Les1 Flashcards Preview

Spaans2 > Les1 > Flashcards

Flashcards in Les1 Deck (297):
0

Wandelend, rondtrekkend

Caminando

1

Het belangrijkste

Lo más importante

2

Het windjack, anorak

El anorak

3

De hoed

El sombrero

4

Geel

Amarillo/a

5

Het overhemd , de blouse

La camisa

6

Gestreept

A rayas

7

De rugzak

La mochila

8

Rood

Rojo/a

9

De zonnebril

Las gafas de sol

10

Het T-shirt

La camiseta

11

Oranje

Naranja

12

De rok

La falda

13

De broek

Los pantalones

14

De trui

El jersey

15

De schoenen

Los zapatos

16

De catalogus

El catálogo

17

Antwoorden

Contestar

18

Het kledingstuk

La prenda de ropa

19

De pelgrimsroute naar Santiago de Compostela

El camino de Santiago

20

De reisgids (boek)

La guía turística

21

De beste periode

La mejor época

22

De herberg

El albergue

23

De pelgrim

El peregrino, la peregrina

24

De lente

La primavera

25

Toeristisch

Turístico/a

26

De pelgrimsroute

La ruta de peregrinación

27

Eenvoudig

Sencillo/a

28

De traditionele pelgrimsroute

El camino Francés

29

De bestemming

El destino

30

De apostel Sint-Jacob

El Apóstol Santiago

31

De kustroute

El Camino del Norte

32

Regenen

Llover, llueve

33

Langer dan

Más largo/-a que

34

Net zo belangrijk als

Tan importante como

35

De zomer

El verano

36

Minder

Menos

37

Het comfort, het gemak

Las comodidades

38

Het seizoen

La estación del año

39

De herfst

El otoño

40

De winter

El invierno

41

De vergelijking

La comparación

42

De minst aantrekkelijke maand

El mes menos atractivo

43

De vergelijkende trap

El comparativo

44

Groter

Mayor

45

Beter

Mejor

46

Slecht

Malo/-a

47

Slechter

Peor

48

Comfortabel

Cómodo/-a

49

Wandelen, lopen

Caminar

50

Schoenen dragen

Llevar zapatos

51

De sandalen

Las sandalias

52

De jas, het jasje

La chaqueta

53

Dag na dag

Día a día

54

Her dagelijkse leven

La vida cotidiana
La vida diaria

55

De alinea

El párrafo

56

Laatste

Último/-a

57

Onderweg

En camino

58

De zon komt op

Sale el sol

59

Opstaan

Levantarse

60

Zich wassen

Lavarse

61

Aantrekken

Ponerse

62

De kleding

La ropa

63

De energie

La energía

64

Lang

Largo/-a

65

Na het ontbijt

Después de desayunar

66

(Be)studeren

Estudiar

67

Zich concentreren (op)

Concentrarse (en)

68

In stilte

En silencio

69

Zich vervelen

Aburrirse

70

(Leren) kennen

Conocer (zc) (a)

71

Haast hebben

Tener prisa

72

Moe worden

Cansarse

73

Zich ontspannen

Relajarse

74

Arm

Pobre

75

Zich opsplitsen

Separarse

76

Alleen

Solo/-a

77

Zo, op die manier

Así

78

Het reisdagboek

El diario del viaje

79

(Zich) douchen

Ducharse

80

Als laatste naar bed gaan

Acostarse (ue) el último

81

Bekijken, kijken naar

Mirar

82

Het regent

Llueve (llover)

83

Het wederkerend werkwoord

El verbo reflexivo

84

Tijdens de tocht

Durante el camino

85

Het element

El elemento

86

De kolom

La columna

87

De lokale bevolking

La gente del lugar

88

De rust

La tranquilidad

89

De TV

La tele

90

Voor zeven uur

Antes de las siete

91

Die, dat

Ese/-a

92

De cadeaubon

El cheque de regalo

93

De incaroute

El Camino Inca

94

De raad, het advies

El consejo

95

Het incarijk

El imperio inca

96

Verloren

Perdido/-a

97

De Inca

El/la inca

98

Alleen, slechts

Solamente

99

Bevoegd

Autorizado/-a

100

Afleggen

Recorrer

101

Sportief

Deportista

102

het is raadzaam

Conviene (convenir)

