijv. de vonk veroorzaakte de
ontploffing, het gebrek aan dopamine veroorzaakte Parkinson.
Als we kennis willen hebben van de wereld, moeten we kennis hebben van de oorzakelijkheid
van deze gebeurtenissen.

29

Hume‟s analyse van oorzakelijkheid

Hume‟s analyse van oorzakelijkheid
1. Nabijheid van oorzaak en gevolg (kan je waarnemen). De twee gebeurtenissen
moeten in elkaars buurt plaatsvinden.
2. Juiste tijdsvolgorde (kan je ook waarnemen). Eerst de botsing, dan het wegrollen van
de tweede bal en dus niet andersom.
3. Noodzakelijk verband: het kan niet anders dan dat als de ene bal tegen de andere
botst dat deze dan gaat rollen (dit kan je niet waarnemen). Je moet toeval kunnen
uitsluiten. Er moet ook voldaan worden aan een noodzakelijk verband, maar dit kun je
niet zien.
Je kunt niet zien dat de gebeurtenis ook noodzakelijk moet zijn. Je kunt een gebeurtenis
hebben die aan eis 1 en 2 voldoet, maar geen oorzaak en gevolg is. Bijv. een vlieg die op een
flat land (vervolgens stort de flat in). Dit is geen oorzakelijke relatie, maar toeval. Je moet
toeval uitsluiten.
We spreken van een noodzakelijk verband tussen gebeurtenis A en B niet als er niet alleen
voldaan wordt aan element 1 en 2, maar ook aan het noodzakelijk verband (maar dit kun je
dus niet zien. Omdat we geen kennis kunnen hebben van oorzakelijkheid (want we missen het
3e element), dan kun je ook geen kennis hebben van de wereld. We hebben geen kennis van
de noodzakelijke verbanden en dus geen kennis over de wereld (scepticisme).

30

Poging om de zaak te redden

Poging om de zaak te redden
We kunnen noodzakelijkheid niet waarnemen, en dus zijn empiristen niet gerechtvaardigd in
het gebruik van het idee „oorzakelijkheid‟. Maar we redeneren wel zo; dat komt omdat we
psychologisch zo in elkaar zitten dat we tot een oorzakelijk verband concluderen telkens als
we een constante conjunctie waarnemen (die constante conjunctie is dus waarneembaar). Je ziet vaak dat als twee biljartballen botsen, de andere wegrolt. Constant gaan twee
gebeurtenissen samen, tot nu toe is dit iedere keer gebeurd. Maar levert dit dan echt kennis op
van causale verbanden? Nee, want je gebruikt inductie. Je hebt 100x gezien dat de tweede bal
wegrolt, dus ga je er maar vanuit dat het volgende keer ook zo zal zijn. Op deze manier kan
Hume de kennis van oorzakelijke verbanden niet redden.
Dit is een vorm van inductief redeneren (zie Aristoteles en Bacon, college 1) en inductie is
een ongeldige redeneervorm. Inductie is op basis van een aantal (maar niet alle) gevallen
waarin A samenging met of gevolgd werd door B, concluderen dat altijd als A, dan B.
Inductief redeneren is een ongeldige manier van redeneren.
Hume kan het probleem van oorzakelijkheid niet redden. Hume kan niet zeggen dat hij kennis
heeft van oorzakelijke verbanden. Hij komt uit op scepticisme. Dit is niet wat hij wilde.
Hume: we hebben een belangrijke bias: we redeneren inductief. We denken dat we daarmee
tot kennis komen, maar dat is niet zo.
In de praktijk van alledag levert dit meestal geen problemen op. In theorie is dit een groot
probleem. Als je als wetenschapper opzoek bent naar zekere kennis over de wereld en je
denkt dus na over de wereld in termen van oorzaak en gevolg en je geen kennis kan hebben
van oorzaak gevolg relaties, dan kun je geen kennis hebben over de feiten in de wereld.
Bij Bacon zagen we dat goede wetenschap inductie gebruikt. Nu zien we dat inductie
ongeldig is. Je zou kunnen concluderen dat wetenschap – zolang het inductie gebruikt –
irrationeel is. Bij Popper (college 4) zullen we zien dat hij probeert inductie buiten de
wetenschap te houden om zo de rationaliteit van de wetenschap te behouden.

31

Evaluatie rationalisme en empirisme

Evaluatie rationalisme en empirisme
Rationalisme: De geassocieerde theorie over ingeboren kennis is onhoudbaar (ook in de
milde vorm van Descartes en zijn tijdgenoten);
Empirisme: Sommige ideeën die de empiristen wel hebben, komen niet voort uit de ervaring
opgedaan via de waarneming (substantie, causaliteit).
We hebben gezien dat het Britse empirisme (met name de positie van Locke) een reactie was
op het rationalisme van Descartes;
De laatste versie van dat empirisme (de versie van Hume) levert een probleem op: we kunnen
geen kennis hebben;
Dat geldt dan dus ook voor de natuurwetten: daarvan kunnen we niet zeker weten dat die juist
zijn.