Eindtoets deel 2 Flashcards Preview

Overeenkomstenrecht > Eindtoets deel 2 > Flashcards

Flashcards in Eindtoets deel 2 Deck (30):
1

1. Kan Brinkhorst op 1 juni betaling van de € 3000 aan Aartsen opschorten?

Of Brinkhorst zijn verplichting uit de koopovereenkomst met Aartsen kan opschorten, moet worden vastgesteld aan de hand van de artikelen 6:52 e.v. jo 6:262 e.v. BW. Vereist is dat er voldoende samenhang – connexiteit – bestaat tussen de opeisbare vordering van Aartsen en de verbintenis waarvan Brinkhorst de nakoming wil opschorten. Een zodanige samenhang kan onder meer worden aangenomen ingeval de verbintenissen over en weer voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding (art. 6:52, tweede lid, BW). De koopovereenkomst tussen Brinkhorst en Aartsen is een wederkerige overeenkomst. Daarbij staan de verplichtingen tot het geven van de zaak en betalen van de prijs tegenover elkaar (art. 6:262, eerste lid, BW). Er is in casu dus voldoende samenhang tussen de opeisbare vordering wat betreft de gedeeltelijke vooruitbetaling en de verbintenis tot levering van de tien kalveren door Aartsen. Voor opschorting is tevens vereist dat Brinkhorst een opeisbare vordering heeft op Aartsen. Hiervan is echter nog geen sprake, aangezien de levering van de runderen door Aartsen op 1 oktober dient te geschieden. Artikel 6:263 BW biedt een crediteur echter een opschortingsbevoegheid, ook al heeft hij geen opeisbare vordering jegens zijn debiteur, mits hij als eerste moet presteren en te vrezen valt dat de debiteur de daartegenoverstaande verplichting niet zal nakomen. Dit is in casu het geval. Conclusie: Brinkhorst kan zijn verplichting tot betaling van de € 3000 ex artikel 6:263 BW opschorten. NB: door de specifieke regeling van artikel 6:263 BW is een omweg door middel van een beroep op artikel 6:80, eerste lid, sub c, BW overbodig. Op grond van artikel 6:54, sub b, BW komt aan Brinkhorst geen opschortingsbevoegheid toe, indien de nakoming van de verbintenis van Aartsen blijvend onmogelijk is. In casu is echter sprake van een tijdelijke onmogelijkheid. Bovendien stelt artikel 6:264 BW dat artikel 6:54, onder b, BW in het kader van wederkerige overeenkomsten geen beletsel is voor uitoefening van de opschortingsbevoegheid.

2

2. Aartsen deelt Brinkhorst op 1 juli mee, dat hij op 1 oktober waarschijnlijk niet kan nakomen. Brinkhorst overweegt wat na deze mededeling zijn juridische positie is geworden. Vaststaat dat Brinkhorst schade zal lijden, in het geval dat Aartsen niet presteert. Kan Brinkhorst op 1 juli met succes nakoming en/of schadevergoeding van Aartsen vorderen? Geef in uw antwoord tevens aan of hiervoor een ingebrekestelling dient te worden uitgebracht.

Is een tijd voor nakoming bepaald, dan wordt vermoed dat dit slechts belet dat eerdere nakoming wordt gevorderd, aldus artikel 6:39, eerste lid, BW. In casu is er geen reden om aan te nemen dat de tijdsbepaling niet in het belang van Brinkhorst in de overeenkomst is opgenomen. Brinkhorst kan dus pas vanaf 1 oktober nakoming vorderen. Tot de gevolgen van artikel 6:80, eerste lid, BW behoort dus niet het recht om voortijdig nakoming te vorderen. NB: vanaf 1 oktober kan Brinkhorst waarschijnlijk ook geen nakoming vorderen, omdat nakoming op dat moment op feitelijke gronden uitgesloten is (art. 3:303 BW). Dit zou echter anders zijn, indien het invoerverbod voor die tijd wordt opgeheven. Nakoming is immers nog mogelijk, het gaat in casu immers om soortzaken en niet om specieszaken. Iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis verplicht de schuldenaar de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden (art. 6:74 BW). Op grond van artikel 6:80. eerste lid, sub b, BW treden de gevolgen van niet-nakoming reeds in voordat de vordering opeisbaar is, indien de schuldenaar uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de tekortkoming zal tekortschieten. In casu kan Brinkhorst in beginsel dus vanaf 1 juli (vervangende) schadevergoeding vorderen. Bij overmacht (niet-toerekenbare tekortkoming) is er in beginsel geen plaats voor schadevergoeding (art. 6:74 jo 75). In casu kan Aartsen zich op overmacht (overheidsmaatregel) beroepen. Artikel 6:78 BW bepaalt echter dat wanneer de schuldenaar een voordeel geniet dat hij bij behoorlijke nakoming niet zou hebben gehad, de schuldeiser recht heeft op vergoeding van zijn schade tot ten hoogste het bedrag van dit voordeel. De regels met betrekking tot ongerechtvaardigde verrijking zijn van toepassing. Dat betekent dat er sprake moet zijn van een verarming van de schuldeiser, een verrijking van de schuldenaar en dat vergoeding slechts plaatsvindt voor zover dit redelijk is (zie art. 6:212 BW). In dit geval bestaat het voordeel van Aartsen uit de vergoeding door het ministerie (zijn schade is immers geheel door verzekering gedekt) en eventueel uit de uitgespaarde kosten van bijvoorbeeld voer en huisvesting en vervoerskosten; dit voordeel zou Aartsen immers niet hebben gehad, indien hij ́normaal ́ was nagekomen. In de casus is gegeven dat Brinkhorst schade heeft geleden. Conclusie: Brinkhorst kan vergoeding van deze schade vorderen, doch slechts tot ten hoogste het bedrag van het door Aartsen genoten voordeel.

3

3. Gesteld dat Brinkhorst de € 3000 op 1 juni wel heeft overgemaakt maar dat Brinkhorst na de mededeling van Aartsen besluit dat hij van de overeenkomst af wil en zijn reeds betaalde € 3000 zo spoedig mogelijk terug wil. Vervalt door de mededeling van Aartsen op 1 juli automatisch de verplichting van Brinkhorst tot betaling van de geldsom? Zo ja, op welke grondslag? Zo nee, hoe en wanneer kan Brinkhorst de overeenkomst dan zo spoedig mogelijk met succes beeïndigen en zijn geld terugkrijgen?

Gesteld dat naar aanleiding van het besluit van het Ministerie van Landbouw partijen opnieuw met elkaar in onderhandeling treden en overeenkomen dat Aartsen in plaats van de Limousins op 1 oktober, 10 uit Ierland te importeren Galloway-runderen (soortzaken) zal leveren. Op 1 oktober (fatale termijn) is Aartsen echter nog niet in staat de runderen aan Brinkhorst te leveren. Brinkhorst heeft daarom op 2 oktober met veehandelaar Cornelissen afgesproken dat tien Galloway-runderen door Cornelissen op 1 november zullen worden geleverd. Brinkhorst weigert dan ook op 15 oktober de runderen van Aartsen in ontvangst te nemen, hoewel Aartsen betaling van de kosten en schadevergoeding voor de te late levering heeft aangeboden. Aartsen brengt de runderen weer in zijn eigen stallen onder. In de nacht van 15 op 16 oktober ontstaat er als gevolg van kortsluiting een grote brand bij Aartsen, waarbij alle runderen om het leven komen. Brinkhorst stelt dat deze brand voor risico van Aartsen (als in verzuim zijnde schuldenaar) komt en dat de brand sowieso irrelevant is, aangezien het in casu om de aflevering van soortzaken gaat, die immers naar hun aard nooit tenietgaan.

Nee, door deze mededeling vervalt de betalingsverplichting niet automatisch. Weliswaar zijn alle in Nederland aanwezige Limousins geslacht en is er een invoerverbod van onbepaalde tijd afgekondigd, waardoor nakoming tijdelijk onmogelijk is geworden, maar dit heeft echter niet tot gevolg dat de verplichting van de wederpartij automatisch vervalt. Daartoe zal de overeenkomst moeten worden ontbonden (arrest Droog-Bekaert). Volgens artikel 6:265, eerste lid, BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Op grond van artikel 6:265, tweede lid, BW ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas, wanneer de schuldenaar in verzuim is, tenzij nakoming blijvend of tijdelijk onmogelijk is (i.c. het geval). Het maakt dus voor ontbinding niet uit of de tekortkoming wel of niet toerekenbaar is. In casu rechtvaardigt de tekortkoming de ontbinding van de overeenkomst. Op grond van artikel 6:80, eerste lid, sub b, BW treden de gevolgen van niet-nakoming reeds in voordat de vordering opeisbaar is, indien de schuldenaar uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de tekortkoming zal tekortschieten. Dat is in casu het geval. Brinkhorst kan dus vanaf 1 juli ontbinden. Op grond van artikel 6:271 BW worden partijen door een ontbinding bevrijd van de daardoor getroffen verbintenissen. Voor zover deze reeds zijn nagekomen, blijft de rechtsgrond voor deze nakoming in stand, maar ontstaat voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties. Aartsen zal op grond van deze ongedaanmakingsverbintenis de aanbetaling van € 3000 aan Brinkhorst moeten terugbetalen.

4

4. Moet Aartsen of Brinkhorst de schade als gevolg van het verlies van de tien Galloway- runderen dragen? Verwerk in uw antwoord een reactie op de stellingen van Brinkhorst.

Iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis verplicht de schuldenaar de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend (art. 6:74, eerste lid, BW). Artikel 6:74, tweede lid, BW bepaalt voorts dat bepalingen omtrent het verzuim van toepassing zijn, indien nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is. In casu is nakoming nog mogelijk. Op 1 oktober is er dus op grond van artikel 6:74 BW sprake van een tekortkoming in de nakoming van de verbintenis van Aartsen tot het leveren van de kalveren welke tekortkoming aan Aartsen toerekenbaar is (uit de casus blijkt immers niet van een overmachtsgrond). In casu is gegeven dat sprake is van een fatale termijn, zodat op grond van artikel 6:83, sub a, BW het verzuim van Aartsen op 1 oktober zonder ingebrekestelling intreedt. Vanaf dat moment is Aartsen op grond van artikel 6:85 BW tot vergoeding van de schade wegens vertraging in de nakoming verplicht. Uit de casus blijkt niet dat Brinkhorst de overeenkomst heeft ontbonden dan wel omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding; dat wil zeggen dat Brinkhorst aan zijn eigen prestatie tot het in ontvangst nemen van de runderen en het betalen van de koopprijs gebonden blijft. Aartsen is dus in staat op 15 oktober zijn verzuim te zuiveren. Brinkhorst kan weliswaar op grond van artikel 6:86 BW een na het intreden van het verzuim aangeboden nakoming weigeren, zolang niet tevens betaling wordt aangeboden van de inmiddels tevens verschuldigd geworden schadevergoeding en de kosten, maar in casu heeft Aartsen dit aangeboden en komt dit artikel als weigeringsgrond voor Brinkhorst niet meer in aanmerking. Op grond van artikel 6:58 BW komt de schuldeiser in verzuim, wanneer nakoming van de verbintenis verhinderd wordt doordat hij de daartoe noodzakelijke medewerking niet verleent. In casu komt Brinkhorst door de kalveren van Aartsen niet in ontvangst te nemen in schuldeisersverzuim. Wanneer bij een verbintenis tot aflevering van soortzaken (zoals i.c. het geval) de schuldenaar bepaalde, aan de verbintenis beantwoordende zaken voor de aflevering heeft aangewezen en de schuldeiser daarvan heeft verwittigd, dan is hij in geval van verzuim van de schuldeiser nog slechts tot aflevering van deze zaken verplicht (art. 6:65 BW). In casu zijn als gevolg van het schuldeisersverzuim de kalveren dus van soortzaken tot specieszaken ́gepromoveerd ́. Komt tijdens het verzuim van de schuldeiser een omstandigheid op, die behoorlijke nakoming geheel of gedeeltelijk onmogelijk maakt, dan wordt dit niet aan de schuldenaar toegerekend, tenzij deze door zijn schuld of die van een ondergeschikte is tekortgeschoten in de zorg die in de gegeven omstandigheden van hem mocht worden gevergd (art. 6:64 BW). Of de schuldenaar is tekortgeschoten in zijn zorgplicht, zal door de schuldeiser bewezen moeten worden. In casu is sprake van brand door kortsluiting en zal Brinkhorst moeten bewijzen dat Aartsen niet aan zijn zorgverplichting heeft voldaan. Kan Brinkhorst dat niet dan blijft hij als schuldeiser in verzuim tot nakoming van zijn verbintenis tot betaling van de koopprijs gehouden. Brinkhorst kan immers op grond van artikel 6:266 BW niet ontbinden. Conclusie: de stellingen van Brinkhorst zijn onjuist. Of Brinkhorst de koopprijs van de kalveren dient te betalen en uiteindelijk de schade als gevolg van het door brand tenietgaan van de kalveren in zijn vermogen moet dragen is afhankelijk van de vraag of Brinkhorst kan bewijzen dat Aartsen in zijn zorgplicht is tekortgeschoten. Is Brinkhorst daartoe in staat, dan blijft Aartsen bevoegd tot het afleveren van kalveren die aan de overeenkomst beantwoorden (art. 6:65, laatste zin, BW).

5

1. Kan Bernard met succes zijn schade op Rent a student verhalen? Geef in uw antwoord tevens aan of Bernard Rent a student eerst in gebreke moet stellen. Verwerk in uw antwoord relevante jurisprudentie.

Iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis verplicht de schuldenaar de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend (art. 6:74, eerste lid, BW). Om een verbintenis tot schadevergoeding te doen ontstaan dient, tenzij nakoming reeds blijvend onmogelijk is, de schuldenaar eerst in verzuim te worden gebracht door middel van het uitbrengen van een ingebrekestelling. In casu is echter onmiskenbaar sprake van een tekortkoming in de nakoming, waardoor nakoming blijvend onmogelijk is geworden. Een ingebrekestelling hoeft dus niet te worden uitgebracht.
Kan deze tekortkoming aan Rent a student worden toegerekend? Een tekortkoming kan de schuldenaar niet worden toegerekend, indien zij niet is te wijten aan zijn schuld, noch krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt (art. 6:75 BW). In casu is geen sprake van schuld aan de zijde van Rent a student omdat het afbreken van de hefvork niet kon worden voorzien en het afbreken ook geen gevolg was van gebrek aan zorg bij de aanschaf, het onderhoud of de controle van het werktuig. Wordt bij de uitvoering van een verbintenis gebruik gemaakt van een zaak die daartoe ongeschikt is, dan wordt de tekortkoming die daardoor ontstaat de schuldenaar toegerekend, tenzij dit, gelet op de inhoud en strekking van de rechtshandeling waaruit de verbintenis voortspruit, de in het verkeer geldende opvattingen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk zou zijn (art. 6:77 BW). Van ongeschiktheid is sprake wanneer de zaak niet voldoet aan de eisen die men daaraan met het oog op het gebruik bij de uitvoering van deze verbintenis kan stellen. In casu voldoet de zaak (hefvork) niet aan de eisen die men daaraan mag stellen. Aansprakelijkheid op grond van artikel 6:77 BW lijdt echter uitzondering indien toerekening gelet op de inhoud en strekking van de rechtshandeling waaruit de verbintenis voortspruit, de in het verkeer geldende opvattingen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk zou zijn. Hierbij moet met name in overweging worden genomen de hoogte van de tegenprestatie, de vraag wie van beide partijen verzekerd is en de mate van deskundigheid van de schuldenaar, zo volgt uit het arrest Vliegtuigvleugel (tekstboek 2, nr. 176).
In casu lijkt het redelijk om de schade voor rekening van Rent a student te laten komen. Niet alleen ligt het meer voor de hand dat Rent a student zich als dienstverlener tegen een dergelijke schade verzekert, het is in dit geval ook niet onredelijk om het verhuisbedrijf het risico van de schade te laten dragen gezien de hoogte van de contraprestatie (€ 600) in verhouding tot de omvang van de schade.

6

2. Rent a student brengt de heftruck ter reparatie naar A. A spreekt met Rent a student af dat de heftruck over twee weken tegen contante betaling kan worden opgehaald. De rekening bedraagt € 953,50. Bij het afhalen heeft Rent a student echter geen geld of andere betalingsmiddelen bij zich. A weigert de heftruck af te geven. De volgende dag hoort A dat Rent a student die dag failliet is verklaard. De curator laat er geen gras overgroeien en komt de heftruck (waarde € 3000) de volgende dag bij A ophalen.
Kan A weigeren om de heftruck aan de curator af te geven?

A heeft in dit geval een opschortingsrecht (art. 6:52 BW jo art. 6:262 BW), meer specifiek een retentierecht omdat de verplichting van de schuldenaar strekt tot afgifte van een zaak (art. 3:290 BW). Een retentierecht bestaat alleen in de bij de wet aangegeven gevallen, dat wil zeggen wanneer een bijzondere wetsbepaling dit recht toekent of als is voldaan aan de vereisten van artikel 6:52 BW en het gaat om een verbintenis tot afgifte van een zaak. Getoetst moet worden of A een opeisbare vordering op zijn schuldeiser heeft, die niet wordt nagekomen en of tussen vordering en verbintenis voldoende samenhang bestaat om de opschorting te rechtvaardigen (art. 6:52 BW).
In casu is de vordering opeisbaar omdat contante betaling is overeengekomen. De vordering wordt niet betaald en dus niet nagekomen. De samenhang bestaat (onder andere) indien de verbintenissen over en weer uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeien. Hieronder vallen de tegenover elkaar staande verbintenissen uit een wederkerige overeenkomst (art. 6:52, tweede lid jo 6:262 BW). Nu in casu aan alle vereisten is voldaan, kan A op grond van zijn retentierecht totdat de rekening wordt voldaan, weigeren de heftruck aan de curator af te geven. Het retentierecht kan immers op grond van artikel 3:291 jo 6:53 BW ook jegens derden (waaronder de faillissementscurator) worden ingeroepen. Artikel 60, eerste lid, Fw bepaalt dan ook dat de schuldeiser die een retentierecht heeft op een aan de schuldenaar toebehorende zaak, dit recht niet door de faillietverklaring verliest. Wel kan de curator op grond van artikel 60, tweede lid, Fw de zaak opeisen en met toepassing van artikel 101 of 176 Fw verkopen, onverminderd de voorrang, aan de schuldeiser in artikel 292 van Boek 3 BW toegekend.
Conclusie: A dient de heftruck aan de curator af te geven

7

3. In verband met de aankoop van de woning heeft Bernard geld geleend van zijn vader V. Tot zekerheid van terugbetaling verleent Bernard aan V een recht van hypotheek op de woning. V vestigt op zijn beurt tot zekerheid van een schuld die hij aan een zekere C heeft, een pandrecht ten behoeve van C op deze vordering op Bernard. Enige tijd nadien overlijdt V. Bernard is enig erfgenaam. De vordering van C op V is dan nog niet voldaan. Bernard weigert deze schuld van V te betalen.
Kan C zijn pandrecht inroepen? Zo ja, op welke rechtsgrond. Zo nee, waarom niet?

