28 Flashcards Preview

Duits > 28 > Flashcards

Flashcards in 28 Deck (53):
1

der Samen

zaad

2

der Samt

fluweel

3

haufenweise

talrijk, bij hopen

4

verheißen

toezeggen, (vast) beloven

5

kuendigen

opzeggen

6

beirren

van de wijs brengen, in de war brengen

7

seitens

vd kant v, door

8

hemmen

remmen
tegenhouden, belemmeren

9

der Gehalt

gehalte

10

das Gehalt

salaris

11

der Verdienst

verdienste (loon, winst)

12

das Verdienst

verdienste

13

spitzen

gluren, kijken
slijpen, spitsen

14

zusichern

verzekeren, vast beloven

15

fackeln

aarzelen, treuzelen

16

in jmdn. dringen

er bij iem. op aandringen

17

entgegenschlagen

plotseling, heftig tegemoetkomen

18

der Schwaden

damp, rook, walm

19

daraus schließe ich

daaruit maak ik op, concludeer ik

20

sich schließen an

volgen op, aansluiten bij

21

hadern

twisten, ruzie maken
onvrede hebben, in opstand komen -

22

der Ehrgeiz

eerzucht, ambitie

23

der Nachwuchs

(informeel) kinderen
opgroeiende generatie, komende generatie
jong personeel, jonge vakmensen: akademischer Nachwuchs jonge academici

24

häufig

vaak
talrijk

25

wundersam

wonderlijk, mysterieus

26

der Umstand

omstandigheid: nähere Umstände nadere bijzonderheden; unter keinen Umständen in geen geval; unter Umständen eventueel, misschien
toestand: Umstände machen drukte maken
omstandigheid, gesteldheid: sie ist in anderen (of: in gesegneten) Umständen ze is in verwachting

27

segnen

zegenen

28

die Erkenntnis

inzicht, besef
kennis

29

erstbeste

eerste de beste

30

unterdessen, unterdes

intussen, ondertussen

31

das Lager

kampement, kamp, legerplaats
leger(stede), rustplaats, bed
opslagruimte, magazijn, pakhuis: am (of: auf) Lager in voorraad
voorraad
strafkamp, concentratiekamp

32

ins Lager fahren

op kamp gaan

33

aufkrempeln

opstropen

34

der Ärmel

mouw

35

vorantreiben

bespoedigen

36

vorauseilen

haastig vooruitlopen

37

derartig

zulk, dergelijk, zodanig

38

auftreiben

opjagen
doen (op)rijzen, doen (op)zwellen
opzoeken, opscharrelen

39

berücksichtigen

rekening houdenmet, in aanmerking nemen

40

angehören

toebehoren, behoren bij tot aan

41

kauern

hurken

42

buhlen

liefkozen, vrijen: um die Gunst der Menge buhlen naar de gunst van de massa dingen

43

der Lappen

ap, doek2vod, lor3kwab (van long)4bankbiljet¶jmdm. durch die Lappen gehen iem. ontsnappen

44

schwärmen

zwermen, uitzwermen
dwepen: schwärmen für dwepen met

45

der Schwarm

zwerm, vlucht
school (vissen)
vlam, idool
hartenwens

46

die Zange

tang

47

scrupule

Skrupel m, Bedenken o

48

der Lachs

zalm

49

das Mark

merg

50

der Schinken

ham
(informeel) bil
dik boek; groot (en lelijk) schilderij

51

das Gerücht kursiert

het gerucht doet de ronde

52

kursieren

in omloop zijn, circuleren

53

sich räuspern

zijn keel schrapen