Bolivia Flashcards Preview

De Viaje > Bolivia > Flashcards

Flashcards in Bolivia Deck (123):
0

Zinken

Hundirse

1

In verval

En estado decadente

2

Uitvinding

Invención, invento

3

Gips

El yeso

4

Wrak

Barco naufragado

5

Uitstel

posposición, postergación

6

Trappen

Pisar

7

Onderdompelen

Sumergir

8

Kopje onder gaan, duiken, (zich verdiepen in)

Sumergirse (en)

9

Rots

Roca

10

Voorraad, reserveonderdeel

Repuesto

11

Uitdelen / bezorgen

Repartir

12

(Vuilnis) ophalen / (hout) verzamelen

Recoger (basura) / (leña)

13

Verwerken / berechten

Procesar

14

Overlast (bezorgen)

(Causar) molestia(s)

15

Moeras

Pantano

16

Loket

Ventanilla

17

Zich in nesten (lastig parket / gedoe) werken

Meterse en un lío

18

Vereffenen / kwijten, tekenen voor ontvangst

Finiquitar

19

Bevalling

Parto

20

Kampvuur

Fogata

21

Uitglijden

Resbalarse, deslizarse

22

Verruilen (voor), verwisselen (voor)

Trocar (por)

23

Ondeugend, listig, wellustig

Travieso

24

Zuigfles

Pacha, biberón

25

Nest

Nido

26

Haai

Un tiburón

27

Geil (maken, opgeilen)

(Poner) cachondo

28

Varken, viezerik

Chancho

29

Jochie, kid

Chamaco

30

Meeslepen, in de ban krijgen / Gevangennemen

Cautivar

31

Steakhouse

Churrasquería

32

Zich klaarmaken

Alistarse

33

Brandend / vurig, heftig

Ardiente

34

Uit de knoop raken, ontwarren

Desenredar

35

Bespoedigen

Acelerar, adelantar

36

Maatregelen nemen / gepaste maatregel

Tomar/adaptar medidas / medidas oportunas

37

Omen, voorteken

Augurio

38

Toelaten, verdragen / dulden, kunnen hebben

Consentir

39

(Af)betalen / geld uitgeven

Desembolsar

40

Uitpakken

Desembalar, desenvolver

41

Genieten van

Gozar(la)

42

Oplossen, uit de weg ruimen / (een knoop doorhakken)

Zanjar (la cuestión)

43

Verward

Confundido

44

Verwarrend

Confuso

45

Verstoppen / tegenhouden / blijven steken

Atorar

46

Slagboom

Barrera

47

Getikt, geschift, knettergek

Chiflado

48

Vinden

Hallar

49

Zich bevinden / zich thuisvoelen

Hallarse

50

Bruisend / onstuimig

Efervescente

51

Knap

Guapo, bella, hermosa, apuesto

52

Kom

Un bol

53

Te goeder trouw / te kwader trouw

De buena fe / de mala fe

54

Verraden

Traicionar

55

Trouw (blijven aan iemand)

(Seguir) fiel (a una persona)

56

Leugentje om bestwil

Mentira piadosa

57

(Tuin/water)slang

Manguera (de agua)

58

Wilg

Salguera

59

Behalve

Salvo que, excepto que, menos

60

(In) veilig(heid)

(A) salvo

61

Naar, onaangenaam / ondankbaar / 'niets van zich laten weten'

Ingrato

62

Lastig (met eten) / aanstellerig / preuts

Melindroso (para comer)

63

Neuken

Meterla

64

Ruw, grof, ruig

Tosco

65

Bemoeien met (ik zal me er eens mee moeien)

Meterse en (ese asunto)

66

Ik ga 't niet verklappen

No voy a ir con el chisme

67

In het midden

En el medio de

68

In het midden laten

No pronunciarse acerca de

69

In het midden van de nacht

En el medio de noche

70

Tandenstoker

Un mondadientes

71

Onuitstaanbaar

Odioso

72

Overwinnen (letterlijk / figuurlijk)

Vencer / salvar, superar

73

Werken als 'n paard

Trabajar como un burro

74

Verwend

Consentido, mimado

75

Iem. die wil afrippen

Pendejo

76

Bedrieger

Estafador

77

Prikken / lek worden / treiteren / als dj draaien / met de muis klikken

Pinchar

78

Panne (hebben)

(Tener una) avería

79

Plas

Charco

80

Prediker

Predicador

81

Vlaag

Una racha

82

Romantische bevlieging

Capricho amoroso, racha romántica

83

Gelegen zijn te / zich vestigen

Radicar (en) / radicarse

84

Zich overgeven, onderwerpen / opleveren

Rendir(se)

85

Glad

Resbaladizo, resbaloso, deslizante

86

Zich op glad ijs begeven

Meterse en terreno resbaladizo

87

Afkoop / afkoopsom / verlossing, redding

El rescate

88

Achteruit gaan / terugdeinzen

Retroceder

89

Gevaarlijk spel spelen

Jugar un juego arriesgado

90

Vuil spel

Juego sucio

91

Er staat veel op het spel

Hay mucho en juego

92

Spelbreker

Aguafiestas

93

Suggeren

Sugerir

94

Tekenfilm

Dibujos animados

95

Toegang hebben/geven tot

Tener/dar acceso a

96

Hoorn, slurf, trompet

Trompa

97

Uitpakken (3)

Desembalar, desempaquetar, desenvolver.

98

Uitglijden

Resbalar

99

Toebrengen, aandoen / een straf opleggen

Infligir (un castigo)

100

Overeind blijven

Mantenerse firme, tenerse en pie

101

Zijn voordeel halen uit

Sacar ventaja de

102

Boliviaans meisje

Chola, cholita

103

Vastbinden, verbinden / versieren / te pakken krijgen

Ligar

104

Band, binding, verbinding

Ligazón

105

Uitstellen

Aplazar, posponer, postergar

106

Rommel / vals, illegaal / sluw

Trucho, basura

107

Vervroegen

Adelantar, anticipar

108

Kwaadaardig / heftig

Virulento

109

Overlopen, over z'n oevers gaan

Rebalsar, rebosar, desbordarse

110

(Uit)lekken, druipen / afgieten

Escurrir

111

Ontglippen / uitglijden / uitlekken

Escurrirse

112

Vlecht / vlechten

Trenza / trenzar

113

Afstand doen van, afzien van, laten schieten

Desistir (de) (~ to desist)

114

Koesteren / oppotten, verzamelen / eigenschappen bezitten

Atesorar

115

Benoemen

Nombrar

116

Armband

Pulsera

117

Landing

Aterrizaje

118

Een zwijgzame gast

Un convidado de piedra

119

Dat werd tijd!

Ya era hora!

120

Sorry dat ik laat ben

Siento llegar tarde

121

Huwen

Desposarse

122

Eed (afleggen)

(Prestar) juramento