H16: Gezinsonderzoek (HOC 5) Flashcards

1
Q

Wat is inhoudelijk belangrijk als je het gezinsdraagvlak gaat betrekken?

A
  1. De opbouw van het systeem
  2. Het functioneren van het gezin
  3. Disfunctionele processen van het gezin onderkennen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat is de opbouw van het systeem?

A

De gezinssamenstelling

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wat is het functioneren van het gezin?

A

Een unieke mix van structuur en dynamiek, relatief vaste tegenover veranderlijke eigenschappen. Het is tegelijk onderwerp en actor van zichzelf.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat zijn disfunctionele processen?

A

processen die kindproblemen veroorzaken, in stand houden of verergeren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Waaruit kunnen disfunctionele processen ook voortkomen?

A

Een badness-of-fit tussen het kind en 1 of meerdere gezinsleden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Waarom hebben functionele processen diagnostisch belang?

A

Omdat ze bronnen van steun en veerkracht bevatten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat zijn de basistaken van het gezinsonderzoek?

A
  • Cognitief: gezinsdraagvlak objectiveren in al zijn dimensies
  • Emotioneel: meervoudige taken
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Hoe kun je het gezinsdraagvlak objectiveren?

A
  • Vooral door observeren, maar dit zijn steekproeven
  • Vragenlijsten, maar dit is niet expliciet
  • Gesprek
  • Belevingsproeven
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Welke onderdelen van het gezinsdraagvlak kun je niet adhv vragenlijsten meten, maar wel op welke andere manieren afleiden?

A

Gezinsdynamiek: consistentie, differentiatie, subsystemen en globale goodness-of-fit

Je moet ze uit een meta-analyse afleiden, waarin het FACE’ogram je ondersteunt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Wat zijn de uitdagingen van het gezinsonderzoek?

A
  • De curvilineariteit ( = de extremen in het gezinsfunctioneren zijn een risico)
  • Afstemmen van advies op de noden van het kind in het gezin.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat kan de curvilineariteit van gezinnen onderbouwen?

A

Testnormen, alleen zijn dit normen gebaseerd op de socioculturele meerderheid van gezinnen en meten deze vragenlijsten eerder algemene vragen, terwijl gezinsklachten eerder concreet zijn

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Welke oplossingen zijn er voor de uitdagingen van het gezinsonderzoek?

A

Prioriteiten, structuur, concretiseren en expliciteren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat is de eerste info die je krijgt van het gezin?

A
  • Gezinssamenstelling: bij een modeltraject verken je die transgenerationeel
  • Leeffase
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Op welke manier verzamel je informatie over de gezinssamenstelling en leeffase?

A

Gesprek en observatie: hierna kun je efficiënt van een snel- naar een modeltraject evolueren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Hoe ga je in een snel- en modeltraject om met de gezinssamenstelling en leeffase?

A

Sneltraject: bevragen met bronvermelding om discrepanties te ontdekken
Modeltraject: genogram en van daaruit verdere diagnostische vragen afleiden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat drukt het gezinsfunctioneren uit?

A

Hoe het gezin leeft

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Wat is bepalender: gezinssamenstelling, leeffase of gezinsdynamiek?

A

De dynamiek, daarom moeten we deze zo fijnmazig mogelijk beschrijven en begrijpen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Wat houdt de gezinsdynamiek in?

A
  • Observeerbare gezinsgedrag
  • Gezinsbelevingen
  • Gezinsovertuigingen van opvoeders
  • Vaardigheden van opvoeders om gezin cognitief en emotioneel te besturen
  • Consistentie en differentiatie
  • Goodness-of-fit
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Wat is de uitdaging bij de meting van het gezinsfunctioneren?

A

Om zo objectief mogelijk te zijn.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Wanneer diagnosticeer je krachtgericht?

A

Wanneer je naast de knelpunten ook de sterkten onderkent voor het kindtraject

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Is er veel testonderzoek voor gezinsfunctioneren? Welke testen?