In beginsel is de hypothecaire schuld door vermenging tenietgegaan (art. 6:161, eerste lid, BW). Bernard was immers schuldeiser van de vordering en werd door erfopvolging tevens schuldenaar van de vordering. De hoedanigheid van schuldenaar en schuldeiser werden in één persoon verenigd. De vermenging heeft echter relatieve werking: de op de vordering rustende rechten van derden blijven onverlet (art. 6:161, derde lid). C kan zijn rechten nog geldend maken; de vordering is jegens C niet tenietgegaan.

8

1. Is de stelling van Speciaal, dat S zonder tegenprestatie de koopsom van € 250 moet voldoen, juridisch juist? Geef in uw antwoord tevens aan of S met succes nakoming dan wel ontbinding kan vorderen?

De schuldeiser komt in verzuim, wanneer nakoming van de verbintenis verhinderd wordt doordat hij de daartoe noodzakelijke medewerking niet verleent of doordat een ander beletsel van zijn zijde opkomt, tenzij de oorzaak van verhindering hem niet kan worden toegerekend (art. 6:58 BW). In casu kan schuldenaar Speciaal niet aan zijn uit de koopovereenkomst voortvloeiende verbintenis tot levering van de kleurentelevisie voldoen zonder medewerking van schuldeiser S. Er is dus sprake van schuldeisersverzuim van S, doordat zij de voor nakoming van de verbintenis noodzakelijke medewerking niet heeft verleend en er in casu sprake is van een specieszaak, een tweedehands kleurentelevisie, (art. 7:10, eerste en tweede lid, BW). De oorzaak van verhindering kan aan haar worden toegerekend. Afwezigheid zal, aangezien het in casu niet gaat om nakoming van een persoonlijk te verrichten verbintenis voor haar rekening komen. S had immers iemand anders kunnen inschakelen om Speciaal de mogelijkheid te geven de kleurentelevisie te leveren. Van deze belemmerende omstandigheid zal zij zelf het risico moeten dragen.
Ten gevolge van het schuldeisersverzuim is de schuldenaar beperkt aansprakelijkheid. Artikel 6:64 BW bepaalt immers: ́Komt tijdens het verzuim van de schuldeiser een omstandigheid op, die behoorlijke nakoming geheel of gedeeltelijk onmogelijk maakt, dan wordt dit niet aan de schuldenaar toegerekend, tenzij deze door zijn schuld of die van een ondergeschikte is tekortgeschoten in de zorg die in de gegeven omstandigheden van hem mocht worden gevergd. ́ Door het ongeval wordt nakoming onmogelijk; het betrof immers een tweedehands kleurentelevisie (specieszaak). Deze tekortkoming wordt ingevolge artikel 6:64 BW alleen aan Speciaal toegerekend als Speciaal tekort is geschoten in zijn zorgplicht. De bewijslast hiervan rust op S. Aangezien in casu gegeven is dat het ongeval niet aan de werknemer van Speciaal valt te verwijten, heeft Speciaal voldoende zorg betracht en wordt het ongeval niet aan Speciaal toegerekend. Om zich van haar verbintenis tot betaling van de € 250 te bevrijden, zal S de overeenkomst moeten ontbinden. De overeenkomst kan echter niet worden ontbonden, omdat S zelf in schuldeisersverzuim verkeert (art. 6:266, eerste lid, BW). De uitzondering in artikel 6:266, tweede lid, BW (wordt echter tijdens het verzuim van de schuldeiser behoorlijke nakoming geheel of gedeeltelijk onmogelijk, dan kan de overeenkomst ontbonden worden, indien door schuld van de schuldenaar of zijn ondergeschikte is tekortgeschoten in de zorg die in de gegeven omstandigheden van hem mocht worden gevergd) doet zich in casu immers niet voor. S zelf blijft wel tot nakoming van haar uit de koopovereenkomst van de kleurentelevisie voortvloeiende verbintenis tot betaling van de koopsom van € 250 verplicht (art. 7:10, eerste lid, BW).
Conclusie: de mededeling van Speciaal is juist, een succesvolle vordering tot nakoming en/of ontbinding is niet mogelijk.

9

2. Variant

Gesteld dat de kleurentelevisie wel bij S is bezorgd, maar dat S heeft bedongen dat ze pas aan het eind van de maand (als haar prestatiebeurs is binnengekomen) moet betalen. Andere afspraken zijn er niet gemaakt. Als gevolg van kortsluiting in de benedenwoning brandt ook de door S gehuurde etage af. De door S gekochte kleurentelevisie gaat daarbij verloren. Wat is nu de rechtspositie van S? Geef in uw antwoord tevens aan in hoeverre relevant is dat het in casu om een consumentenkoop gaat.

De zaak is voor risico van de koper van de aflevering af, zelfs al is de eigendom niet overgedragen (art. 7:10, eerste lid, BW). Dat er sprake is van een consumentenkoop (art. 7:6 BW) is niet relevant, aangezien de zaak bij S is bezorgd waardoor de uitzondering van artikel 7:11 BW in geval van consumentenkoop niet van toepassing is.

10

1. de overeengekomen koopprijs: € 1000 per ton
2. de marktwaarde op 15 september 2000: € 1100 per ton
3. de marktwaarde ten tijde van de verkoop door de koper: € 1150 per ton en
4. de marktwaarde ten tijde van de uitspraak van de rechter: € 950 per ton.

Door de ontbinding op 20 september is de verbintenis van de koper tot het betalen van de koopprijs omgezet in een verbintenis tot teruggave van de geleverde olie (art. 6:271 BW). Op die verbintenis zijn de gewone regels van de niet-nakoming (art. 6:74 e.v. BW) van toepassing, inclusief de regels voor verzuim. De koper heeft de olie na de ontbinding echter aan een derde verkocht en geleverd, zodat hij die niet meer kan teruggeven. Die blijvende onmogelijkheid komt voor zijn rekening. Vanaf 30 september is hij dan ook zonder verzuim (d.w.z. zonder ingebrekestelling) schadeplichtig (art. 6:74, tweede lid, BW). Nu hij vanaf 30 september niet meer kan terugleveren, moet hij de waarde van de olie op dat moment (€ 1150 per ton) vergoeden (NB: plus vanaf dat moment de vertragingsschade (wettelijke rente, art. 6:119, eerste lid, BW) over dat bedrag).
Alternatief 3 is dus juist, de andere alternatieven niet.
Alternatief 1 is onjuist, omdat de koopprijs er niet meer toe doet nu de overeenkomst is ontbonden;
Alternatief 2 is onjuist omdat het verzuim weliswaar op 15 september intrad (art. 6:83, onder a, BW), maar dat is alleen van belang indien de verkoper betaling van de koopprijs en schadevergoeding wegens te late betaling vordert. Hij heeft in casu echter ontbonden. Alternatief 4 is onjuist omdat de uitspraak van de rechter slechts bevestigt dat de verkoper terecht op 20 september heeft ontbonden. Wat de olie op de dag van de uitspraak waard is, doet dus niet terzake. Dat zou anders zijn, indien niet buitengerechtelijk was ontbonden maar ontbinding door de rechter was gevorderd.
NB: Artikel 7:36 BW geeft antwoord op de vraag welk bedrag de verkoper, die niet presteert, als schadevergoeding aan de koper moet vergoeden. Die vraag werd hier echter niet gesteld. Het hier aan de orde gestelde probleem is dat de koper niet aan zijn teruggaveverplichting voldoet.

11

1. Is C of V wederpartij bij de koop door K van de Siberische wolfshond? Verwerk in uw antwoord relevante jurisprudentie en een reactie op de verweren van C en V.
Gesteld, zonder daarmee een antwoord op vraag a te suggereren, dat V als wederpartij bij de koopovereenkomst met K moet worden aangemerkt en dat de koopprijs van de hond € 800 bedroeg.

Het antwoord op de vraag of C of V contractspartij van K is hangt af van hetgeen partijen jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (Kribbebijter-arrest). Het antwoord op die vraag is van feitelijke aard. Hoe C precies is opgetreden is in casu niet duidelijk. Uit de casus blijkt niet dat C uitdrukkelijk in naam van K heeft gehandeld (de overeenkomst van lastgeving tussen K en C om een hond te kopen moet van het verlenen van bevoegdheid tot vertegenwoordiging door K aan C worden onderscheiden); evenmin blijkt uit de casus dat C uitdrukkelijk als commissionair is opgetreden. Wel staat vast dat V weet dat C in opdracht en ten behoeve van K handelde. Dat is echter onvoldoende om te stellen dat K partij bij de overeenkomst is. In het onderhavige geval moet veeleer van het omgekeerde worden uitgegaan. Vaststaat immers dat ook V weet dat C het beroep van commissionair uitoefent. In de regel handelt een commissionair op eigen naam (vgl. ook het Kribbebijter-arrest en thans art. 7:419 BW). Zo geredeneerd dient C derhalve als wederpartij/verkoper bij de koopovereenkomst met V te worden aangemerkt.
Hoewel V geen contractspartij van K is kan V desondanks op grond van artikel 7:419 BW tot vergoeding van de door K geleden schade door C worden aangesproken. De verweren van C en V zijn derhalve onjuist (leereenheid 4 Vertegenwoordiging).

