L14: De gevolgen van de overeenkomst ten aanzien van derden 2 Flashcards Preview

Overeenkomstenrecht > L14: De gevolgen van de overeenkomst ten aanzien van derden 2 > Flashcards

Flashcards in L14: De gevolgen van de overeenkomst ten aanzien van derden 2 Deck (20):
1

Kan degene die in een overeenkomst heeft bedongen dat hij niet aansprakelijk zal zijn voor aan de wederpartij toegebrachte schade, deze exoneratieclausule ook tegenwerpen aan een derde, indien deze hem aanspreekt tot vergoeding van schade op grond van onrechtmatige daad? 

Verschillende wetsbepalingen geven een contractspartij de bevoegdheid zich tegenover een derde te beroepen op een uit overeenkomst voortvloeiend verweermiddel (zoals een exoneratiebeding). Voorbeelden hiervan vormen onder andere de artikelen 6:107, tweede lid, BW en 6:108, derde lid, BW (handelend over schadevergoeding bij letsel, resp. overlijden). 

2

Hoe kijkt de HR naar derdenwerking?

Buiten de specifiek door de wetgever geregelde gevallen bestaat echter grote onzekerheid. Door de Hoge Raad is een dergelijke derdenwerking van exoneratiebedingen in een aantal gevallen aanvaard. 

3

Arrest Gegaste Uien?

Gegaste uien
Allereerst de casuspositie welke aanleiding gaf tot het arrest HR 7 maart 1969, NJ 1969, 249 (Gegaste uien) (zie ook #g. 14.1 en tekstboek nr. 305).

 

De Klerk had aan de Roteb (de reinigingsdienst van de gemeente Rotterdam) opdracht gegeven om uien die in cellen van De Klerk waren opgeslagen (en die door insecten waren aangetast) door gassing te ontsmetten. In de cellen bevonden zich uien die gedeeltelijk aan De Klerk, gedeeltelijk aan Noordermeer toebehoorden. Voor de Roteb was niet duidelijk kenbaar dat de in de cellen opgeslagen uien niet alle toebehoorden aan De Klerk. Noordermeer had De Klerk toestemming gegeven tot het laten gassen van de uien.
Bij de afspraak met De Klerk tot het gassen van de uien had de Roteb bedongen dat hij (c.q. de gemeente) niet aansprakelijk zou zijn indien aan de uien schade zou ontstaan door de ontsmettingsbehandeling.
Bij het gassen van de uien handelde de Roteb onzorgvuldig door zich niet strikt te houden aan de voorschriften bij het ontsmettingsmiddel. Daardoor moesten de uien na de behandeling vernietigd worden. Daarop sprak Noordermeer de Roteb (c.q. de gemeente) aan tot vergoeding van schade op grond van onrechtmatige daad. Hiertegen voerde de Roteb (de gemeente) aan, dat in de overeenkomst met De Klerk een exoneratieclausule was opgenomen.

 

FIGUUR 14.1

Kan Roteb, aangesproken uit onrechtmatige daad door Noordermeer, haar exoneratiebeding tegenover De Klerk ook tegen Noordermeer inroepen?

De Hoge Raad aanvaardde derdenwerking van de exoneratieclausule en achtte daarbij de volgende omstandigheden van belang:

De uien van Noordermeer lagen in de cellen van De Klerk.

Noordermeer had De Klerk geheel de vrije hand gelaten bij het regelen van de opdracht tot het gassen van de uien.

Daardoor had Noordermeer een situatie in het leven geroepen waarin de Roteb erop mocht vertrouwen dat de aansprakelijkheidsbeperking voor alle bij De Klerk opgeslagen uien zou gelden. 

4

Arrest Securicor?

Securicor

De casuspositie welke aanleiding gaf tot het arrest HR 12 januari 1979, NJ 1979, 362 (Securicor) was als volgt (zie ook #g. 14.2).

