Les 7: De Klassieke Theorie In De Renaissance Flashcards Preview

theatergeschiedenis > Les 7: De Klassieke Theorie In De Renaissance > Flashcards

Flashcards in Les 7: De Klassieke Theorie In De Renaissance Deck (15)
Loading flashcards...
0
Q

Welke nieuwe theoretici waren er in de Renaissance? (5) + omschrijf wat ze gedaan hebben.

A

A) Robortello: hij geeft commentaar op het werk van Aristoteles en legt ook uit waarom. (Librum Aristotelis)
B) Scalinger: hoogleraar Poetica en Grieks. Hij schrijft zeven boeken over de poëtica en theaterwetenschap. Hij probeert vss visies te verzoenen: Aristoteles, Horatius, Latijnse grammatici en de Griekse opvoeringspraktijk van de tragedie.
Hij had veel invloed op de Duitse literatuur.

C) Castelvetro: Poetica d’aristotle vulgarisata e sposta. Heeft commentaar op Aristoteles en wijst op de gebreken van toneel en hoe je ze kan oplossen. Realisme in het toneel! Zowel op toneel als de dichters (zijn ook maar mensen)

D) Heinsius: vertaald Aristoteles in het latijn en specialiseert zijn in Griekse literatuur. De tragediae Constituone: regeltjes van een goede tragedie.
Zeer veel invloed in Frankrijk

E) Vossius: retorica, boek over genres in komedie en tragedie. Veel invloed op classicistische toneel

1
Q

Welke theoretici uit de oudheid worden in de Renaissance opnieuw bestudeerd?

A

1) Aristoteles: Ars Poetica (beschrijft het toneel in het oude Griekenland, wordt in het Latijns vertaald door Valla)
2) Horatius: Poetica
3) Seneca
4) Donatus: de tragoedia et comedia

2
Q

Wat is Heinsius zijn definitie van de tragedie?

A
  • mimesis: navolging van de werkelijkheid
  • middelen om mimesis tot stand te brengen (wijze van opvoering, ernstige onderwerpen, muziek,…)
  • imitatio: norm van waarschijnlijkheid
3
Q

Hoe rechtvaardigt Heinsius de tragedie?

A

Drie functies van tragedie

  • bijzonder etherische lezing
  • algemeen zedelijk nut
  • esthetisch-psychologisch motief: katharsis. Wordt door pathos opgewekt: pity and fear
4
Q

Hoe ziet Horatius de tragedie?

A

Als een Utile Dulci: er moet iets uit te leren zijn, het morele en retorische aan elkaar koppelen

5
Q

Hoe ziet Scalinger de tragedie? (de rechtvaardiging)

A

Doel is poëtische gerechtigheid.

6
Q

Hoe ziet Castelvetro de tragedie?

A

plezier, vermaak voor het publiek

7
Q

Aan welke structuur of eigenschappen moet een tragedie voldoen?

A
  • ernstig onderwerp
  • korter dan epos
  • juiste indeling
    proloog
    epitatis
    catastrophe
  • 5 bedrijven
8
Q

Aan welke eenheden moet de tragedie voldoen? Hoe streng is men daarop?

A

1) eenheid van handeling:
- samenhang in veelheid van handelingen
- één zingevend doel
- doelgerichtheid van de intrige – logisch verband en noodzakelijke samenhang

2) eenheid van tijd: niet langer dan de omloop van de zon? = verschillende meningen
- Horatius:12uur
- Vossius: 3 dagen

3) eenheid van plaats
- Castelvetro: eenheid van plaats, alles op één plaats afspelen, geen decor wisselen–> belangrijk voor de waarschijnlijkheid
- Heinsius: vindt dit niet nodig
- Hooft: verschillende dagen, verschillende plaatsen

9
Q

Om het publiek zo goed mogelijk te alten inleven, is waarschijnlijkheid nodig. Hoe kan je deze in de tragedie bereiken?

A

1) volledigheid: geen open einde, logische opvolging van de handelingen in de intrige, elke schakel in de keten moet noodzakelijk en onmisbaar zijn
2) episoden zij misbaar
3) onderwerp moet een waargebeurd verhaal zijn, MAAR kan ook niet waargebeurd zijn, dan is de waarschijnlijkheid wel heel belangrijk
je kan inspiratie halen uit:
- mythologische verhalen
- geschiedenis
- bijbel–> geen regietekst! moet nog worden aangepast

10
Q

Hoe beschrijven de klassieke theoretici de personages in het toneel?

A
  • handelingen in verlengde van karakter
  • decorum
  • eenheid van toon (ernstig)
  • hoofdpersonages beïnvloeden de gebeurtenissen = PRINCIPES, REGES - niet extreem slecht of extreem goed
  • nevenfiguren: info over buiten het drama liggende gebeurtenissen
  • Horatius: maximus 3 sprekende personages op het toneel
11
Q

Welke soorten intriges zijn er?

A

noodzaak= tragische lotsverandering
A) eenvoudige intrige zonder ommekeer en herkenbaarheid
B) samengestelde intrige met peripetie en agnito
–> beste: hamartia: een onopzettelijke daad die een fout blijkt te zijn, die uit onwetendheid gebeurt

12
Q

Hoe moet een tragedie aflopen?

A

= Exodus Indelix

  • uitz. Hugo de Groot: Sophompaneas
  • Deus ex machina Horatius
13
Q

Welke soort verhalen zijn er in een tragedie?

A

Een verhaal dient om situaties op te vangen waarin dialoog en handeling verstek laten gaan. Bij de Grieken zijn er verschillende langere toespraken.

  • bodeverhaal
  • toespraak
  • teichoskopie
14
Q

Wat zijn de belangrijkste Senecaanse elementen + leg uit

A

A) Sententia = een wijsheid aan het publiek via zinsspreuken die het publiek herkent. (stichomythie)
B) spektakel= geestverschijningen, tovenarij, gruwelscènes, …`
C) de voedster als vertrouwelinge van het hoofdfiguur en om onnatuurlijke dialogen te vermijden.