12

2. Welke twee juridische verweren kan V tegen een vordering tot schadevergoeding door K inbrengen? Beoordeel in uw antwoord de kans op succes van deze verweren. Verwerk in uw antwoord relevante jurisprudentie.

Iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis verplicht de schuldenaar de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend (art. 6:74 BW). In casu is sprake van een tekortkoming door V van de uit de koopovereenkomst voortvloeiende verbintenis van artikel 7:17 BW (conformiteitsvereiste). Voor een succesvolle vordering tot schadevergoeding is tevens noodzakelijk dat de tekortkoming aan V kan worden toegerekend. V kan zich op overmacht (art. 6:75 BW) beroepen, door te stellen dat hem van de tekortkoming geen verwijt kan worden gemaakt. De casus bevat over eventuele verwijtbaarheid van V (d.w.z. kennis van de tekortkoming) geen gegevens. In het arrest Brok-Huberts (ook wel Heupdysplasie genaamd), werd geoordeeld dat een dergelijke tekortkoming ook niet naar in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van de verkoper (d.w.z. voor zijn risico) komt. Een tweede verweer dat V eventueel met succes naar voren zou kunnen brengen betreft het door K niet voldoen aan zijn uit artikel 6:101 BW voortvloeiende schadebeperkingsplicht. Er is in casu immers een aanzienlijke onevenredigheid tussen de aanschafprijs van de hond en de kosten van de operaties. V kan stellen dat K de hond na de constatering van het verborgen gebrek had moeten teruggeven (tegenover teruggave van de koopsom) en dat de eisen van de redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen, dat V door K in de gelegenheid zou worden gesteld om de koopovereenkomst ongedaan te maken, indien levering van een soortgelijke hond niet mogelijk was, alvorens over te gaan tot het laten uitvoeren van de kostbare operaties (leereenheid 2.6).

13

1. Welk bedrag dient A NV aan De Bank NV te betalen?

Er is in casu sprake van pluraliteit van schuldenaren. Nu de prestatie deelbaar is, is in beginsel iedere schuldenaar tot een gelijk deel verplicht. In casu is echter overeengekomen dat alle vennootschappen hoofdelijk verbonden zijn. Hoofdelijkheid vloeit dus voort uit een rechtshandeling (art. 6:6, eerste lid, BW). Nu alle schuldenaren hoofdelijk verbonden zijn, kan de schuldeiser op grond van artikel 6:7, eerste lid, BW ieder voor het geheel aanspreken. De Bank NV kan dus A NV met succes voor het gehele bedrag (€ 500.000) aanspreken.

14

2. Kan A van het aan De Bank betaalde nog enig bedrag verhalen op D, E en/of F BV? Zo nee, waarom niet? Zo ja, voor welk bedrag?

Nakoming door de één, bevrijdt ook de anderen tegenover de schuldeiser (art. 6:7, tweede lid, BW). In alle gevallen waarin sprake is van meerdere hoofdelijke schuldenaren heeft de betalende schuldenaar echter regres op de andere schuldenaren voor zover hij meer heeft betaald dan zijn eigen aandeel, tot ten hoogste het gedeelte van de schuld dat de medeschuldenaar aangaat (art. 6:10, tweede lid, BW). In casu heeft A € 500.000 betaald, maar gaat de schuld A slechts voor € 100.000 aan. De schuld is dus voor € 100.000 tenietgegaan. Voor het resterende bedrag kan A op grond van artikel 6:10, tweede lid, BW in beginsel op C regres nemen (C gaat de schuld immers voor € 500.000 aan).
In casu blijkt verhaal op C echter onmogelijk. Op grond van artikel 6:13, eerste lid, BW wordt dan het onvoldaan gebleven gedeelte (€ 400.000) over alle draagplichtige schuldenaren omgeslagen, naar evenredigheid van ieders draagplicht. In casu blijkt echter ook verhaal op de voor € 400.000 draagplichtige B niet mogelijk. De omslag vindt in beginsel slechts plaats over de draagplichtige schuldenaren. D en E zijn niet-draagplichtig (de schuld gaat hen niet aan). Zij kunnen dus niet aangesproken worden, ook niet op grond van artikel 6:13, tweede lid, BW omdat de schuld A zelf aangaat.
De omslag betreft alleen de hoofdelijke medeschuldenaren. Zij strekt zich niet uit tot derden, bijvoorbeeld de derde-hypotheekgever, ook niet indien deze intern draagplichtig zou zijn, F kan dus niet aangesproken worden op grond van artikel 6:13 BW.
Daarnaast wordt A in de rechten van de schuldeiser jegens de medeschuldenaren en jegens derden gesubrogeerd (art. 6:12 BW). De overgang krachtens subrogatie heeft als voordeel boven het regresrecht, dat de betalende schuldenaar zich kan bedienen van de zekerheidsrechten tegenover de medeschuldenaren en derden. A kan dus op grond van subrogatie een beroep doen op de derde-hypotheek van F. Verhaal is echter slechts mogelijk tot ten hoogste het gedeelte dat de derde aangaat in zijn verhouding tot de schuldenaar (i.c. € 100.000) (art. 6:12, eerste lid,1 BW).
Conclusie: A kan geen verhaal nemen op andere medeschuldenaren met uitzondering van F, waarvan A op grond van artikel 6:12, tweede lid, BW en de derde-hypotheek een bedrag van € 100.000 kan vorderen.
NB: overigens kan A wel van B en C het resterende bedrag terugvorderen in het hypothetische geval dat zij weer vermogen hebben (art. 6:13, derde lid, BW).

15

1. Mag E de levering van energie aan het woonhuis opschorten totdat A de achterstallige rekeningen van zijn kantoor betaald heeft?

Voor een opschortingsbevoegdheid moet voldaan zijn aan de vereisten van artikel 6:52 jo artikel 6:262 BW:
– de vordering op de wederpartij wordt, hoewel opeisbaar, niet nagekomen. Aan dit vereiste is voldaan, nu de vorderingen elke maand opeisbaar zijn.
– tussen vordering en verbintenis moet voldoende samenhang (connexiteit) bestaan om de opschorting te rechtvaardigen. Bij tegenover elkaar staande verbintenissen uit een wederkerige overeenkomst is aan deze samenhang steeds voldaan. In dit geval gaat het echter om verbintenissen die niet tegenover elkaar staan. Kan dan ook sprake zijn van voldoende samenhang? Artikel 6:52, tweede lid, BW is niet limitatief. De Hoge Raad besliste dan ook (NB: HR 28 juni 1985, NJ 1985, 840, Luyer-Gemeente Amsterdam, tekstboek nr. 147) dat er bij overeenkomsten tot levering van energie in het algemeen voldoende samenhang is tussen de vordering tot betaling van leveranties aan het bedrijfspand van een gebruiker en de verplichting tot levering aan het privéadres van deze gebruiker om aan te nemen dat opschorting van leveranties aan het privéadres gerechtvaardigd is, indien de leveranties aan het bedrijfspand niet worden betaald.
E mag dus de levering van energie aan het woonhuis opschorten, tenzij de uitoefening van het opschortingsrecht in strijd is met de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 en 6:248 BW). Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien het belang van de schuldeiser in onevenredig zware mate wordt geschonden waarbij rekening moet worden gehouden met een eventuele monopoliepositie van de leverancier en met het feit dat gas en licht in de particuliere sfeer tot de eerste levensbehoeften behoren.

16

2. Vriendin B geeft haar bank, die tevens de bank van A is, opdracht € 1000 op de rekening van A over te maken. Nadat de bank deze opdracht heeft ontvangen, legt V derdenbeslag onder de bank op de rekening van A. Valt de door B overgemaakte € 1000 onder het beslag indien de rekening van A op dat moment nog niet door de bank is gecrediteerd? Verwerk in uw antwoord relevante jurisprudentie.

Girale betaling geschiedt op het tijdstip waarop de rekening van de schuldeiser wordt gecrediteerd (art. 6:114, tweede lid, BW). Op het moment van beslag door V is de rekening van A als gevolg van de betaling door vriendin B door de bank nog niet gecrediteerd, maar heeft A wel een recht op creditering op de bank. In het Giro-arrest is echter beslist dat de vorderingen van de geëxecuteerde (i.c. A) op de derde-beslagene (i.c. de bank) die op het tijdstip van het beslag reeds bestaan, onder het derdenbeslag vallen. In casu valt de vordering derhalve onder het beslag, ondanks het feit dat de betaling van B nog niet is voltooid omdat de rekening van A nog niet is gecrediteerd. Dit is derhalve een uitzondering op de regel van artikel 6:114, tweede lid, BW.

17

3. V komt volgens A de uit de huurovereenkomst voortvloeiende onderhoudsverplichting met betrekking tot de woning niet na. Met een beroep op het achterstallige onderhoud weigert A vervolgens de huursom aan V te betalen. Wanneer is A bevoegd om de betaling van de huursom op te schorten en moet A hiervoor eerst een ingebrekestelling uitbrengen? Verwerk in uw antwoord relevante jurisprudentie.

