Les 6 Flashcards Preview

Spaans2 > Les 6 > Flashcards

Flashcards in Les 6 Deck (220):
0

In goede handen

En buenas manos

1

De ontspanning, de rust

El descanso

2

Het lichaamsdeel

La parte del cuerpo

3

De schoonheidssalon, het beautycentrum

El centro de salud

4

De schoonheid

La belleza

5

De behandeling

El tratamiento

6

De steen

La piedra

7

De massage

El masaje

8

De rug

La espalda

9

De acupunctuur

La acupuntura

10

Het oor

La oreja

11

Effectief, doeltreffend

Efectivo/-a

12

Voldoende

Suficiente

13

De sessie, de behandeling

La sesión

14

De huid

La piel

15

Dik maken, verdikken

Engordar

16

Het been

La pierna

17

Professioneel, prof-

Profesional

18

De amateur

El/la aficionado/-a

19

De marathon

El/la maratón

20

Het gezicht

La cara

21

Het masker

La máscara

22

De stress

El estrés

23

De voetreflexologie

La reflexoterapia

24

Activeren

Activar

25

Pijn doen

Doler (ue)

26

Het hoofd

La cabeza

27

De tand

El diente

28

De neus

La nariz

29

De mond

La boca

30

Het oog

El ojo

31

De vinger

El dedo

32

De nagel

La uña

33

De arm

El brazo

34

De borst

El pecho

35

De buik

La barriga
El vientre

36

De knie

La rodilla

37

Aanwijzen, aanduiden

Señalar

38

Zo snel mogelijk

Lo más rápido posible

39

De hypochonder

El/la hipocondríaco/-a

40

Ongeneeslijk, onverbeterlijk

Sin remedio

41

Het ziekteverschijnsel

El síntoma de enfermedad

42

De ziekte

La enfermedad

43

Zich slecht voelen, ziek zijn

Estar mal

44

De koorts

La fiebre

45

De verkoudheid

El resfriado

46

Erg, ernstig

Grave

47

Au, au, au

Ay, ay, ay

48

De keel

La garganta

49

De hoest

La tos

50

De maag

El estómago

51

Zich bewegen

Moverse (ue)

52

Zich heel slecht voelen

Estar fatal

53

Beter worden, genezen

Curarse

54

Zorgen baren, verontrusten

Preocupar

55

De praktijk

La consulta

56

Een afspraak maken voor consultatie

Pedir (i) hora

57

Het kuuroord

El balneario

58

De patiënt(e)

El/la paciente

59

De gezondheid

La salud

60

Wat is er met je/u aan de hand?

¿Que te/le pasa?

61

Beterschap

Que te mejores
Que se mejore

62

De griep

La gripe

63

De diarree

La diarrea

64

De allergie (voor)

La alergia (a)

65

Ziek

Enfermo/-a

66

Verkouden

Resfriado/-a

67

Nerveus, zenuwachtig

Nervioso/-a

68

Zich goed voelen

Estar bien

69

Gezond

Sano/-a

70

Het staartje

La colita

71

De kikker

La rana

72

De kruidenthee

La infusión de hierbas

73

De ui

La cebolla

74

De online apotheek

La farmacia en línea

75

Het begin (de homepage)

El inicio

76

Het tabletje

El.comprimido

77

De hoestsiroop

El jarabe

78

De tinctuur

La tintura

79

Het jodium

El yodo

80

De zalf

La crema

81

De pleister

La tirita

82

De eenheid, het stuk

La unidad

83

Het verbandgaas

La gasa

84

De druppel

La gota

85

De oogdruppels

El colirio

86

De reisapotheek

El botiquín

87

Vaak

A menudo

88

Hoofdpijn

El dolor de cabeza

89

Iets sterker

Algo más fuerte

90

De pastille, het tabletje

La pastilla

91

Daarvoor

Para eso

92

De natuurgenezer

El/la naturista

93

De factor, het element

El factor

94

Het geheim

El secreto

95

De weegschaal

La balanza

96

Aangenaam

Agradable

97

Gehaast

Con prisa

98

Dagelijks

Diariamente

99

Het bijwoord

El adverbio

100

De gewoonte

La costumbre

101

Ontspannend

Relajante

102

Streep door!