A

Nee, het is eerder schaars, je hebt de GVL en VGFO.
Deze focussen vooral op opvoeding, maar de schalen gezinsorganisatie van de GVL en de algemene uitkomst van de VGFO benoemen het gezinsfunctioneren

22
Q

Welke opmerking moet je altijd maken als je gezinstesting doet?

A

Dat deze niet gebaseerd is op cultureel diverse populaties. Het zijn dus geen ideografische vergelijkingen

23
Q

Wat is de uitwerking van het gezinsonderzoek in een modeltraject?

A

Richtvragen en gezinsverhaal ondersteunen gesprekken.
Cognitief: Hoe verloopt de gezinsorganisatie in de praktijk? Welke culturele overtuigingen zijn er?
Emotieregulatie: welke gevoelens uiten de gezinsleden tov elkaar? Is het gezin te reactief of te weinig empathisch? Emotionele vaardigheden zijn een bron van veerkracht

24
Q

Wat is het gezinsverhaal?

A

Hoe ieder de gezinsbelevingen en ervaringen actief construeert. Dit staat open voor de interpretatiebias en dient als ruw materiaal in de bijlagen opgenomen te worden.

25
Q

Wat is de belangrijkste diagnostische vraag bij het gezinsonderzoek?

A

In hoeverre het hele gezinssysteem afgestemd is op de noden van het kind en er dus geen mate van gezinsdysfunctie is.

26
Q

Hoe zien een snel- en modeltraject eruit bij het goodness-of-fitonderzoek?

A

Model: je neemt de meta-analyse van de globale goodness-of-fit grondig door
Snel: hoofdvragen rond goodness of fit je oordeel over de gezinsrol in de kindproblemen te onderbouwen

27
Q

Hoe pas je het gezinsonderzoek toe in een snel- en modeltraject?

A

Snel: gezinssamenstelling en leeffase, gezinsdynamiek, GVL en/of VGFO
Model: dieper ingaan op gezinsorganisatie, emotionele gezinsklimaat, risicosignalen in de globale goodness-of-fit, gezinsverhaal, genogram

Risicotaxatie is altijd aan de orde

28
Q

Van wie is de beleving van het gezin cruciaal?

A

Van het kind zelf. De draaglasten en -krachten kunnen verschillen voor het kind of gelijklopen met andere gezinsleden, maar dat weet je pas als je het onderzoekt bij het kind

29
Q

Welke genormeerde, gestandaardiseerde en Nederlandstalige testen zijn er voor de kindbeleving in het gezinsonderzoek?

A

De Familie relatie test (FRT)

30
Q

Wat is de basisscreening bij de kindbeleving van het gezinsonderzoek?

A

Als de kindaanmelding a priori niet gaat over opvoeding of gezin zelf, kun je met basisvragen de kindbeleving over het kind screenen

31
Q

Wat is een uitdaging bij het meten van de kinderbeleving van het gezinsonderzoek? Wat is een oplossing?

A

Het kind neutraal bevragen, daarom is een direct gesprek vaak niet de meest optimale manier. Belevingsproeven zijn passender omdat ze meer begeleiding geven en kinderen minder beïnvloeden

32
Q

Wat is het modeltraject van de kindbeleving?

A

Het is belangrijk een afweging te maken tussen het verfijnd beeld dat je wilt creëren van het kind en de belasting voor het kind.
* FRT
* (Dynamische) Gezinstekening
* Belevingsproeven

33
Q

Wat is het verschil tussen een gezinstekening en een dynamische gezinstekening?

A

Bij een gezinstekening tekent het kind een gezin, bij een dynamische gezinstekening tekent het kind het gezin in actie

34
Q

Waarom zijn gezinstekeningen niet optimaal?

A

De interpretatie is een zorg, er is te weinig gevalideerde, theoretische of empirische onderbouwing. Intuïtieve, kwalitatieve interpretatie is gebruikelijk.

