hoofdstuk 2 Flashcards Preview

Lichaam en mond > hoofdstuk 2 > Flashcards

Flashcards in hoofdstuk 2 Deck (29):
1

perifere proteïnen

buitenkant van het membraan gelokaliseerd

2

integrale proteïnen

zitten dieper in het membraan (kan zelfs ook transmembranair)

3

welke invloed voert cholesterol op het membraan?

belangrijke invloed op de vloeibaarheid

4

celmembraan

actieve filter die selectief voedingsstoffen naar binnen transporteert en afvalstoffen naar buiten laat diffunderen

5

glycocalyx

laag van koolhydraatketens

6

functies plasmamenbraaneitwitten

receptoren, kanalen, dragerstoffen, enzymen, verankering of als herkenning

7

osmose

beweging van watermoleculen doorheen een membraan

8

isotoon

2 oplossingen hebben dezelfde osmotische waarde

9

hypertone

een oplossing heeft een hogere osmotische waarde

10

hypotone

een oplossing heeft een lagere osmotische waarde

11

passief transport

vind spontaan plaats --> wanneer de cel zelf geen energie levert om het transport te laten plaatsvinden

12

actief transport

als voor de passage van een bepaalde stof de cel energie moet leveren

13

vesiculair transport

bijzondere vorm van actief transport --> stoffen in membraanblaasjes worden verpakt en in en uit de cel verplaatst

14

welk middel zorgt voor passief transport?

diffusie

15

geleide of gefaciliteerde diffusie

passief transport dat gemedieerd wordt met behulp van transportproteïnen

16

GLUT

glucosetransporter

17

stelling; passief transport gaat van hoge concentratie naar lage concentratie

juist

18

stelling; actief transport gaat van lage concentratie naar hoge concentratie

juist

19

wat wordt omgezet bij actief transport?

ATP naar ADP

20

ATP

adenosine trifosfaat

21

ADP

adenosine difosfaat

22

primair actief transport

energie kan rechtstreeks tijdens het transport worden aangewend

23

secundair actief transport

wanneer de energie niet rechtstreeks wordt aangewend onder de vorm van ATP

24

ander woord voor vesiculair transport

blaasjestransport

25

receptorgemedieerde endocytose

produceert vesikels met hoge concentraties van specifiek doel molecule. receptoren op het celmembraan binden specifieke doelmoleculen zoals transporteiwitten of hormonen

26

pinocytose

er worden door een diepe instulping van de celmembraan kleine blaasjes gevormd die met extracellulaire vloeistof gevuld zijn

27

fagocytose

er worden blaasjes gevormd met daarin een waarneembaar deeltje zoals een bacterie of andere vreemde stof. pseudopodia omsluiten het deeltje en de membranen versmelten waardoor een blaasje ontstaat

28

stappen van receptor gemedieerde endocytose (7)

1.) liganden binden zich aan receptoren in celmembraan
2.) gebieden die met liganden zijn bedekt vormen diepe instulpingen
3.) instulpingen snoeren zich af en vormen blaasjes
4.) blaasjes versmelten met lysosomen
5.) liganden worden verwijderd en in het cytoplasma opgenomen
6.) de membraan die het receptormolecuul bevat, scheidt zich van het lysosoom
7.) het blaasje keert terug naar het oppervlak

29

7 stappen fagocytose

1.) fagocyt komt in contact met vreemd voorwerp en stulpt zich eromheen met pseudopodia
2.) pseudopodia bewegen zich naar elkaar toe en versmelten
3.) het blaasje verplaatst zich in het cytoplasma
4.) lysosomen versmelten met het blaasje
5.) door de versmelting worden verteringsenzymen geactiveerd
6.) enzymen breken het gefagocyteerde materiaal af
7.) restmateriaal wordt via exocytose de cel uit getransporteerd