103

Bereiken

Llegar a

104

Het wordt aanbevolen

Se recomienda. (Recomendar)

105

Een paar dagen doorbrengen

Pasar unos días

106

Gewend raken aan

Acostumbrarse (a)

107

De hoogteziekte

El soroche
El mal de las alturas

108

Aanbevolen

Recomendado/-a

109

De zon schijnt

Hace sol

110

Het is bewolkt

Está nublado

111

Het is mooi weer

Hace buen tiempo

112

De temperatuur

La temperatura

113

Tegen

Contra

114

De wind

El viento

115

De kou

El frío

116

Het is nodig

Es necesario

117

Vermijden

Evitar

118

Wat voor weer is het?

¿Qué tiempo hace?

119

Het is warm

Hace calor

120

Het is koud

Hace frío

121

Het is 5 graden

Hace 5 grados

122

Onder nul

Bajo cero

123

Het waait

Hace viento

124

Het is slecht weer

Hace mal tiempo

125

Het is mistig

Hay niebla

126

Het sneeuwt

Nieva (nevar)

127

Het geval

El caso

128

Wat een...

¡Qué...!

129

Wat sneeuwt / regent het!

¡Cómo nieva / llueve!

130

Schrijf op, noteer

Apunte (apuntar)

131

De voors en tegens

Los pros y (los) contras

132

Het advies

La recomendación

133

De safari

El safari

134

De cruise

El crucero

135

Chic, elegant

Elegante

136

Langzaam, rustig

Despacio

137

Zich insmeren

Ponerse crema

138

De mug

El mosquito

139

Het toiletpapier

El papel higiénico

140

Luchtig, licht

Ligero/-a

141

Het boek

El libro

142

Het tijdschrift

La revista

143

We zijn aan het wachten

Estamos esperando

144

Ik ben een pauze aan het houden

Estoy haciendo una pausa

145

Hij is foto's aan het maken

Está tomando fotos

146

Het gerundium

El gerundio

147

Voorkomen, verschijnen

Aparecer (zc)

148

Regelmatig

Regular

149

Uitbeelden, spelen

Representar

150

De mimiek, het gebarenspel

La mímica

151

De handeling, de actie

La acción

152

Het bord

El plato

153

Het televisietoestel

El televisor

154

De computer

El ordenador

155

Voorzichtig! Pas op!

¡Cuidado!

156

De tekening

El dibujo

157

Vergeten

Olvidar

158

Laten we spelen!

¡A jugar!

159

Spelen

Jugar (ue)

160

Het fiche, de pion

La ficha

161

De munt, het muntstuk

La moneda

162

Het gezicht

La cara

163

Verdergaan ,vooruitgaan

Avanzar

164

Het vakje

La casilla

165

Het kruis (ook kruis van een munt)

La cruz

166

De start, de uitgang

La salida

167

Gaan kamperen

Ir de cámping

168

Ga verder, ga vooruit

Avance (avanzar)

169

Beschrijf!

Describa (describir)

170

Links van u

A su izquierda

171

Terug

Atrás

172

De regen

La lluvia

173

Gefeliciteerd

¡Felicidades!

174

Uitnodigen

Invitar

175

Bereid voor (gebiedende wijs)

Preparen (preparar)

176

Tekenen

Dibujar

177

Het logo

El logo

178

Rekening houden met

Tener en cuenta

179

Beginnen

Empezar (ie)

180

Hoeveel tijd?

¿Cuánto tiempo?