Huur (art. 7:201 BW) is een wederkerige overeenkomst. Als V nakoming van betaling van de huursom vordert, is de vraag of A zich op een opschortingsrecht (art. 6:52 jo art. 6:262 BW) kan beroepen. Voor het bestaan van een opschortingsrecht moet de vordering op de schuldeiser (V) opeisbaar zijn en niet worden voldaan (i.c. het geval) en voorts moet tussen vordering en verbintenis een zodanige samenhang bestaan dat opschorting van betaling gerechtvaardigd is. Opschorting door de huurder bij achterstallig onderhoud ex artikel 6:262 BW is toegestaan indien de tekortkoming in de onderhoudsverplichting van de verhuurder ernstig genoeg is (d.w.z. er moet sprake zijn van een gebrek ex art. 7:204, tweede lid, BW). Voor opschorting in een dergelijk geval is wel vereist dat de verhuurder hetzij op de hoogte is van de gebreken, hetzij daarvan door de huurder op de hoogte wordt gesteld (tekstboek, nr. 148). Verzuim door middel van een ingebrekestelling is echter niet vereist (arrest Meubelfabriek Limburg-Peters) (zie tekstboek, nr. 145).
NB: de huurder kan tevens in geval van vermindering van huurgenot ten gevolge van een gebrek een daaraan evenredige vermindering van de huurprijs vorderen van de dag waarop hij van het gebrek behoorlijk heeft kennisgegeven aan de verhuurder of waarop het gebrek reeds in voldoende mate bekend was om tot maatregelen over te gaan, tot die waarop het gebrek is verholpen (art. 6:207, eerste lid, BW). In de praktijk zal de huurder aan deze rechtsvordering (een specifieke vorm van gedeeltelijke ontbinding ex art. 6:270 BW) de voorkeur geven!

18

1. Welk rentepercentage moet vanaf 1 januari 2004 door de vier familieleden worden betaald?

De schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd (i.c. dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest (art. 6:119, eerste lid, BW)). Echter op grond van artikel 6:119, derde lid, BW loopt een bedongen rente, die hoger is dan die volgens het eerste lid verschuldigd zou zijn, door nadat de schuldenaar in verzuim is gekomen. Welk rentepercentage moet worden betaald is er in casu dus van afhankelijk of de wettelijke rente afwijkt van het afgesproken rentepercentage van 6%. Is de wettelijke rente lager dan 6%, dan loopt de contractuele rente door. Is echter de wettelijke rente hoger, dan komt de wettelijke rente in de plaats van de contractuele rente.
NB: in casu is sprake van een fatale termijn (uiterlijk 1 januari 2004), een ingebrekestelling is dus niet noodzakelijk om de vier in verzuim te brengen (art. 6:83, sub a, BW).

19

2. Doris is net gescheiden en daardoor in financiële moeilijkheden geraakt. Op zijn verjaardagsfeestje in januari 2004 deelt Freddie luidkeels aan Doris mede dat zij de € 150.000 niet terug hoeft te betalen. Een week later heeft Doris nog niet op dit aanbod van Freddie gereageerd. Anton en Bernard stellen niettemin dat zij na dit aanbod van Freddie aan Doris ook van hun betalingsverplichting aan Freddie zijn bevrijd.
Is deze opvatting van Anton en Bernard juist? Vermeld in uw antwoord tevens welke interne en externe gevolgen het aanbod van Freddie aan Doris heeft voor de rechtsverhouding tussen de vier familieleden.

Een verbintenis gaat teniet door een overeenkomst van de schuldeiser met de schuldenaar, waarbij hij van zijn vorderingsrecht afstand doet (art. 6:160, eerste lid, BW). Een door de schuldeiser tot de schuldenaar gericht aanbod tot afstand om niet geldt als aanvaard, wanneer de schuldenaar van het aanbod heeft kennisgenomen en het niet onverwijld heeft afgewezen (art. 6:160, tweede lid, BW). In casu heeft Doris het aanbod tot afstand om niet van het vorderingsrecht niet onverwijld afgewezen waardoor een overeenkomst van afstand tussen Freddie en Doris tot stand is gekomen. De opvatting van de anderen dat zij als gevolg van de overeenkomst van afstand tussen Freddie en Doris ook van hun betalingsverplichting zijn bevrijd is onjuist. Artikel 6:9, eerste lid, BW bepaalt weliswaar dat iedere hoofdelijke schuldenaar bevoegd is namens de overige schuldenaren een aanbod tot afstand om niet van het vorderingsrecht te aanvaarden, voor zover de afstand ook de andere schuldenaren betreft. In casu blijkt echter niet dat Freddie de bedoeling had ook de anderen van hun betalingsverplichting te bevrijden. In casu betreft het aanbod (en de overeenkomst) tot afstand om niet slechts de betalingsverplichting van Doris.
Extern gevolg: op grond van artikel 6:7 BW houdt Freddie het recht om de vier (dus ook Cees en Doris) voor het gehele nu nog openstaande bedrag (€ 300.000 met rente) aan te spreken.
Intern gevolg: ingevolge artikel 6:14 BW bevrijdt afstand door de schuldeiser een hoofdelijke schuldenaar niet van zijn (interne) verplichting tot bijdragen. De schuldeiser kan hem niettemin van deze verplichting bevrijden door zich jegens de medeschuldenaren te verbinden de vordering op hen te verminderen met het bedrag dat als bijdrage gevorderd had kunnen worden. Uit de casus blijkt hiervan niets. Bij financieel onvermogen van een van de anderen (d.w.z. Anton of Bernard) kan Doris dus nog wel tot bijdrage worden aangesproken.

20

3. Gesteld dat de kwijtschelding alleen op Doris betrekking heeft en dat Bernard zijn bijdrage wel voldoet maar dat een woedende Anton weigert te betalen. Freddie wil, om een schandaal te voorkomen, Anton niet voor de rechter dagen. Hij vindt de volgende ́oplossing ́ voor zijn probleem. Met Cees komt hij overeen, dat hij de vordering op Anton zal ruilen tegen een schilderij van Karel Appel (getaxeerde waarde € 100.000) dat eigendom is van Cees. Op 1 maart 2004 cedeert hij de vordering op Anton aan Cees. Op die datum krijgt hij het schilderij geleverd, dat direct door Freddie thuis wordt opgehangen. Op 1 april 2004 verneemt Freddie echter dat Cees al voor 1 maart met Anton heeft afgesproken dat Anton enkel een bedrag van € 125.000 aan Cees zou moeten betalen en dat het resterende bedrag en rente hem door Cees zou worden kwijtgescholden. Anton heeft inmiddels aan Cees betaald. Met succes vernietigt Freddie op 1 april 2004 de ruilovereenkomst met Cees op grond van bedrog. Freddie stelt vervolgens dat Anton nogmaals, maar nu aan hem, dient te betalen. Anton stelt dat hij al bevrijdend aan Cees heeft betaald. Wie heeft er gelijk?

Vernietiging heeft terugwerkende kracht (art. 3:53 BW). Door de succesvolle vernietiging op grond van bedrog vervalt met terugwerkende kracht de titel van de cessie en heeft Anton betaald aan Cees die op dat moment geen crediteur was. Echter op grond van artikel 6:34, tweede lid, BW kan Anton de betaling aan Freddie tegenwerpen, tenzij hij had kunnen voorzien dat de cessie tussen Freddie en Cees zou worden vernietigd. In de casus is daarvoor geen argument te vinden.
Conclusie: Anton heeft niet bevrijdend aan Cees betaald en moet opnieuw aan Freddie te betalen.

21

4. Gesteld dat de ruilovereenkomst met succes door Freddie is vernietigd. Het schilderij heeft echter als gevolg van een ́ongelukje ́ bij het ophangen op 1 maart een kras opgelopen (schade € 5000). Kan Cees vergoeding van deze schade van Freddie vorderen?

Vernietiging heeft terugwerkende kracht (art. 3:53 BW). Door de vernietiging ontstaan ex artikel 6:203 BW verbintenissen tot ongedaanmaking. Op grond van onverschuldigde betaling ontstaat door de vernietiging voor Feddie de verbintenis om het schilderij terug te leveren. Freddie kan in casu echter slechts een beschadigd schilderij terugleveren. Op de ongedaanmakingsverbintenis is artikel 6:74 BW van toepassing. Iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis verplicht de schuldenaar de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend. Bij de beantwoording van de vraag of de tekortkoming haar kan worden toegerekend is artikel 6:204 BW van toepassing. Heeft de ontvanger in een periode waarin hij redelijkerwijze met een verplichting tot teruggave van een goed geen rekening behoefde te houden, niet als een zorgvuldig schuldenaar voor het goed zorg gedragen, dan wordt hem dit niet toegerekend. Tot aan het moment, waarop Freddie kon vermoeden dat hij reden zou hebben tot vernietiging (i.c. 1 april 2004), mocht hij met het hem geleverde schilderij ́gewoon ́ omgaan, dus zonder extra voorzorgsmaatregelen om schade te voorkomen.
Conclusie: aangezien het schilderij in deze periode door een ́ongelukje ́ is beschadigd, is Freddie niet voor de schade aansprakelijk.
NB: na de vernietiging, rust echter op hem zorgplicht, zoals in artikel 6:204 BW is verwoord. In die periode moet Freddie proberen te voorkomen dat het schilderij verder wordt beschadigd.

