hoofdstuk 1 Flashcards Preview

Lichaam en mond > hoofdstuk 1 > Flashcards

Flashcards in hoofdstuk 1 Deck (26):
1

membranen

duidelijke afgelijnde vet- of olieachtige zones

2

4 macromoleculen

- suikers, lipiden, eiwitten en nucleïnezuren (ook wel biomoleculen genoemd)

3

anorganische moleculen(3)

zuurstof, water en ionen

4

polair

hydrofiel / wateraantrekkend

5

ander woord voor apolair

lipofiel of vetoplosbaar

6

enkelvoudige suikers

monosachariden

7

uit welke atomen bestaan monosachariden? (3) (enkelvoudige suikers)

C, H en O

8

glyceraldehyde en dihydroxyaceton

eenvoudigste monosachariden

9

benaming;
3 C-atomen
4 C-atomen
5 C-atomen
6 C-atomen
7 C-atomen

3 = triose
4 = tetrosen
5 = pentosen
6 = hexosen
7 =heptosen

10

apolair

hydrofoob / waterafstotend

11

disachariden

meervoudige suikers --> 2 aan elkaar gekoppelde monosachariden

12

polysachariden

heel veel aan elkaar gekoppelde monosachariden

13

lipiden

vetten

14

functies van lipiden (2)

- reserve functie van de neutrale lipiden
- structurele functie van de fosfolipiden --> bouwsteen voor de membranen

15

vetzuur

CH3 - (CH2)n - COOH

16

vetten

neutrale lipiden die bij normale temperatuur vast zijn

17

oliën

neutrale lipiden die vloeibaar zijn bij normale temperatuur

18

fosfolipiden

samengestelde lipiden en zijn opgebouwd uit glycerol, 2 vetzuren, fosfaatgroep en een base

19

hoe ontstaat in water dubbellagen

hydrofiele groepen gaan zoveel mogelijk in contact met het omringende water staan, terwijl de apolaire groepen niet met water in contact staan maar uitsluitend met elkaar of met andere waterafstotende stoffen in de buurt in aanraking komen

20

functies eiwit (4) + uitleg

- enzymatische werking; katalyseren chemische reacties waardoor stofwisseling versneld en gereguleerd kan worden
- structurele functie
- trandportproteïne
- defensieve functie; beschermen het organisme tegen lichaamsvreemde deeltjes

21

aminozuur bevat 2 groepen;

- carboxylgroep (-COOH) + aminogroep (-NH2)

22

nucleïnezuren

stoffen met zure eigenschappen die zich in de kern van de dierlijk en plantaardige cellen bevinden

23

bouwstenen van nucleïnezuren

nucleotiden

24

nucleotiden bestandsdelen (3)

pentosesuiker, fosfaatgroep en een base

25

5 basen + afkorting

A = adenine
G = guanine
T = thymine
U = uracil
C= cytosine

26

2 functies DNA

- molecule waarin de kenmerken van het organisme liggen opgeslagen
- kenmerken van de ouders worden naar hun kinderen doorgegeven