8 Apr vocab Flashcards
(82 cards)
1
Q
achterna
A
after (you)
2
Q
achteruit
A
backwards
3
Q
after (you)
A
achterna
4
Q
again (or weather)
A
weer
5
Q
baard(en)
A
beard
6
Q
back together
A
elkaar
7
Q
backwards
A
achteruit
8
Q
bald
A
kaal
9
Q
barst(en)
A
crack
10
Q
beard
A
baard(en)
11
Q
bedoel/bedoelt/bedoelen
A
what do you mean? (general when not clear)
12
Q
beteken/betekent/betekenen
A
meaning or value of a word
13
Q
blijf/blijft/blijven
A
remain (use with zijn for infinitief)
14
Q
borst
A
chest/breast
15
Q
chest/breast
A
borst
16
Q
crack
A
barst(en)
17
Q
de kant
A
the side
18
Q
elkaar
A
back together
19
Q
ever
A
ooit
20
Q
feeling
A
voel/voelt/voelen
21
Q
for sure
A
zeker
22
Q
forget
A
vergeet/vergeten
23
Q
forward
A
vooruit
24
Q
het refrein
A
musical refrain
25
hetzelfde/dezelfde
same
26
hoe het gaat
how it goes
27
how it goes
hoe het gaat
28
I like quiet
ik hou van stilte
29
I like to sleep early
Ik slaat graag vroeg
30
iets
something
31
ik hou van stilte
I like quiet
32
Ik slaat graag vroeg
I like to sleep early
33
Infinitief: ben/bent/zijn
Infinitief: Use for movement or change
34
Infinitief: heb/heeft/hebben
Infinitief: Use except for movement/change
35
Infinitief: Use except for movement/change
Infinitief: heb/heeft/hebben
36
Infinitief: Use for movement or change
Infinitief: ben/bent/zijn
37
je eigen weg
your own way
38
kaal
bald
39
kijk/kijkt/kijken
to watch or look
40
knap
smart or handsome
41
left
links
42
links
left
43
maal/maalt/malen
shred/mill/grind
44
meaning or value of a word
beteken/betekent/betekenen
45
meen/meent/menen
whether or not you are serious (did you mean that?)
46
musical refrain
het refrein
47
never
nooit
48
nooit
never
49
onthoudt/onthoudten
remember
50
ooit
ever
51
pak
suit or package
52
rechts
right
53
remain (use with zijn for infinitief)
blijf/blijft/blijven
54
remember
onthoudt/onthoudten
55
right
rechts
56
same
hetzelfde/dezelfde
57
shred/mill/grind
maal/maalt/malen
58
smart or handsome
knap
59
something
iets
60
stories
verhaal
61
suit or package
pak
62
talk it over
uitgepraat
63
the side
de kant
64
to know
weet
65
to watch or look
kijk/kijkt/kijken
66
uitgepraat
talk it over
67
vergeet/vergeten
forget
68
verhaal
stories
69
voel/voelt/voelen
feeling
70
vooruit
forward
71
wacht/wachten
wait
72
wait
wacht/wachten
73
wat ik je zeg
what I said to you
74
we zien wel
we'll see
75
weer
again (or weather)
76
weet
to know
77
we'll see
we zien wel
78
what do you mean? (general when not clear)
bedoel/bedoelt/bedoelen
79
what I said to you
wat ik je zeg
80
whether or not you are serious (did you mean that?)
meen/meent/menen
81
your own way
je eigen weg
82
zeker
for sure