 

De bank Vlaer en Kol kwam met de Makro overeen dat de bank elke werkdag bij elk der vestigingen van Makro de kasontvangsten zou laten ophalen door een, door Vlaer en Kol in te schakelen, vervoerder. Ter uitvoering hiervan had de bank op eigen naam een overeenkomst gesloten met Securicor, een geldtransportbedrijf. Securicor had daarbij bedongen dat zijn aansprakelijkheid voor schade beperkt zou zijn tot een bepaald bedrag per vervoerde zak geld.
Medewerkers van Securicor gingen dagelijks geld halen bij de Makro-vestigingen. Bij een van deze bezoeken hielden de medewerkers zich niet strikt aan de veiligheidsmaatregelen die zij in acht moesten nemen. Als gevolg daarvan werden enige zakken geld geroofd.
Daarop sprak de Makro Securicor, als werkgever (zie art. 6:170 BW), aan tot vergoeding van de schade tengevolge van het onrechtmatig handelen van de medewerkers. Hiertegen voerde Securicor aan dat in zijn overeenkomst met Vlaer en Kol een aansprakelijkheidsbeperking was opgenomen.

 

FIGUUR 14.2

 

Kan Securicor, aangesproken uit onrechtmatige daad door Makro, haar exoneratiebeding tegenover de bank ook tegen Makro inroepen?

De Hoge Raad aanvaardde derdenwerking van de exoneratieclausule en achtte daarbij de volgende omstandigheden van belang:

Securicor maakte zijn bedrijf van het vervoeren van geld van derden.

Tussen Vlaer en Kol en de Makro was uitdrukkelijk overeengekomen dat het transport

door Securicor zou worden uitgevoerd.

Er was dagelijks contact tussen de Makro en (medewerkers van) Securicor.

Hieruit leidde de Hoge Raad af dat de Makro het exoneratiebeding in redelijkheid tegen zich moest laten gelden tenzij zich een bijzondere omstandigheid zou voordoen. Zo’n bijzondere omstandigheid zou er zijn:

indien de aansprakelijkheidsbeperking van dien aard was dat de Makro met het bestaan van een dergelijk beding geen rekening hoefde te houden. Hierbij speelt een rol dat de Makro eveneens bedrijfsmatig handelde en uit dien hoofde bedacht kon zijn op het gebruik van aansprakelijkheidsbedingen door geldtransportbedrijven. Op ongebruikelijke (extra bezwarende) bedingen hoefde de Makro evenwel niet bedacht te zijn. Het beding was echter niet ongebruikelijk indien de Makro op grond van gedragingen van Securicor of andere, aan Securicor bekende omstandigheden erop mocht vertrouwen dat de aansprakelijkheidsclausule niet tegen hem zou gelden.

Van dergelijke bijzondere omstandigheden was volgens de Hoge Raad geen sprake. Er speelden dus vele factoren een rol bij deze uitspraak. Het is verstandig deze nog eens op een rijtje te zetten:

Het ging om het vervoeren van geld voor derden (een zeer specifieke bezigheid; het is een overeenkomst met een heel eigen aard).

Securicor deed dat bedrijfsmatig.

Tussen Vlaer en Kol en de Makro was van tevoren afgesproken dat er een derde zou worden ingeschakeld bij het vervoeren van het geld.

Ook Vlaer en Kol en de Makro handelden bedrijfsmatig.

Er was regelmatig contact tussen Securicor en de Makro.

De exoneratieclausule was niet ongebruikelijk van inhoud.

Er was geen sprake van gedragingen van Securicor of van andere omstandigheden die bij de Makro de schijn hadden kunnen opwekken dat de exoneratieclausule niet tegen de Makro zou gelden. 

5

Arrest Citronas?

Citronas
De casuspositie welke aanleiding gaf tot het arrest HR 20 juni 1986, NJ 1987, 35 (Citronas) is duidelijk weergegeven in de rechtsoverwegingen 3.1 t/m 3.3 van de HR. Lees deze rechtsoverwegingen door.

 

FIGUUR 14.3

Kan Deka-Hanno, aangesproken uit onrechtmatige daad door Citronas, haar exoneratiebeding tegenover de cargadoor ook tegen Citronas c.s. inroepen?