22

Vraag 9

V BV verkoopt rollen bedrukte stof aan winkeliers. De winkeliers behoeven de geleverde stof eerst zes maanden na aflevering te betalen. Teneinde verzekerd te zijn van een continue kasstroom verkoopt V BV haar vorderingen aan Factoring Nederland (FN). FN betaalt aan V BV 90% van de waarde van de vorderingen. FN neemt de vorderingen pas over nadat de afnemers van V BV aan de leverancier hebben bericht dat de geleverde stoffen voldoen aan de verwachtingen van de koper. Hiervoor hanteert V standaardformulieren die de afnemers binnen vier weken na de levering aan V moeten retourneren. De ingevulde verklaringen worden door V BV tezamen met de gecedeerde vorderingen periodiek aan FN verzonden.
Op 15 mei 2003 spreekt FN winkelier K aan tot betaling van € 2000, in verband met de levering van stoffen d.d. 15 november 2002. K stelt dat de geleverde stof ondeugdelijk was en schort betaling ex artikel 6:262 BW op. In de op 17 januari 2003 aan V BV geretourneerde verklaring heeft K echter met betrekking tot de desbetreffende levering verklaard dat de stof voldoet en beantwoordt aan de overeenkomst (vgl. art. 7:17 BW). Naar achteraf blijkt heeft de secretaresse van K de verklaring onjuist ingevuld.
Kan koper K betaling aan FN opschorten omdat de levering door verkoper V BV gebrekkig was?

Uit de koopovereenkomst (art. 7:1 BW) tussen V BV en winkelier K vloeit voor K de verbintenis voort om € 2000 aan V BV te betalen. Deze vordering van V BV is een vermogensrecht in de zin van artikel 3:1 BW j° artikel 3:6 BW en kan worden overgedragen (zie o.a. de artt. 3:83 en 3:94 BW). Overdracht van de vordering door V BV aan FN heeft tot gevolg dat K een nieuwe schuldeiser krijgt. Na de overdracht (cessie) heeft FN een vordering op K.
Wanneer een verkoper zijn koper tot betaling aanspreekt terwijl de door de verkoper geleverde goederen ondeugdelijk blijken te zijn, heeft de koper het recht zijn betaling op te schorten (zie voor wederkerige overeenkomsten art. 6:262 BW).
In casu kan K, door V aangesproken tot betaling van de koopsom, zijn betalingsverplichting opschorten met een beroep op artikel 6:262 BW (koop is immers een wederkerige overeenkomst). In beginsel kan K ook ten opzichte van FN – de nieuwe schuldeiser – een beroep doen op het opschortingsrecht ingevolge artikel 6:262 BW. Uit artikel 6:145 BW volgt immers dat de overdracht van de vordering door V BV aan FN de verweermiddelen van K onverlet laat. In de casus is echter gesteld dat FN de vorderingen van V BV eerst overneemt nadat de afnemers van V aan de leverancier hebben bericht dat de geleverde stoffen aan de verwachtingen van de koper voldoen. In casu heeft K op 17 januari aan V bericht dat de geleverde stof aan de overeenkomst voldoet. FN heeft de vordering van V op K pas overgenomen nadat de bedoelde verklaring aan FN is overgelegd. FN is afgegaan op de verklaring die K aan V heeft gestuurd.Uit deze verklaring mocht FN concluderen dat er sprake was van een correcte levering aan K (FN is te goeder trouw (art. 3:11 BW), uit de casus blijkt niet dat FN wist of behoorde te weten dat bij de invulling van deze verklaring door K een vergissing is gemaakt). FN kan daardoor met een beroep op artikel 3:36 BW het opschortingsrecht aan K ontnemen. Dat K van de ontstane schijn geen verwijt kan worden gemaakt, is voor bescherming ingevolge artikel 3:36 BW niet relevant.

23

1. Kan A met succes V BV voor de gehele schade aansprakelijk stellen? Verwerk in uw antwoord relevante jurisprudentie ten aanzien van de vraag of V zich met succes (op de inhoud van) artikel 23 van de algemene voorwaarden kan beroepen.

A kan een vordering op grond van wanprestatie (art. 6:74 BW) tegen V instellen. A kan op grond van artikel 23 van de overeenkomst slechts € 3800 schadevergoeding van verhuurder V vorderen. De vordering tot vergoeding van de overige schade zal worden afgewezen indien V zich met succes op de exoneratieclausule kan beroepen. In casu wordt de gebondenheid aan de algemene voorwaarden door A niet betwist. Wil A haar schade op V verhalen, dan moet zij zich op het standpunt stellen dat een beroep op de in artikel 23 neergelegde exoneratieclausule onder de omstandigheden van het onderhavige geval in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.
Aangezien A meer dan vijftig werknemers in dienst heeft kan op grond van artikel 6:235, sub b geen beroep worden gedaan op artikel 6:233 BW. A zal zich dus op artikel 6:248, tweede lid, BW moeten beroepen. Voor de vraag wanneer geen beroep kan worden gedaan op een exoneratiebeding zijn alle omstandigheden van het geval bepalend. Een aantal van deze omstandigheden zijn door de Hoge Raad opgesomd in de arresten Saladin-HBU en Pseudo- vogelpest (leereenheid 11). Deze arresten blijven ook bij de toepassing van artikel 6:248, tweede lid, BW van belang. Van de door de Hoge Raad genoemde omstandigheden zijn in casu vooral ́de maatschappelijke positie en de onderlinge verhouding van partijen ́, ́de aard van de overeenkomst waarin het beding voorkomt ́ en ́de zwaarte van de schuld, mede in verband met de aard en de ernst van de bij enige gedraging betrokken belangen ́ van belang.
In casu is sprake van een overeenkomst tussen bedrijven die behoren tot bedrijfstakken die regelmatig met elkaar te doen hebben en waarin standaardisering van overeenkomsten een algemeen verschijnsel is. Deze factoren zijn in casu doorslaggevend voor de toelaatbaarheid van het beding (arrest Matatag-De Schelde). Uitsluiting van aansprakelijkheid voor alle fouten van werknemers, dus ook fouten die te wijten zijn aan opzet en grove schuld van ondergeschikten (i.c. is gezien de feiten ten minste sprake van grove schuld) is onder bovengenoemde omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar (arrest gemeente Stein- Driessen).
NB: beroep op het beding is wel onaanvaardbaar voor het geval dergelijke fouten door leidinggevenden zijn gemaakt (arresten Pseudo-vogelpest en gemeente Stein-Driessen). De casus bevat daarover geen gegevens.
Conclusie: het beroep van V BV op de exoneratieclausule is niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid. V is enkel voor € 3800 van de geleden schade aansprakelijk.

24

2. Gesteld (zonder daarmee een antwoord op subvraag a te suggereren) dat V BV zich met succes op de exoneratieclausule kan beroepen. Kan aannemer A dan met succes een vordering tot schadevergoeding tegen werknemer W instellen?

Indien een ondergeschikte van de schuldenaar wordt aangesproken door de schuldeiser, komt de ondergeschikte een beroep toe op de verweermiddelen die de schuldenaar ter zake van de gedragingen van de ondergeschikte aan de overeenkomst kan ontlenen, als ware hijzelf bij de overeenkomst partij (art. 6:257 BW). In casu is de aansprakelijkheid van verhuurder V voor fouten van ondergeschikten grotendeels uitgesloten. Gegeven is dat V BV zich op de exoneratieclausule kan beroepen. De woorden ́als ware hij zelf bij de overeenkomst partij ́ leiden er echter toe dat de ondergeschikte voor grove schuld aansprakelijk is, zoals ook V BV (d.w.z. de bedrijfsleiding) voor zijn eigen opzet en grove schuld aansprakelijk zou zijn geweest. Op grond van artikel 6:257 BW kan W zich dus niet op de exoneratieclausule beroepen. Conclusie: A NV kan W op grond van artikel 6:162 BW met succes voor de gehele schade aansprakelijk stellen.

25

Vraag 11

Vervolg op vraag 10
Aannemer A NV heeft zich jegens opdrachtgever O ex artikel 7:750 BW verbonden tot de bouw van het kantoorgebouw. Het project is in 2003 opgeleverd. In 2005 werd corrosie van de gevelbeplating geconstateerd. Aannemer A heeft jegens opdrachtgever O de deugdelijkheid van de aluminium gevelbeplating gegarandeerd. O vordert primair dat A de gehele gevelbeplating vervangt door een deugdelijke beplating onder verlening van een nieuwe garantie en vordert subsidiair van A betaling van de kosten van de gehele vervanging van de gevelbeplating door deugdelijk materiaal. A verweert zich zowel tegen de primaire vordering en secundaire vordering van O door te stellen dat aangezien nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is, O eerst een ingebrekestelling moet uitbrengen (verweer 1). A verweert zich tevens tegen de secundaire vordering van O door te stellen dat er sprake is van een fabrieksfout en dat er derhalve geen sprake is van een tekortkoming aan de zijde van A (verweer 2) en dat een complete vervanging van alle panelen disproportioneel is en dat herstel als vorm van schadevergoeding in redelijke verhouding dient te staan tot de ernst c.q. aard van het te herstellen gebrek. Vervanging van enkele in het oog lopende percelen boven de hoofdingang zou gevoegd bij een aangepast gevelonderhoudsprogramma op kosten van A een even adequaat (en voor A aanzienlijk goedkoper) antwoord zijn op de geconstateerde corrosie (verweer 3).
De stellingname van O tegen dit derde verweer is dat een partij jegens wie wanprestatie is gepleegd, de keuze heeft tussen de hem als gevolg van de wanprestatie ten dienste staande mogelijkheden en dat de schuldeiser niet van een juridische mogelijkheid dient af te zien op de enkele grond dat de schuldeiser door een alternatief niet in een wezenlijk nadeliger positie zou komen te verkeren.
Kan O in rechte met succes zijn primaire vordering tot nakoming dan wel zijn subsidiaire vordering tot schadevergoeding instellen? Beoordeel in uw antwoord de kans op succes van beide vorderingen. Verwerk in uw antwoord een reactie op de drie verweren van A en aan de hand van jurisprudentie een reactie op de stellingname van O jegens het derde verweer van A.

