21 Flashcards Preview

Duits > 21 > Flashcards

Flashcards in 21 Deck (49):
1

der Profit

winst, voordeel

2

rutschen

schuiven, glijden, uitglijden, opschuiven

3

das Essen rutscht schlecht

het eten wil niet zakken

4

der Rülpser

boer

5

weswegen

waarom, om welke reden

6

eingestehen, beichten

opbiechten

7

der Beutel

buidel, portemonnee zak

8

rechnerisch

door berekening verkregen

9

abpacken

verpakken

10

das Schließfach

postbus, kluis

11

Rücksicht nehmen auf

rekening houden met

12

Nichtsahnend

nietsvermoedend

13

das macht mir keine Freude

ik heb er geen plezier in

14

vergebens

tevergeefs

15

der Hebel

hefboom, hendel

16

ahnen

vermoeden

17

vergeuden

verkwisten

18

klarkommen

overweg kunnen, snappen

19

die Seifenblase

zeepbel

20

der Streifenwagen

patrioullewagen

21

schiefgehen

mislopen, verkeerd lopen

22

die Tarnung

camouflage, vermomming

23

verrecken

creperen

24

schließlich

eindelijk, ten slotte

25

währen

(voort)duren, aanhouden

26

wahren

behartigen jemands Interessen wahren iemands belangen behartigen
(een geheim, stilte) bewaren, in acht nemen
(zijn rechten) verdedigen, handhaven

27

der Riecher

neus

28

sich täuschen

zich vergissen

29

täuschen

ruilen, bedriegen, misleiden

30

gut bei etwas abschneiden

het er goed afbrengen

31

abschneiden

(af)knippen snijden
(de mogelijkheid) ontnemen, beroven van
(een gesprek) afbreken, een einde maken aan: jmdm. das Wort abschneiden iem. in de rede vallen

32

die Lage

ligging, positie:
houding, stand:
toestand, situatie; nach Lage der Dinge de omstandigheden in aanmerking genomen; in der Lage sein, etwas zu tun in staat zijn iets te doen
laag
(militair) salvo
rondje (bier)

33

das liegt bei ihm

dat ligt aan hem

34

wie die Dingen liegen

zoals de zaken staan

35

as Zimmer liegt nach dem Garten

de kamer ziet op de tuin uit;

36

zur Straße liegen

aan de straatkant liggen

37

der Aufsatz

opstel

38

versagen

falen, tekortschieten, mislukken: der Motor versagt de motor begeeft het
weigeren
niet toestaan

39

sich versagen

zich ontzeggen

40

das Tal

dal

41

deuten

wijzen, duiden: auf jmdn., etsas deuten naar iem., iets wijzen
verklaren, uitleggen, interpreteren

42

die Ansicht

mening, aanzicht

43

empor

omhoog

44

empören

woedend, kwaad maken

45

sich empören

in opstand komen
verontwaardigd worden

46

hinterher

achteraf, later, naderhand
achterna, erachteraan

47

sich verhauen

zich vergissen

48

verhauen

afranselen
(geld) erdoor jagen
verknoeien

49

der, das Verhau

versperring