• In dit geval aanvaardde de Hoge Raad geen derdenwerking van het exoneratiebeding.
De Hoge Raad begint met de vermelding van de hoofdregel, dat contractuele bedingen alleen van kracht zijn tussen partijen. Daaraan voegt de Hoge Raad toe dat op dat uitgangspunt soms een uitzondering kan worden aanvaard, maar dan toch alleen als daarvoor voldoende rechtvaardiging kan worden gevonden in de aard van het desbetreffende geval. Daarbij moet onder meer worden gedacht aan:

het op gedragingen van de derde terug te voeren vertrouwen van degene die zich op het beding beroept, dat hij dit beding zal kunnen inroepen terzake van hem door zijn wederpartij toevertrouwde goederen. Hierbij verwijst de Hoge Raad naar het arrest Gegaste uien.

de aard van de overeenkomst en het desbetreffende beding in verband met de bijzondere relatie waarin de derde staat tot degene die zich op het beding beroept. Hierbij verwijst de Hoge Raad naar het arrest Securicor.

Daarbij moet echter mede rekening worden gehouden met het stelsel van de wet, in het bijzonder indien de wet aan bepaalde daarin geregelde overeenkomsten, binnen zekere grenzen, werking jegens derden toekent en het desbetreffende geval in dit stelsel moet worden ingepast. 

Past men de criteria van het arrest Securicor toe op de casuspositie van het arrest Citronas, dan kan het volgende worden opgemerkt:

Alle partijen handelden bedrijfsmatig.

Wie regelmatig goederen laat vervoeren over zee (zoals Citronas), weet dat

daarbij stuwadoors worden ingeschakeld.

Citronas kon om dezelfde reden bedacht zijn op het bestaan van algemene stuwadoorsvoorwaarden.

Het beding was niet ongebruikelijk.
Deze opsomming tendeert naar een aanvaarding van de derdenwerking van het exoneratiebeding. Een duidelijk verschil is echter gelegen in het feit dat tussen Citronas en Deka-Hanno geen regelmatig, dagelijks contact was. Bovendien zijn in de wettelijke regeling van de overeenkomst betreffende vervoer over zee, nu juist wel enige bepalingen opgenomen met betrekking tot de derdenwerking van contractuele bedingen. In dat stelsel moest, volgens de Hoge Raad, het geval van Citronas worden ingepast. Deze wettelijke bepalingen houden echter juist in dat de daarin geregelde derdenwerking niet geldt voor stuwadoors. Daarmee was het lot van Deka-Hanno bezegeld. 

6

Bestaat er een systeem op het punt van derdenwerking van exoneratiebedingen ten nadele van derden?

De eindconclusie moet zijn dat op het punt van de derdenwerking van exoneratiebedingen ten nadele van derden nog geen duidelijk systeem bestaat, behoudens enkele speci#eke wettelijke bepalingen.Inmiddels heeft de wetgever derdenwerking zoals in het arrest Gegaste uien in artikel 7:608 BW gecodificeerd. 

7

Kan iemand die wordt aangesproken tot vergoeding van schade op grond van onrechtmatige daad, aan de benadeelde tegenwerpen dat deze benadeelde in een overeenkomst met een ander wel bereid is geweest een exoneratieclausule met betrekking tot diezelfde schade te aanvaarden? 

Voorbeeld

Verweermiddelen ten behoeve van een derde

P geeft aan A (aannemer) opdracht het dak van zijn huis te vernieuwen. Daarbij wordt afgesproken dat A tegenover P niet aansprakelijk zal zijn indien bij de uitvoering van het werk schade wordt toegebracht aan de eigendommen van P, hetzij door toedoen van A, hetzij door toedoen van ondergeschikten van A, hetzij op andere wijze. A schakelt een onderaannemer (O) in voor een bepaald onderdeel van de werkzaamheden, met medeweten van P. O handelt bij de uitvoering van het werk onzorgvuldig en veroorzaakt schade aan het huis van P. P spreekt O aan tot vergoeding van die schade op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). Deze situatie is schematisch weergegeven in figuur 14.4.

 

FIGUUR 14.4

 

Kan O, aangesproken uit onrechtmatige daad door P, de exoneratie ten gunste van A tegenover P laten werken?