De primaire vordering van O is een vordering tot nakoming. O kan nakoming van de overeenkomst vorderen door een beroep te doen op artikel 3:296, eerste lid, BW: tenzij uit de wet, uit de aard der verplichting of uit een rechtshandeling anders volgt, wordt hij die jegens een ander verplicht is iets te geven, te doen of na te laten, daartoe door de rechter, op vordering van de gerechtigde, veroordeeld. De rechtsvordering tot nakoming van de verbintenis is niet van een voorafgaande ingebrekestelling afhankelijk maar vloeit voort uit het bestaan van de verbintenis! Het eerste verweer van A is derhalve onjuist.
De secundaire vordering van O dient als een vordering tot schadevergoeding te worden aangemerkt. Iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis verplicht de schuldenaar de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend (art. 6:74 BW). Het tweede verweer van A richt zich tegen het ontbreken van een tekortkoming dan wel het ontbreken van toerekenbaarheid. In casu is echter sprake van een door A verstrekte garantie aan O wat betreft de deugdelijkheid van de gevelbeplating. Een dergelijke garantieverplichting brengt mee dat het achterwege blijven van de gegarandeerde eigenschappen van de geleverde zaak zonder meer een tekortkoming oplevert van de schuldenaar (en dat deze tekortkoming derhalve aan de schuldenaar kan worden toegerekend). Ook het tweede verweer van A is derhalve onjuist. (NB: art. 6:77 BW is in casu niet van toepassing, aansprakelijkheid voor gebreken in zaken die zijn verschaft ter uitvoering van de verbintenis (tekortschieten in de prestatie zelf) kan niet op art. 6:77 BW maar slechts op art. 6:74 BW worden gebaseerd.)
Artikel 6:74, tweede lid, BW stelt dat voor zover nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is, het eerste lid slechts toepassing vindt indien de schuldeiser in verzuim is gebracht. In casu is nakoming door A nog mogelijk. Schadevergoeding door A is derhalve in beginsel op grond van artikel 6:74 BW alleen mogelijk wanneer A door O in gebreke is gesteld en A de gestelde termijn ongebruikt heeft laten verstrijken (art. 6:82, eerste lid, BW). Uit de casus volgt echter dat hier of artikel 6:82, tweede lid, BW van toepassing is (A wil immers enkel op door hem voorgestelde wijze nakomen, een wijze van nakoming waarmee O niet akkoord gaat) dan wel dat artikel 6:83, sub c, BW van toepassing is (dat O uit de houding/weigering van A kon afleiden dat A in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten). Een formele ingebrekestelling is derhalve niet noodzakelijk.
Bij een tekortkoming bestaande in aflevering van een ondeugdelijke zaak, heeft de crediteur de keuze tussen nakoming, voor zover deze nog mogelijk is, en schadevergoeding in enigerlei vorm. De crediteur is niet geheel vrij in zijn keuze maar gebonden aan de eisen van redelijkheid en billijkheid waarbij mede de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij een rol spelen (arrest Multi Vastgoed- Nethou, leereenheid 2.7). De opvatting van O is derhalve onjuist. De stelling van O is uitsluitend van toepassing in geval van ontbinding (vgl. het arrest Tromp-Regency). In dat arrest oordeelde de HR:
‘Indien de wanprestatie van een contractspartij van dien aard is dat zij in beginsel ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt, heeft de partij jegens wie deze wanprestatie is gepleegd, de keuze tussen de hem, mede als gevolg van die wanprestatie, ten dienste staande bevoegdheden. Geen regel van recht brengt dan mee dat van ontbinding zou behoren te worden afgezien op de enkele grond dat de schuldeiser door een alternatief – bijvoorbeeld nakoming met schadevergoeding – niet in een wezenlijk nadeliger positie zou komen te verkeren, laat staan dat de rechter deze mogelijkheid ambtshalve zou dienen te onderzoeken’.
De casus gaat echter niet over een afweging tussen een vordering tot ontbinding versus schadevergoeding, maar om een vordering tot nakoming versus schadevergoeding. In casu dient derhalve een afweging plaats te vinden van de belangen van de crediteur tegenover die van de debiteur, met het oog op enerzijds de door de opdrachtgever verlangde nakoming (gevel zonder zichtbare gebreken) en anderzijds de door de opdrachtnemer aangeboden vorm van schadevergoeding, aldus de HR in het arrest Multi Vastgoed-Nethou. Deze belangenafweging is van feitelijke aard en kan derhalve in cassatie niet worden getoetst.
Conclusie: verdedigbaar is (overeenkomstig de beslissing in het arrest Multi Vastgoed-Nethou) dat O met succes nakoming, dat wil zeggen vervanging van de gehele gevelbeplating kan vorderen.
NB: de afwijkende benadering van de HR ten aanzien van een vordering tot ontbinding heeft waarschijnlijk als reden dat de vordering tot ontbinding al een interne redelijkheidstoets bevat. Artikel 6:265, eerste lid, BW stelt immers als vereiste ́tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. ́

26

1. Gesteld dat in de koopovereenkomst tevens de bepaling is opgenomen dat het huis voor gewoon gebruik als woonhuis geschikt is. K stelt dat deze bepaling als een garantie dient te worden aangemerkt. V bestrijdt deze opvatting. Hoe dient te worden vastgesteld of er sprake is van een garantie?
Verwerk in uw antwoord relevante jurisprudentie.

Volgens het criterium uit het arrest Haviltex moet worden uitgegaan van ́de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. ́ Verdedigbaar is in casu om het beding als een garantie aan te merken dat het huis voor gewoon gebruik geschikt is.

27

2. Gesteld (zonder daarmee een antwoord op subvraag a te suggereren) dat er sprake is van een garantie.
Kan K de overeenkomst met succes ontbinden? Verwerk in uw antwoord relevante jurisprudentie en een reactie op de verweren van V.
Geef in uw antwoord tevens aan in hoeverre relevant is dat K als consument het huis heeft gekocht.

De bepaling in de koopovereenkomst dat het huis voor gewoon gebruik geschikt is, heeft het karakter van een garantie die de naar hun strekking als standaardbedingen te beschouwen bepalingen dat de verkoper niet aansprakelijk zal zijn voor zichtbare of verborgen gebreken en dat ontbinding wegens wanprestatie (d.w.z. non-conformiteit, art. 7:17 BW) is uitgesloten, opzijzet (arrest Gerards-Vijverberg, tekstboek nr. 177). Je kunt immers niet tegelijk wel en niet instaan voor het gegarandeerde feit. De koper kan derhalve ontbinden (art. 6:265 BW jo 7:17 BW) wegens niet-nakoming van de garantie. De verweren van V worden derhalve door de garantie opzijgezet.

NB: ook kan door te stellen dat er een impliciete garantie in de koopovereenkomst besloten ligt dat het huis op korte termijn als woonhuis geschikt is, worden verdedigd dat de exoneratie (geen aansprakelijkheid voor zichtbare of verborgen gebreken) ex artikel 6:248, tweede lid, BW buiten toepassing blijft. Zie onder meer de arresten Gerards-Vijverberg en Maassluis- Pakwoningen (werkboek 1, leereenheid 12 en tekstboek Brunner, nr. 181).

Artikel 7:17 BW is alleen dwingend recht bij de consumentenkoop (art. 7:6 BW), maar consumentenkoop betreft alleen roerende zaken (art. 7:5 BW). Er is in casu (koop van een onroerende zaak) geen sprake van een consumentenkoop. Artikel 7:6a BW is derhalve niet van toepassing. Ook artikel 7:2, tweede lid, BW is niet van toepassing, de driedagentermijn van artikel 7:2, tweede lid, BW is immers al verstreken. Overigens gaat artikel 7:2 BW niet uit van het begrip consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 BW, maar van een koper die als natuurlijk persoon niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

NB: artikelen 6:233 jo artikel 6:236, sub b (en ook art. 6:237, sub f, BW) zijn niet van toepassing, omdat de tussen partijen overeengekomen bedingen geen deel uitmaken van algemene voorwaarden. Wel gaat van de zwarte en grijze lijsten reflexwerking uit op de rechtsverhouding tussen K en V.

28

3. Wanneer verjaart de vordering tot ontbinding van K?

Nu het gaat om ontbinding als gevolg van een gebrek in de gekochte zaak (non-conformiteit, art. 7:17 BW) is de bijzondere verjaringsbepaling van artikel 7:23, tweede lid, BW van toepassing, niet de termijn van artikel 3:52, eerste lid, sub c, BW. De koper dient de verkoper binnen bekwame tijd na de ontdekking van de non-conformiteit (d.w.z. i.c. zwamvorming) daarvan kennis te geven (dat is i.c. op 20 januari door K gedaan). Daarna begint de verjaringstermijn van twee jaren te lopen. De bepaling geldt voor alle rechtsvorderingen die daarop berusten dat de zaak niet aan de overeenkomst voldoet, dus ook die op grond van wilsgebreken (NB: arrest Pouw-Visser, leereenheid 12, tekstboek deel 1 nr. 224). Aangezien in casu de door artikel 7:23, eerste lid, BW vereiste kennisgeving op 20 januari is geschied, zal de vordering krachtens artikel 7:23, tweede lid, BW op 21 januari 2006 verjaard zijn. NB: artikel 3:52 BW is in casu niet van toepassing. Dat in casu geen sprake is van een consumentenkoop doet aan de toepasselijkheid van artikel 7:23 BW niet af.

