Is Oerlemans gehouden om de schade die Driessen heeft geleden te vergoeden? (HR 27 april 2001, NJ 2002, 213)
Uit Oerlemans/Driessen blijkt dat ingeval van verkoop van een industrieel vervaardigd product een gebrek daarin beginsel voor risico van de verkoper komt, ook als hij het gebrek niet kende noch behoorde te kende (slechts onder bijzondere omstandigheden zal dit anders zijn).
Brok/Huberts
Aansprakelijkheid bij non-conformiteit (7:17 BW) bij dierlijk product
Als de zaak (de hond) niet aan de overeenkomst beantwoord, is hiermee de tekortkoming vastgesteld o.g.v. art. 7:17 BW. Voor een geslaagd beroep op art. 6:74 BW gelden meer vereisten. De eis van toekenning is ook een vereiste. Het enkele feit dat de zaak niet de eigenschappen bezit die de koper ervan mag verwachten (7:17 BW) brengt niet mee dat hierdoor de verkoper meteen aansprakelijk is tot vergoeding van de geleden schade. Gekeken moet namelijk worden of de schade wel toerekenbaar (6:75 BW) is.
Matatag/De schelde
Casus zag op 2 bedrijven die tot dezelfde bedrijfstak horen en regelmatig zaken met elkaar doen + waar AV een alledaagse verschijnsel in contracten is. De HR heeft gezegd dat het in zo’n geval naar maatstaven van R&B niet onaanvaardbaar is dat in de toepasselijke AV aansprakelijkheid geheel of gedeeltelijk voor ernstige fout van te werk gestelde personen die niet tot de bedrijfsleiding horen worden uitgesloten en hier een beroep op wordt gedaan.
Kinheim/Pelders
Wanneer ondeugdelijk is gepresteerd en de schuldenaar heeft de gelegenheid om alsnog deugdelijk na te komen, bestaat de mogelijkheid dat de schuldeiser door het gebrek in de geleverde prestatie schade heeft geleden die hij niet geleden zou hebben indien meteen deugdelijk gepresteerd was en niet door de vervangende prestatie weggenomen kan worden. In zoverre is de tekortkoming dan niet voor herstel vatbaar waardoor de nakoming blijvend onmogelijk is.
Gevolg: voor het eisen van schadevergoeding hoef je geen IGS te sturen. Dit wegens art. 3:74 lid 2 BW. Er is sprake van blijvende onmogelijkheid tot nakoming.
Schwarz/Gnjatovic
Duurovereenkomst (huur); vordering tot ontbinding; onmogelijkheid in de nakoming; verzuim.
Een huurovereenkomst houdt voor beide partijen voortdurende verplichtingen in. Wanneer een partij is tekortgeschoten in de nakoming van zo’n verplichting, kan deze nog in de toekomst nagekomen worden, maar daarmee wordt de tekortkoming in het verleden niet ongedaan gemaakt. Wat betreft deze tekortkoming is dan ook sprake van een blijvende onmogelijkheid tot nakoming. Hierdoor is sprake van gevolgsschade waardoor voor ontbinding geen IGS is vereist.
Endlich/Bouwmachines
De Redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat sprake is van verzuim zonder IGS. Art. 6:83 BW is niet limitatief.
Functie IGS
Functie IGS
De schuldenaar nog een laatste termijn voor nakoming te geven & bepalen tot welk tijdstip nakoming nog mogelijk is zonder dat van een tekortkoming sprake is. Bij gebreke hiervan is de schuldenaar vanaf dat tijdstip in verzuim.
R&B brengen mee dat sprake is van verzuim zonder IGS
Indien vanwege de spoedeisendheid van het herstel een schriftelijke IGS met termijnstelling volgens 6:82 lid 1 BW niet mogelijk is/ niet zinvol is, zal de schuldeiser de schuldenaar de gelegenheid moeten geven om het gebrek te herstellen. Indien de schuldenaar niet bereikt kan worden of wel bereikt kan worden maar niet bereid is om met de noodzakelijke spoed voldoende maatregelen te nemen, brengen de maatstaven van R&B mee dat verzuim intreedt zonder dat een IGS gestuurd hoeft te worden. Ook de schriftelijke mededeling van art. 6:82 lid 2 BW is niet nodig.
