31 Flashcards Preview

Duits > 31 > Flashcards

Flashcards in 31 Deck (41):
1

triefen

druipen

2

der Kranich

kraanvogel

3

der Storch

ooievaar

4

der Schlappen

pantoffel

5

überlegen bijv nw

superieur, beter
jmdm. überlegen sein iem. overtreffen, de baas zijn2uit de hoogte

6

die Begabung

begaafdheid, talent

7

der Wagehals

waaghals

8

der Länge (v) nach falten

in de lengte vouwen

9

das Erzeugnis

voortbrengsel, product

10

verkehren

verkeren, omgaan
(m.b.t. bus, trein) rijden
veranderen, verdraaien: Worte verkehren woorden verdraaien

11

sich verkehren

veranderen, omslaan

12

der Straßenstrich

straatprostitutie
tippelzone

13

hauchen

ademen
fluisteren

14

der Hauch

adem, ademhaling, ademtocht
tochtje, zuchtje
geur
waas
(figuurlijk) spoor, zweem

15

hinrichten

terechtstellen

16

der Schlitz

spleet, split, sleuf
gulp

17

vergesslich

vergeetachtig

18

der Schmuggel

smokkel

19

die Achseln zucken

de schouders ophalen

20

jmdn. über die Achsel ansehen

neerkijken op iem.

21

der Widder

ram

22

das Vieh

vee
dier, beest
schoft, ploert

23

empfinden

(ge)voelen
ervaren
opvatten

24

der Absatz

hak (van een schoen)
overloop (van een trap)
alinea
onderbreking (in rede)
(handel) afzet

25

wandern

wandelen, dwalen

26

geschmeidig

buigzaam, lenig, soepel
(figuurlijk) behendig, soepel, diplomatiek

27

jmdn. nicht riechen können

iem. niet kunnen uitstaan

28

wortwörtlich

woordelijk, letterlijk

29

blinzeln

(met de ogen) knipperen
knipogen

30

mangels

bij gebrek aan

31

der Augapfel

oogbal
oogappel

32

wegen Mangels an Beweisen

bij gebrek aan bewijs

33

der Tintenfisch

inktvis

34

der Saugnapf

zuignap

35

schwinden

slinken, verminderen, afnemen, krimpen
verdwijnen

36

erpressen

afpersen
jmd erpressen, iem chanteren

37

die Büchse

(conserven)blik
bus, potje, doosje

38

Strickleiter

touwladder

39

stricken

breien

40

der Strick

(stuk) touw, koord, snoer
strik, strop (ook figuurlijk)

41

der Hosenbund

riem