35
Q

Welke twee valkuilen zijn er bij de interpretatie van gezinstekeningen?

A
  1. Je oordeel wordt vaak bepaald door 1 of enkele kenmerken
  2. Er wordt geen rekening gehouden met de leeftijd van het kind
36
Q

Wat is het risico van gezinstekeningen?

A

Je loopt het risico om een kenmerk als uitzonderlijk te zien, terwijl dit gebruikelijk is. Een minimum aan empirische onderbouwing is daarom nodig.

37
Q

Welke tekenproef is wel min of meer gestandaardiseerd?

A

De familie-in-dierentest (FID-R)

38
Q

Waaruit bestaat de FID?

A
  • Vaste afname
  • Semi-gestandaardiseerde navraag
  • Een scoring van ontwikkelings- en belevingssignalen
39
Q

Hoe verlopen de model- en sneltrajecten voor de kindbeleving in het gezinsonderzoek?

A

Snel: FRT
Model: combinatie van proeven

40
Q

Op welke manier is de bredere omgeving van belang voor het gezinsonderzoek?

A

De sociaaleconomische status is belangrijk

41
Q

Waaruit bestaat de SES over het algemeen?

A

Opleidingsniveau
Beroep
Inkomen

42
Q

Wat gebeurt er met de invloed van de omgeving naarmate het kind ouder wordt?

A

De omgeving speelt een directere rol los van van opvoeders of gezin. Dit kan een negatieve blootstelling geven aan risico’s, maar ook positief zijn als er steun is in de omgeving

43
Q

Wat is gemeenschappelijk aan de omgevingsinvloeden?

A

Dat er een relatief beperkte invloed is die het kind en in zekere mate gezinsleden erover hebben.

44
Q

Welk onderscheid maak je in de omgeving?

A
  • Levensgebeurtenissen
  • Leefomstandigheden
45
Q

Hoe evalueer je leefomstandigheden en levensgebeurtenissen?

A

In 3 stappen:
1. Inventarisatie van aantal en aard
2. Wat zijn hun subjectieve effecten?
3. Wat zijn de cumulatieve of cascade-effecten voor de stressbalans?

46
Q

Wat is de basisscreening van de brede omgeving?

A

Snel: basisinformatie rond de SES en negatieve levensgebeurtenissen: gebruik interdisciplinaire input

47
Q

Welke genormeerde Nederlandstalige, gepubliceerde instrumenten zijn er om de bredere omgeving te testen? Welke andere instrumenten kun je gebruiken?

A

Geen
Je kan wel de schaal ‘sociaal netwerk’ van de gezinsvragenlijst gebruiken om de menselijke bronnen van steun te screenen
De VMG screent 15 gebeurtenissen en vraagt hoe het kind de situatie ervaren heeft.

48
Q

Wanneer is een modeltraject voor de omgevingsscreening gepast?

A

Als de kindaanmelding gepaard gaat met een manifest belast omgevingsdraagvlak.

49
Q

Wat doe je bij het modeltraject van de omgevingsscreening?

A
  1. Leefomstandigheden en levensgebeurtenissen + wisselwerking met kind
  2. Verborgen omgevingseffecten
  3. Extra aandacht aan veranderbare omstandigheden en de beleving
50
Q

Hoe ga je de omgeving screenen?

A

Door gesprek en observatie

51
Q

Wat zijn het snel- en modeltraject van de brede omgeving?

A

SES, levensgebeurtenissen, sociaal netwerk van de GVL en VMG
Als er signalen zijn van een belast omgevingsdraagvlak: verdiep leefomstandigheden en levensgebeurtenissen

52
Q

Wat zijn snel- en modeltraject van het gezinsonderzoek?

A

snel: screening: basisvragen, GVL, FRT, VMG
model: verdiepend in gesprekken, FACE’ogram