Woningstichting Eigen Haard
Verhouding tussen hoofdregel en tenzij-bepaling van art. 6:265 BW
De verhouding tussen de hoofdregel en de tenzij-bepaling is als volgt: slechts een tekortkoming van voldoende gewicht geeft recht op gehele of gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst. De structuur van de hoofdregel en tenzij-bepaling brengen mee dat de schuldeiser moet stellen en zo nodig bewijzen dat sprake is van een tekortkoming (en van verzuim). De schuldenaar moet stellen en zo nodig bewijzen dat sprake is van de tenzij-bepaling. De afweging moet plaatsvinden aan de hand van alle omstandigheden van het geval.
Er is daarnaast geen behoefte om bijzondere regels te geven voor huur van sociale woonruimte.
Saelman/Academisch Ziekenhuis
Uitleg subjectieve verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 en lid 5 BW. Bekendheid van schade en de daarvoor aansprakelijke persoon.
Termijn begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk is staat is om een rechtsvordering tot vergoeding van de schade in te stellen. De korte verjaringstermijn begint pas te lopen zodra hij of zijn wettelijke vertegenwoordiger voldoende zekerheid heeft gekregen dat het letsel (mede) is veroorzaakt door tekortschietend of foutief medisch handelen. Deze zekerheid hoeft niet absoluut te zijn.
Deka-Hanno/Citronas
erdenwerking van exoneratiebeding
Uitgangspunt is dat contractuele bedingen alleen van kracht zijn tussen de handelende partijen. In bepaalde gevallen kan hierop een uitzondering worden gemaakt. De derde dient dan zo’n beding in redelijkheid tegen zich laten gelden, maar hiertoe moet wel voldoende rechtvaardiging bestaan.
De HR benoemt 2 gevallen waarin er voldoende rechtvaardiging bestaat:
Waar de grens ligt is afhankelijk van het stelsel van de wet, in het bijzonder indien de wet aan bepaalde daarin geregelde overeenkomsten binnen zekere grenzen werking jegens derden toekent en het betreffende geval in dit stelsel moet worden ingepast.
Curaçao/Boyé
Uitleg van beding. Profiteren van WP door eigenaar-koper van laatste verkoper jegens eerdere verkoper. Een ketting beding diende elke keer opgenomen te worden. Dit was niet gedaan waardoor WP was gepleegd. De vraag was of de koper nu onrechtmatig van de WP profiteert.
De HR geeft aan dat de koper nu niet onrechtmatig van de WP profiteert. Van belang is of de koper bij de aankoop ervan het beding (die nu dus niet opgenomen was) kende en zich van die strekking bewust was en of op de koper een onderzoeksplicht rustte. De onrechtmatigheid daarnaast mede af van:
Wierts/Visseren
Onderaannemer aansprakelijk jegens opdrachtgever uit onrechtmatige daad?
Wanneer iemand zich contractueel heeft gebonden, waardoor de contractsverhouding waarbij hij partij is in het rechtsverkeer een schakel is waarmee de belangen van derden verbonden kunnen worden, dan staat het hem niet vrij om deze belangen te verwaarlozen die derden bij de behoorlijke nakoming van het contract kunnen hebben.
Wanneer de belangen van derden zo nauw betrokken zijn bij de behoorlijke uitvoering van de overeenkomst dat hij schade/nadeel kan lijden als een contractant in de uitvoering tekortschiet, kunnen de normen van hetgeen in het ongeschreven recht in het maatschappelijke verkeer betaamt is, meebrengen dat contractant zijn gedrag mede laat bepalen door deze belangen. De rechter zal de volgende punten van belang kunnen achten:
De HR toetst aan Vleesmeesters/Alog
De onderaannemer moet in het algemeen binnen de grenzen rekening houden met de belangen van de opdrachtgever en de opdrachtgever zal erop mogen vertrouwen dat de onderaannemer dit doet. Wanprestatie van de onderaannemer jegens de hoofdaannemer levert nog geen OD jegens de opdrachtgever.