Kan O nu aan P tegenwerpen dat in de overeenkomst tussen P en A een exoneratieclausule is opgenomen? Een dergelijke mogelijkheid lijkt niet onredelijk. Immers, P is kennelijk bereid geweest de kans dat bij het werk schade zou ontstaan aan zijn eigendommen, voor zijn rekening te nemen. Waarom zou dat gegeven niet doorwerken nu de schade toevalligerwijze is toegebracht door de onderaannemer? Toch stuit dit beroep van O op de niet door hem zelf gemaakte exoneratieclausule af op het uitgangspunt dat uit overeenkomsten geen rechten en bevoegdheden kunnen voortvloeien voor derden.
Precies dezelfde vraag zou zich voordoen indien de schade aan de eigendommen van P zou zijn ontstaan tengevolge van onzorgvuldig handelen van een ondergeschikte van A. Ook die ondergeschikte zou, indien hij door P werd aangesproken tot vergoeding van schade op grond van onrechtmatige daad, volgens de algemene beginselen geen beroep kunnen doen op de exoneratieclausule in de overeenkomst tussen A en P.
Slechts indien door A en P zou zijn overeengekomen dat niet alleen de aansprakelijkheid van A, maar ook de aansprakelijkheid van de ondergeschikten van A zou zijn uitgesloten, zou de ondergeschikte zich op die exoneratieclausule kunnen beroepen. Er zou dan immers een beding ten behoeve van derden (de ondergeschikten) zijn opgenomen. (Ook ten behoeve van niet-ondergeschikte hulppersonen kan natuurlijk een dergelijk derdenbeding zijn opgenomen.) Door dit beding te aanvaarden zou de ondergeschikte dan de bevoegdheid krijgen zich op de exoneratie te beroepen. Van de bedoeling om een dergelijk beding ten behoeve van derden op te nemen moet echter wel duidelijk blijken uit de overeenkomst, hetgeen in de praktijk heel vaak niet het geval is. 

8

Ten aanzien van de aansprakelijkheid van ondergeschikten bevat de wet echter een bijzondere regel?

Ten aanzien van de aansprakelijkheid van ondergeschikten bevat de wet echter een bijzondere regel: artikel 6:257 BW.  

9

Op welke verweermiddelen kan de ondergeschikte zich beroepen?

De ondergeschikte (B) kan zich op alle verweermiddelen beroepen waarop de werkgever zich (met betrekking tot zijn aansprakelijkheid voor gedragingen van de ondergeschikten) jegens de benadeelde zou kunnen beroepen op grond van zijn met die benadeelde gesloten overeenkomst (zie fig. 14.5). 

10

FIGUUR 14.5 Kan B, aangesproken uit onrechtmatige daad door P, het verweermiddel dat zijn werkgever ten opzichte van P heeft, te zijnen gunste inroepen? INVOEGEN PLAATJE

Daaronder vallen exoneratiebedingen, maar ook bijvoorbeeld een beroep op een verjaringstermijn of een vervaltermijn. Door deze bepaling wordt voorkomen dat de werkgever, ondanks zijn afspraak met de benadeelde, uiteindelijk toch verplicht zou zijn de schade te vergoeden. Dat zou zich namelijk als volgt kunnen voordoen. 

Blokkering van de paardensprong

Als P de ondergeschikte aansprakelijk stelt en de ondergeschikte vergoedt de

[page170image15632]

schade aan P, dan heeft de ondergeschikte krachtens artikel 6:170, derde lid, BW een recht van regres op zijn werkgever (A), behoudens wanneer aan de ondergeschikte opzet of bewuste roekeloosheid verweten kan worden. Door die regresmogelijkheid zou A verplicht zijn aan de ondergeschikte terug te betalen hetgeen deze aan P betaald zou hebben. A zou uiteindelijk toch de schade moeten betalen. Dit wordt nu voorkomen door de ondergeschikte een beroep op de exoneratieclausule te geven. Men spreekt in dit verband wel van blokkering van de paardensprong: voorkomen wordt namelijk dat de aanbesteder P de (juridische) paardensprong naar de ondergeschikte kan maken en via hem toch zijn contractspartij kan aanspreken. 

11

Beschermt artikel 6:257 ook de werknemer?