Tache. (Inf. Tachar)

103

De naam, de reputatie

La fama

104

Productief

Productivo/-a

105

Aantonen

Demostrar (ue)

106

Wetenschappelijk

Científico/-a

107

De studie, het onderzoek

El estudio

108

Verbeteren

Mejorar

109

De productiviteit

La productividad

110

De fauteuil

El sillón

111

Genoeg zijn

Bastar

112

Enig, een

Alguno/-a

113

Vroeger

Antes

114

Zich bevinden

Encontrarse (ue)

115

De bron

La fuente

116

De mineralen

Los minerales

117

De rijkdom, de weelde

La riqueza

118

De reden

La razón

119

De oprichting

La fundación

120

Geneeskrachtig

Medicinal

121

In die tijd

En esa época

122

De luxe

El lujo

123

De behandeling, de kuur

La cura

124

Trainen, oefeningen doen

Hacer ejercicio

125

De oefening

El ejercicio

126

Baden

Bañarse

127

Het thermale water/bronnen

Las aguas termales

128

Verblijven

Alojarse

129

Combineren

Combinar

130

Het paradijs

El paraíso

131

Hoe ontspannend!

¡Qué relax!

132

De eeuw

El siglo

133

De scooter

La motocicleta

134

Van huid(en)

De piel(es)

135

De mammoet

El mamut

136

De huid, het vel, het leer

La piel

137

Het romeinse rijk

El Imperio Romano

138

Het stenen tijdperk

La Edad de Piedra

139

De jaren 50

Los años cincuenta

140

Cursief (gedrukt)

En cursiva

141

Veranderen, transformeren

Transformar

142

Het gas

El gas

143

De damp, stoom

El vapor

144

Voorafgaand aan

Anterior a

145

De aankomst

La llegada

146

De aromatische plant

La planta aromática

147

De geneeskrachtige plant

La planta medicinal

148

Compenseren

Compensar

149

Het gebruik

El uso

150

Het stoombad

El baño de vapor

151

Hydrateren

Hidratar

152

Behandelen

Tratar

153

Zwanger

Embarazada

154

De scheiding

La separación

155

Het huismiddeltje

El remedio casero

156

De honing

La miel

157

Informatie verzamelen

Recoger información

158

Oorspronkelijk

Original

159

Effectief, doeltreffend

Eficaz

160

Het carnaval

El carnaval

161

De samensmelting

La fusión

162

Het geloof

La creencia

163

Christelijk

Cristiano/-a

164

Het gevaar

El peligro

165

De mijn

La mina

166

De vermomming

La disfraz

167

De strijd

La lucha

168

Het goede

El bien

169

Het kwade

El mal

170

In het (verste) puntje

En la puntita

171

Het schiereiland

La península

172

Serieus

Serio/-a

173

Kritisch

Crítico/-a

174

De wedstrijd

El concurso

175

De prinses

La princesa

176

Elk, wat voor...dan ook

Cualquier/a

177

De hiel

El talón

178

De enkel

El tobillo

179

De teen

El dedo del pie

180

De schouder

El hombro

181

De elleboog

El codo

182

Wenkbrauw

La ceja

183

Wimper

La pestaña

184

De nek

La nuca

185

De hals

El cuello

186

Achterwerk, billen

El culo

187

De heup

La cadera

188

De wang

La mejilla

189

Het voorhoofd

La frente

190

De kin, baard

La barba

191

De pols

La muñeca

192

De duim

El pulgar

193

Ik heb tandpijn

Me duelen las muelas

194

Ik heb oorpijn

Me duelen los oídos

195

Je ziet er slecht uit

Tienes mala cara

196

De navel

El ombligo

197

De hersenen

El cerebro

198

Het hart

El corazón

199

De longen

Los pulmones

200

De lever

El higado

201

De ingewanden

Los intestinos

202

Het skelet

El esqueleto

203

Duim
Wijsvinger
Middelvinger
Ringvinger
Pink

El pulgar
El índice
El corazón
El anular
El meñique

204

Vermageren

Adelgazar

205

Een hoop

Un montón

206

De oogst

La cosecha

207

Gloeilamp

La bombilla eléctrica

208

Naaimachine

La máquina de coser

209

Stofzuiger

Una aspiradora eléctrica

210

Lucifers

Las cerillas

211

Bij het begin
In het midden
Op het einde

A principios
A mediados
A finales

212

Een ijslolly

Un helado de palo

213

Nederig

Humilde

214

De gal

La hiel

215

Klaagzang

El llanto

216

De moestuin

La huerta

217

Groenten kweken

Cultivar hortalizas

218

Het is van ... En dient om ...

Es de ... y sirve para ...

219

Zoet
Zuur
Zout
Bitter
Umami

Dulce
Agrio
Salado
Amargo
Umami