Keereweer/Sogolease
Fiduciaverbod, sale and lease back overeenkomst.
Rechtshandeling mag er niet toe lijden dat verkrijger slechts een zekerheidsrecht verkrijgt
Treft art. 3:84 lid 3 BW elke overdracht in het kader van een ovk waarbij financieringsaspecten een rol spelen?
De maatstaf in art. 3:84 lid 3 BW moet, voor wat betreft het element ‘die ten doel heeft een goed over te dragen tot zekerheid’, worden gezocht in het antwoord op de vraag: strekt de rechtshandeling ertoe de wederpartij een zekerheidsrecht op het goed te verschaffen; dat deze in zijn belangen als schuldeiser ten opzichte van andere schuldeisers wordt beschermd?
Dit kan anders zijn indien uit bijkomende omstandigheden blijkt van bedoeling tot ontduiking van art. 3:84 lid 3 BW.
De maatstaf in art. 3:84 lid 3 BW dat de rechtshandeling de strekking mist het goed na de overdracht in het vermogen van de verkrijger te doen vallen leidt in geval van een sale and lease back overeenkomst, niet tot ongeldigheid van de titel.
Hoogovens/Matex
Koper onder eigendomsvoorbehoud geen bevoegdheid om over de zaak te beschikken. Verkrijger aangewezen op derdenbescheeming 3:86 BW.
Verhouding goede trouw en onderzoeksplicht
Mogelijkheid dat de leveranciers van de verkoper het materiaal onder eigendomsvoorbehoud aan hem hebben geleverd, brengt niet direct mee dat koper reden had tot twijfelen aan de beschikkingsbevoegdheid van de verkoper en dat hij nader onderzoek had moeten doen naar de bevoegdheid van de verkoper;
Swarttouw had een goede reputatie en stond niet bekend als financieel onbetrouwbaar;
Verkeersbelang vereist dat degene die geen reden had tot twijfelen aan de normale afwikkeling van de leveranciers-overeenkomst, wordt beschermd. Bij een normale afwikkeling mag de koper ervan uitgaan dat de verkoper ondanks evb. bevoegd is tot doorlevering:
a. hetzij omdat hij zijn leverancier (Hoogovens) al heeft betaald;
b. hetzij omdat de leverancier geen reden heeft zich te verzetten tegen een doorlevering, met het oog waarop, naar hij kon verwachten, de koopovereenkomst werd gesloten.
Rabobank/Reuser
overwoog de Hoge Raad of de verkrijger van onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaken een geldig pandrecht kan vestigen dat ook bij tussenkomend faillissement verkrijger na vervulling voorwaarde uitgroeit tot pandrecht op onvoorwaardelijke eigendom
Overdracht onder eigendomsvoorbehoud
Levering roerende zaak onder opschortende voorwaarde voltooid op moment dat de zaak in de macht verkrijger is gebracht. Vekrijger krijgt een recht een goed een voorwaardelijk eigendomsrecht vatbaar voor verpanding.
De koper direct al bij de totstandkoming van de overdracht onder eigendomsvoorbehoud een terstond ingaand eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde toe. De verkrijger onder eigendomsvoorbehoud zoals bedoeld in art. 3:92 lid 1 BW heeft een onvoorwaardelijk eigendomsrecht die uitgroeit tot een voorwaardelijk eigendomsrecht indien de opschortende voorwaarde vervult is.
Het is een voorafspiegeling van de eigendom overdraagbaar o.g.v. art. 3:83 lid 1 BW. Het recht kan worden overgedragen o.g.v. art. 3:84 lid 1 BW en er kan een beperkt recht op worden bezwaard, art. 3:81 lid 1 jo. 3:98 jo. 3:84 lid 1 BW.
Oordeel HR: De wetgever heeft ter zake van een overdracht onder eigendomsvoorbehoud een systeem voor ogen gestaan waarin deze overdracht — behoudens afwijkend beding — wordt aangemerkt als een overdracht onder opschortende voorwaarde, waarbij de levering van de desbetreffende roerende zaken, niet-registergoederen, is voltooid op het moment dat de zaken in de macht van de verkrijger zijn gebracht, met als gevolg dat de verkrijger een ‘terstond ingaand eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde’, respectievelijk ‘voorwaardelijk eigendomsrecht’ verkrijgt.