29

1. Op welke twee andere leerstukken naast ontbinding kan een teleurgestelde koper zoals K een beroep doen om onder de koopovereenkomst uit te komen? Verwerk in uw antwoord de kans op succes van deze twee aan K ter beschikking staande mogelijkheden. Verwerk in uw antwoord tevens relevante jurisprudentie met betrekking tot de onderzoeks- en mededelingsplichten van partijen. Verwerk in uw antwoord tevens een reactie op het verweer van V dat K zich bij de koop door een architect heeft laten bijstaan en K zich derhalve niet op een tekortkoming kan beroepen.

K kan een beroep doen op artikel 3:44, eerste lid jo derde lid, BW en de overeenkomst vernietigen, omdat zij door bedrog tot stand is gekomen. Bedrog is aanwezig, wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen of door een andere kunstgreep. Bij bedrog geldt voor de koper geen onderzoeksplicht (tekstboek deel 1, nr. 180). Aanprijzingen in algemene bewoordingen, ook al zijn ze onwaar, leveren op zichzelf geen bedrog op. Het niet-meedelen van gebreken die de verkoper niet kent, is geen bedrog. Voor bedrog is tenminste nodig dat de verkoper welbewust zwijgt. Bovendien moet aannemelijk worden gemaakt dat de bedrogene zonder de kunstgreep de overeenkomst niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten (causaal verband). De casus stelt dat V de zwamvorming ten tijde van de koop kende, maar deze niet ernstig nam. In casu kan dan ook niet worden bewezen dat er sprake is van het verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen en dat koper K daardoor tot het sluiten van een overeenkomst is gebracht, die K anders niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou zijn aangegaan.
Conclusie: de overeenkomst zal niet met succes op grond van bedrog kunnen worden vernietigd.

K kan tevens een beroep doen op dwaling (art. 6:228 BW). Een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, is vernietigbaar.

In casu is er sprake van dwaling, dat wil zeggen de afwezigheid van een juiste voorstelling van zaken en van een causaal verband tussen de dwaling en het tot stand komen van de overeenkomst; K zou immers de koop niet of onder dezelfde voorwaarden hebben gesloten als de werkelijke toestand van de vloer bekend zou zijn geweest. De kwaliteit van de vloer is immers essentieel voor K die de woning op korte termijn wil betrekken. Vervolgens moet worden vastgesteld of een van de drie limitatief in artikel 6:228 BW opgesomde gevallen zich in casu voordoet. In casu kan K een beroep doen op artikel 6:228, eerste lid, sub b, BW indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten.

Uit de casus is niet af te leiden dat deze overeenkomst ook met kennis over de gesteldheid van de vloer zou zijn gesloten. In casu kan immers gevoeglijk worden aangenomen dat indien K zou hebben geweten van de werkelijke gesteldheid van de vloer, deze kennis K zou hebben weerhouden van het sluiten van de koopovereenkomst.
Blijft over de vraag of artikel 6:228, tweede lid, BW van toepassing is. De vernietiging kan niet worden gegrond op een dwaling die een uitsluitend toekomstige omstandigheid betreft (i.c. niet van toepassing omdat de zwamvorming op het moment van het sluiten van de koopovereenkomst al aanwezig was) of die in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval voor rekening van de dwalende behoort te blijven. De casus bevat geen aanwijzingen dat de dwalingskans uitdrukkelijk of stilzwijgend in de overeenkomst is opgenomen. Integendeel, aangezien er sprake is van een marktconforme, dat wil zeggen geen opvallend lage prijs, ligt eerder voor de hand dat de koper mocht aannemen dat de woning zonder buitengewone kosten op korte termijn bewoonbaar zou zijn.

De onderzoeksplicht van de dwalende vloeit voort uit de in het tweede lid genoemde verkeersopvattingen en kan meebrengen dat de dwaling voor rekening van de dwalende behoort te blijven (arrest Baris-Riezenkamp). Een onderzoeksplicht wordt in het algemeen snel aangenomen voor gebreken die eenvoudig te ontdekken zijn (daarvan blijkt uit de casus niets). Bij de onderzoeksplicht van de dwalende gaat het erom dat de dwalende redelijkerwijs voldoende in het werk heeft gesteld om de onjuiste voorstelling van zaken te ontdekken. Bij de afweging of de dwalende aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan speelt een belangrijke rol of een van beide partijen deskundig is op het terrein waarop de overeenkomst wordt gesloten. Dit aspect kan worden ondergebracht bij de omstandigheden van het geval. Een deskundige dwaler zal eerder zijn onderzoeksplicht schenden en een beroep op dwaling hierop zien afstuiten, mede afhankelijk van het aandeel dat de deskundige in het tot stand komen van de rechtshandeling heeft (de casus bevat daarover geen gegevens). De verkoper zal minder snel zijn mededelingsplicht schenden, indien hij tegenover een door een deskundige bijgestane koper staat.
Deskundigheid is een van de omstandigheden (maar niet het enige!) die bepalen of een beroep op dwaling kan worden gehonoreerd (zie tekstboek Overeenkomstenrecht, nr. 170).
In casu lijkt K als ondeskundige koper door het inschakelen van een architect aan zijn onderzoeksplicht te hebben voldaan. De casus vermeldt bovendien niet dat het gebrek eenvoudig was te ontdekken en door een deskundige architect ontdekt had moeten worden.
De omvang van de onderzoeksplicht van de koper hangt ten nauwste samen met het gedrag van de wederpartij. De verkoper heeft een mededelingsplicht indien hij weet of moet weten dat de zaak voor normaal gebruik of gezien wat hij weet over het bijzondere gebruik dat de koper voor ogen staat, ongeschikt is. Deze regel heeft juist ook als strekking om onvoorzichtige kopers te beschermen (arresten Van Geest-Nederlof en Offringa-Vinck&Rosberg, tekstboek nr. 169). In casu kan bewezen worden dat V op de hoogte was van de zwamvorming, zodat op V de plicht lag de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist (met name de beoogde ingebruikneming op korte termijn) in te lichten (art. 6:228, eerste lid, sub b, BW). Gelet op zijn eigen houding kan de verkoper dan niet aan de koper ex artikel 6:228, tweede lid, BW tegenwerpen dat hij zelf (of zijn architect) nader onderzoek had moeten verrichten.
NB: doordat er sprake is van dwaling op grond van verzwijging (art. 6:228, eerste lid, sub b, BW) is er in casu geen reden om een beroep te doen op wederzijdse dwaling (art. 6:228, eerste lid, sub c, BW).

30

2. V stelt voor de uit de zwamvorming voortvloeiende extra kosten te vergoeden. V stelt bovendien dat K door de aangeboden schadevergoeding niet meer bevoegd is om de overeenkomst te ontbinden (stelling van V). K wil desondanks van de koop af. Bij toewijzing van welke van de drie aan K ter beschikking staande vordering(en) kan de rechter de koopovereenkomst onder toekenning van een schadevergoeding in stand houden? Geef in uw antwoord ook aan op welke grond dit bij de andere vordering(en) niet mogelijk is. Verwerk in uw antwoord relevante jurisprudentie en aan de hand van relevante jurisprudentie een reactie op de stelling van V.

Op grond van artikel 6:230, tweede lid, BW kan de rechter in het geval dat een beroep op dwaling wordt toegewezen, op verlangen van een der partijen, in plaats van de vernietiging uit te spreken, de gevolgen van de overeenkomst ter opheffing van dit nadeel wijzigen. Bij bedrog bestaat deze mogelijkheid niet, artikel 3:54 BW geeft deze mogelijkheid uitsluitend in het geval van vernietiging door misbruik van omstandigheden. Artikel 6:270 BW geeft de mogelijkheid tot gedeeltelijke ontbinding (in casu d.m.v. prijsverlaging). Echter: ́Indien de wanprestatie van een contractspartij van dien aard is dat zij in beginsel ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt (i.c. het geval), heeft de partij jegens wie deze wanprestatie is gepleegd, de keuze tussen de hem, mede als gevolg van die wanprestatie, ten dienste staande bevoegdheden. Geen regel van recht brengt dan mee dat van ontbinding zou behoren te worden afgezien op de enkele grond dat de schuldeiser door een alternatief – bijvoorbeeld nakoming met schadevergoeding – niet in een wezenlijk nadeliger positie zou komen te verkeren, laat staan dat de rechter deze mogelijkheid ambtshalve zou dienen te onderzoeken ́, aldus de HR in de arresten Tromp- Regency, Twickler-R en Mol-Meijer (leereenheid 2.7). De stelling van V is derhalve onjuist. Daarmee onderscheidt ontbinding zich dus van een vernietiging op grond van dwaling waarbij ex artikel 6:230 BW een overeenkomst wel kan worden aangepast (vgl. het arrest Luycks-Kroonenberg, leereenheid 2.7, zie ook tekstboek deel 1 nr. 215).

Decks in Overeenkomstenrecht Class (63):