Artikel 6:257 BW beschermt daarnaast ook de ondergeschikte doordat deze, nu hij zich op de exoneratieclausule kan beroepen, niet verplicht is eerst de schade aan de benadeelde te vergoeden om daarna via een procedure te moeten proberen het bedrag weer terug te krijgen van zijn werkgever. Artikel 6:257 BW is ex artikel 6:250 BW dwingend recht. Een op artikel 6:257 BW gelijkende bepaling treft men aan bij de wettelijke regeling van het vervoer over zee (zie art. 8:365 BW). 

12

Mag art 6:257 analoog worden toegepast?

Artikel 6:257 BW mag niet te snel analogisch worden toegepast. Een algemene uitbreiding tot niet-ondergeschikte opdrachtnemers is in Boek 6 niet wenselijk geoordeeld (Parl. Gesch. Boek 6, blz. 964 e.v.). Niet-ondergeschikte hulppersonen, zoals een onderaannemer blijven derhalve in beginsel op het derdenbeding (art. 6:253 BW) aangewezen.

Daarmee is echter niet uitgesloten dat artikel 6:257 BW in voorkomende gevallen op niet-ondergeschikten, zoals bijvoorbeeld kleine onderaannemers, analoog wordt toegepast. De ontwikkeling van criteria daartoe is aan de rechtspraak overgelaten. Het ligt voor de hand om de gezichtspunten uit de arresten Gegaste uien, Securicor en Citronas op deze problematiek analoog toe te passen.

Een algemene blokkering van de paardesprong waarop ook niet-ondergeschikten zich kunnen beroepen kent de wet wel in artikel 7:608 BW bij bewaarneming en in artikel 8:363 BW bij de vervoersovereenkomst. 

13

Dat uit een overeenkomst in beginsel geen rechten en verplichtingen voor derden voortvloeien, betekent niet dat derden nimmer rekening zouden behoeven te houden met hetgeen door partijen is overeengekomen. 

Verklaar?

Dat uit een overeenkomst in beginsel geen rechten en verplichtingen voor derden voortvloeien, betekent niet dat derden nimmer rekening zouden behoeven te houden met hetgeen door partijen is overeengekomen. Zij zullen de overeenkomst onder omstandigheden moeten respecteren.

Indien A een overeenkomst sluit met B in de wetenschap dat B, bij de nakoming van die overeenkomst, contractbreuk zal plegen tegenover C, zijn wederpartij bij een eerder gesloten overeenkomst, bestaat de mogelijkheid dat de handelwijze van A als een onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) ten opzichte van C wordt gekwalificeerd.

Hetzelfde geldt voor het bewust profijt trekken van zo‘n wanprestatie (toerekenbare tekortkoming).

14

Het arrest Pos-Van den Bosch, HR 17 november 1967, NJ 1968, 42 staat model voor ?

Het arrest Pos-Van den Bosch, HR 17 november 1967, NJ 1968, 42 staat model voor het geval van uitlokken van wanprestatie door een derde. 

Van den Bosch was pachter van een perceel grond dat toebehoorde aan Neeltje Brouwer, een bejaarde ongetrouwde vrouw. In het pachtcontract was een clausule opgenomen waarin aan Van den Bosch het recht werd toegekend bij het overlijden van Neeltje het perceel grond en een daarnaast gelegen hoeve te kopen (een zgn. koopoptie).

Tijdens haar leven schonk Neeltje Brouwer de hoeve echter aan Pos, een achterneef die haar vermogen beheerde gedurende de laatste jaren van haar leven. Daarmee pleegde Brouwer wanprestatie tegenover Van den Bosch. Bij haar overlijden stond Van den Bosch met lege handen. De koopoptie was niet op Pos overgegaan, omdat verplichtingen uit een overeenkomst welke verband houden met een (onroerende) zaak niet overgaan op een opvolger onder bijzondere titel (vgl. het arrest Blaauboer- Berlips). De rechtsgevolgen van een overeenkomst gelden wel voor rechtverkrijgenden onder algemene titel (art. 6:249 BW). De erfgenamen van Brouwer konden hun verplichting echter niet meer nakomen, omdat de hoeve niet meer tot het vermogen van Brouwer behoorde. Zij waren daardoor wel aansprakelijk op grond van toerekenbare tekortkoming (art. 6:74 e.v. BW). Van den Bosch sprak Pos aan tot vergoeding van schade op grond van onrechtmatige daad.