Het door de wetgever beoogde systeem brengt mee dat de verkrijger onder eigendomsvoorbehoud als bedoeld in art. 3:92 lid 1 BW uit hoofde van de voltooide levering een positie verkrijgt waarin de uitgroei tot een onvoorwaardelijk eigendomsrecht, welke wordt bewerkstelligd door voldoening van de prestatie.
Overdracht onder opschortende voorwaarde brengt geen splitsing van de eigendom over de verkoper en de koper teweeg. De verkoper behoudt de eigendom. De koper heeft slechts ‘terstond ingaand eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde’.
Zolang niet betaald is zijn er 2 eigenaren:
pandrecht
Wanneer pandrecht gevestigd wordt, ontstaat met de voltooiing van de vestigingshandeling een onvoorwaardelijk pandrecht op het voorwaardelijke eigendomsrecht. Wordt de opschortende voorwaarde na het faillissement vervuld, dan groeit het pandrecht van rechtswege uit tot een pandrecht op het volledige eigendom op de zaken zelf en hierdoor dus op de zaken.
Eelder Woningbouw/ Van Kammen c.s.
Wat geleverd wordt komt voor uit de akte van levering tot uitdrukking. Bedoeling van partijen moeten afgeleid uit objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte
Uitleg leveringsakte; wat is geleverd indien het geleverde stuk kleiner is volgens de leveringsakte dan waarop de koop (titel) zag.
Voor het antwoord op de vraag wat geleverd is, is het volgende van belang:
“bij beantwoording van de vraag komt het aan op de in de notariële akte van levering tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in deze akte opgenomen, naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte uit te leggen omschrijving van de over te dragen onroerende zaak”.
Gevolg: voor de vraag wat is geleverd, is het leveren van tegenbewijs van wat niet in de leveringsakte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling is opgenomen, zinloos.
Bepaald is dat de akte op een objectieve wijze moet worden uitgelegd. Het volgende uitgangspunt wordt aangenomen: wat leiden derden daaruit redelijkerwijs af m.b.t. wat partijen hebben beogen te leveren? Er is dus geen plaats voor inroepen van tegenbewijs. Het objectieve bewijs is echter niet beperkt tot een enkel taalkundige uitleg. De bewoordingen moeten worden uitgelegd tegen het licht van de gehele inhoud van de akte gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden.
Gevolg
Het meerdere is nu niet overgegaan. De bedoeling om het meerdere over te dragen staat niet in de leveringsakte, waardoor het meerdere niet geleverd is. De verkoper zal het meerdere alsnog moeten leveren.
De Liser de Morsain/Rabobank
Hoe moet de cessieakte worden uitgelegd? Hoe werkt het bepaaldheidsvereiste (art. 3:84 lid 2 BW) bij de cessie van vorderingen?
Uitleg van cessieakte: haviltex-maatstaf.
feiten
Rabobank Rijswijk ging over naar Rabobank Den Haag. Dit wordt fusie genoemd. Alles wat Rabobank Rijswijk had ging rechtstreeks over naar Rabobank Den Haag. De vorderingen werden ook overgemaakt. In de akte werden niet alle vorderingen netjes opgesomd. Er stond ‘overige activa’ en ‘overige debiteuren’ dan die eerder werden genoemd.
Hierna stond uitgezonderd:
“In de hiervoor bedoelde overdracht zijn uitdrukkelijk uitgezonderd de zekerheden met een algemene strekking in die zin, dat zij strekken tot zekerheid van al hetgeen de liquiderende bank te vorderen heeft dan wel (…) mocht hebben of verkrijgen, en derhalve aan de liquiderende bank verblijven als zekerheid voor de vorderingen die de bank mocht verkrijgen uit hoofde van de op 30 december 1994 door de liquiderende bank aan de voortzettende bank afgegeven garantie.”