181

De bagage

El equipaje

182

Het bos

El bosque

183

Het avontuur

La aventura

184

Op reis gaan

Ir de viaje

185

Het familielid

El/la familiar

186

Het gesprek

La conversación

187

Zich voorstellen

Presentarse

188

Antwerpen

Amberes

189

De assistent(e)

El/la asistente

190

De coördinatie

La coordinación

191

Het beeld

La imagen

192

Politiek

Político/-a

193

Economisch

Económico/-a

194

Financieel

Financiero/-a

195

Verklaren

Declarar

196

De Unesco

La Unesco

197

Restaureren

Restaurar

198

Het hout

La madera

199

Her klimaat

La clima

200

Vrolijk

Alegre

201

Ongeveer

Aproximadamente

202

Door de lucht

Por aire

203

Over het water

Por agua

204

Het is de moeite waard

Vale la pena

205

De kaaiman

El caimán

206

De aap

El mono

207

De dolfijn

El delfin

208

De muur

El muro

209

De tempel

El templo

210

Zich herinneren

Recordar (ue)

211

De ruimte

El espacio

212

Ik zou willen vertellen

Quería contar (querer)

213

Nog veel meer dingen

Muchas cosas más

214

Heerlijk

Riquísimo/-a

215

De keuken

La cocina

216

U gaat bezoeken

Va a visitar

217

De voorbereiding

El preparativo

218

Duiken

Bucear

219

Paardrijden

Montar a caballo

220

Schaatsen

Patinar

221

Fietsen

Ir en bicicleta

222

Voetballen
Volleyballen
Golf spelen

Jugar al fútbol
Jugar al voleibol
Jugar al golf

223

Gazon afrijden

Cortar el césped

224

Strijken

Planchar

225

De hond uitlaten

Pasear al perro

226

Liegen

Decir una mentira

227

Onderbroek (man)
Onderbroek (vrouw)

Los canzoncillos
Las bragas

228

Onderhemd

La camiseta

229

Broek

Los pantalones

230

Jeansbroek

Los vaqueros

231

T-shirt

La camiseta

232

De rok

La falda

233

Hemd

La camisa

234

Das

La corbata

235

Korte broek /short

Los pantalones cortos

236

Sok, sokken

El calcetín, los calcetines

237

Sweater

El suéter

238

Trui

El jersey

239

Jas

La chaqueta

240

Panty's

Los pantys

241

Blouse

La blusa

242

Kleed

El vestido

243

Sportschoenen

Las bambas

244

Schoenen

Los zapatos

245

Sandalen

Las sandalias

246

Botten

Las botas

247

Handschoenen

Los guantes

248

Regenjas

El impermeable

249

Anorak

El anorak

250

Overjas

El abrigo

251

Zakdoek (hoofddoek)

El pañuelo

252

Muts, kap

La gorra, el gorro

253

Hoed

El sombrero

254

Riem

El cinturón

255

Knopen en knoopsgaten

Los botones y los ojales

256

Zakken

Los bolsillos

257

Rits

La cremallera

258

Gesp

La hebilla

259

Veters

Los cordones

260

Sjaal

La bufanda

261

Kledingstuk

La prenda de vestir

262

Katoen

El algodón

263

Wol

La lana

264

Zijde

La seda

265

Leder

El cuerro

266

Linnen

El lino

267

Suéde

El ante

268

Leder/bont

La piel

269

Nylon

El nailon

270

Synthetisch

Sintético

271

Geruit

A cuadros

272

Gestreept

A rayas

273

Met bolletjes

A lunares

274

Glad/effen

Liso,-a

275

Bedrukt

Estampado,-a

276

Met bloemen

Floreado,-a

277

Wit

Blanco,-a

278

Zwart

Negro,-a

279

Rood

Rojo,-a

280

Geel

Amarillo,-a

281

Groen

Verde

282

Blauw

Azul

283

Grijs

Gris

284

Bruin

Marrón
Castaño

285

Oranje

Naranja

286

Violet
Lila
Turkoois
Paars

Violeta
Lila
Turquesa
Morado

287

Roze

Rosa

288

Zalmkleur

Salmón

289

Beige

Beis

290

Paskamer

Los probadores

291

Welke maat heb je nodig,

¿Qué talla necesita?

292

Etalage

El escaparate

293

Ken je...?

¿Conoces a ...?

294

Ja, natuurlijk ken ik...
Nee, ... Ken ik niet

Si, claro que lo/la conozco.
No, no lo/la conozco.

295

Het is bewolkt
De hemel is helder

(El cielo) está nublado
El cielo está despejado

296

Kostuum

El traje