Rabobank Rijswijk had een vordering op De Liser de Morsain. De Liser de Morsain was betrokken bij een onderneming. De Liser de Morsain had ook een vordering op die onderneming. De Liser de Morsain beloofde dat hij zijn vordering niet zou incasseren totdat de Rabobank volledig betaald was. Dit wordt een vordering uit overeenkomst van achterstelling genoemd. Dit heeft een zekerheidskarakter. De Liser de Morsain had zijn afspraak niet nagekomen en werd aangesproken door Rabobank Rijswijk. Toen kwam de overdracht. Rabobank Den Haag klopte toen aan bij De Liser de Morsain met ‘ik heb een vordering op jou, jij hebt niet gedaan wat je zei’. De Liser de Morsain zei toen: ‘wie bent u’? Ik heb een overeenkomst met Rabobank Rijswijk. Rabobank Den Haag zei toen: ‘ik heb de vordering gecedeerd gekregen’. De Liser de Morsain wilde wel weten waar dit toen stond. De Liser de Morsain zou vallen onder ‘overige debiteur’. Er waren ook dingen uitgezonderd; uitgezonderd was een zekerheid met algemene strekking. Een overeenkomst tot achterstelling is een zekerheid van algemene strekking. Ik hoef dus niet aan Rabobank Den Haag te betalen.
rechtsvraag
Is de omschrijving ‘overige debiteuren’ voldoende bepaald?
Bepaaldheidsvereiste
Voldoende is ‘dat de desbetreffende akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld, om welke vordering(en) het gaat.
De Liser de Morsain las de uitzondering en zei ‘ik van onder de uitzondering’ Hierover gaf de HR ook een oordeel. Uitleg over de cessieakte.
“Volgens de ‘Haviltex’-maatstaf: dat voor de bepaling van de inhoud van een akte van cessie niet slechts van belang is, hetgeen uit de desbetreffende akte zelf blijkt. Het komt aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.” —> Subjectieve uitleg.
X./Heijmans Infra
Uitleg Pandakte; maatstaf. Bepaaldheidsvereiste; maatstaf.
Na Coface/Intergamma bestond onduidelijkheid over de vraag of De Liser de Morsain/Rabobank nog wel gold. In De Liser de Morsain had de HR gezegd dat een cessieakte uitgelegd moet worden volgens Havilex. In Coface/Intergamma heeft de HR het bij een onoverdraagbaarheidsbeding ineens over een objectieve uitleg met als reden de bedingen mede bestemd zijn om de rechtspositie van derden te bepalen die de bedingen tussen partijen niet kennen.
De vraag die speelde: had Coface, De Liser de Morsain vervangen?
Er was een pandgever die het volgende verpande: “de uitstaande
vorderingen per 20 januari 2014 ad € 6.059.324,79’, ‘vermeld op de hierbij gevoegde computerlijst(en)/ specificaties bestaande uit 155 gewaarmerkte pagina’s’. Is ook de niet vermelde vordering op Heijmans Infra verpand?
HR: was het de bedoeling ook die vordering te verpanden? De HR kijkt hiervoor naar de regel van de Liser de Morsain; dus naar Haviltex wat nog steeds geldt. De letterlijke tekst is dus niet bepalend. Maar is wel voldaan aan de bepaaldheidsvereiste?
Hier komt de objectieve bepaaldheidsvereiste om de hoek kijken. “De bedoeling is niet relevant, voor zover die bedoeling niet aan de hand van gegevens in de akte zelf, eventueel achteraf, kan worden vastgesteld’.
W.U.H./Emmering q.q.
Rechtsvraag: zijn op de dag van faillietverklaring nog niet verschenen huurtermijnen toekomstige vorderingen?
De HR overwoog: Het ontstaan van vorderingen als hier bedoeld (vorderingen uit hoofde van de huurovereenkomst), die niet geacht kunnen worden hun bestaan reeds te zijn aangevangen op het tijdstip waarop de huurovereenkomst tot stand kwam, is afhankelijk van toekomstige, vooralsnog onzekere omstandigheden waaronder in het bijzonder de daadwerkelijke verschaffing van het huurgenot.
Coface/Intergamma
Onoverdraagbaarheidsbeding (art. 3:83 lid 2 BW) in goederenrechtelijke zin of in verbintenisrechtelijke zin?
Een beding als het onderhavige, dat naar zijn aard mede is bestemd om de rechtspositie te beïnvloeden van derden die de bedoeling van de contracterende partijen niet kennen, en dat ertoe strekt hun rechtspositie op uniforme wijze te regelen, dient te worden uitgelegd naar objectieve maatstaven, met inachtneming van de Haviltex-maatstaf. Als uitgangspunt bij de uitleg van bedingen die de overdraagbaarheid van een vorderingsrecht uitsluiten, moet worden aangenomen dat zij uitsluitend verbintenisrechtelijke werking hebben, tenzij uit de — naar objectieve maatstaven uit te leggen — formulering daarvan blijkt dat daarmee goederenrechtelijke werking als bedoeld inart. 3:83 lid 2 BW is beoogd.
Warnaar/Wubben c.s.
Kan een stuk grond van de gemeenschappelijke grond apart worden gezet en hierin je aandeel overdragen?
Oordeel HR: nee dit kan niet. Je kan niet je aandeel in een gedeelte van de gemeenschappelijke grond overdragen. Aandeel in het geheel overdragen kan wel (3:175 lid 1 BW). De Hoge Raad heeft geoordeeld dat om een aandeel in een gedeelte van de gemeenschappelijke grond over te dragen je toestemming van de andere deelgenoten nodig hebt, aangezien het een handeling in de zin van 3:170 lid 3 BW is.
“De vervreemding van een gedeelte van een gemeenschappelijk stuk grond brengt mee dat het desbetreffende gedeelte wordt afgesplitst van het grotere geheel. Niet is vereist dat aan een dergelijke vervreemding een fysieke of juridische splitsing in gedeelten van het stuk grond voorafgaat. Wel is noodzakelijk dat het desbetreffende gedeelte ten behoeve van de vervreemding wordt aangewezen als afzonderlijke, te individualiseren zaak. Een dergelijke aanwijzing betreft het gemeenschappelijke stuk grond als geheel en dient daarom te worden aangemerkt als een handeling waartoe ingevolge art. 3:170 lid 3 BW uitsluitend de deelgenoten tezamen bevoegd zijn.”
Teixeira de Mattos
Oneigenlijke vermenging
De zaken zijn dan nog steeds individualiseerbaar, maar je kunt niet aantonen welke zaak aan jou toebehoort. Art. 5:15 jo. 5:14 BW geldt hier niet.
Bewijsprobleem: art 3:109 en 3:119 BW biedt de oplossing.
Breda/Antonius
Zaaksvorming, art. 5:16 lid 2 BW. Voor jezelf vormen of voor jezelf doen vormen?
Je moet kijken wat volgens de verkeersopvatting uit de rechtsverhouding voortvloeit. Bij industriële fabricage is het volgende van belang:
Waardeverschil oorspronkelijke zaken en kosten van productie is niet van belang.
Dépex/curatoren Bergel c.s.
Roerende zaken die deel uit gaan maken van onroerende zaken; natrekking? Art. 3:4 jo. 5:3 jo. 5:20 lid 1 sub e BW.
Maakt de waterdestillatie onderdeel uit van het gebouw? Kunnen de machines o.g.v. art. 3:4 BW hun zelfstandigheid verliezen waardoor zij o.g.v. art. 5:3 BW toekomen aan de eigenaar en het gebouw duurzaam met de grond verenigd is o.g.v. art. 5:20 lid 1 sub e BW, waardoor de grondeigenaar ook eigenaar van de machines is.
De HR geeft de volgende uitgangspunten:
Portacabin
Is een gebouw of werk duurzaam met de grond verenigd? Van belang voor art. 3:3 en 5:20 lid 1 sub e BW.
Een gebouw of inrichting is duurzaam met de grond verenigd als het naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven.
In casu was de inrichting bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven. Het was aangesloten op gas, water en elektriciteitsnet en er was een riolering aangelegd. Ook was er een tuintje omheen gebouwd.