De Hoge Raad oordeelde de handeling van Pos (het bewust pro!teren van de wanprestatie van Neeltje Brouwer of anders gezegd: het bewust inbreuk maken op een persoonlijk recht van Van den Bosch) onrechtmatig tegenover Van den Bosch en achtte daarvoor de volgende omstandigheden van belang:

Pos kende de koopoptie van Van den Bosch en kon begrijpen dat Van den Bosch groot nadeel zou lijden, indien het hem onmogelijk werd gemaakt daarvan gebruik te maken (kennis van het persoonlijk recht en bewustheid van het nadeel voor de ander).

Pos nam een bijzondere vertrouwenspositie in ten opzichte van Neeltje Brouwer.

Op grond van die positie kon hij invloed op haar uitoefenen (misbruik maken van een

vertrouwenspositie).

Van den Bosch had de rechter gevraagd Pos te veroordelen tot het overdragen van de hoeve aan Van den Bosch tegen de geschatte waarde. Het vergoeden van schade op grond van onrechtmatige daad geschiedt echter in beginsel door het betalen van een geldsom.

Schadevergoeding anders dan betaling van een geldsom

De Hoge Raad besliste daarop dat de rechter, op verzoek van de benadeelde en indien de rechter dit een passende vorm van schadevergoeding acht, de bedrijver van een onrechtmatige daad kan veroordelen ten behoeve van de benadeelde een andere prestatie te verrichten, welke geschikt is om de aangebrachte schade weg te nemen. Deze uitspraak is in artikel 6:103 BW gecodi!ceerd. 

15

Noem een ander voorbeeld van een arrest waarbij "onder omstandigheden " onrechtmatig werd gehandeld tegenover een derde?

Ook de koper van een (onroerende) zaak die, wetende dat zijn voorganger verplicht is een kettingbeding ten behoeve van een derde door te geven, die zaak koopt zonder dat kettingbeding in de overeenkomst op te nemen handelt onder omstandigheden onrechtmatig tegenover die derde (HR 17 mei 1985, NJ 1986, 760 Curaçao-Boye). 

In Curaçao-Boye werd een kettingbeding ten gunste van de erven Boye door de verkoper, de NV AR-CU, niet aan de koper, het Eilandgebied Curaçao, doorgegeven. De vraag die hier rees was of het Eilandgebied, door te pro!teren van de wanprestatie van AR-CU NV jegens de erven Boye, onrechtmatig handelde. Het hof oordeelde dat het Eilandgebied onrechtmatig jegens de erven Boye had gehandeld wegens de kenbaarheid van het beding uit de titel van aankomst en het dreigen van schade voor de erven Boye. De Hoge Raad vond dat het hof hiermee een werking toekende aan het beding, welke onverenigbaar was met het obligatoire karakter ervan.
De Hoge Raad besliste dat de vraag of het Eilandgebied onrechtmatig handelde en als gevolg daarvan verplicht was het beding te eerbiedigen, afhankelijk was van de omstandigheden van het geval, waaronder:

wetenschap van het beding door het Eilandgebied reeds bij aankoop van de grond en bewustheid van de strekking ervan

de ernst van het nadeel dat de erven Boye als gevolg van doorbreking van het beding zouden lijden en de voorzienbaarheid van dit nadeel op het moment van de koop

de mate waarin het Eilandgebied de wanprestatie van AR-CU NV had beïnvloed. (NB: dit is geen limitatieve opsomming!) 

16

Waar ligt de nadruk op in beide arresten?

De nadruk in beide arresten ligt op de regel dat zulk handelen onder omstandigheden onrechtmatig kan zijn.  

17

Wat is niet voldoende om eea onrechtmatig te laten zijn?

De enkele wetenschap van de derde dat zijn wederpartij bij de te sluiten overeenkomst door aldus overeen te komen, wanprestatie zal plegen in een eerder gesloten overeenkomst is niet voldoende. Evenmin als het enkele feit dat de derde van een dergelijke wanprestatie profijt trekt. Daarmee zou namelijk het verschil tussen zakelijke en persoonlijke rechten vervagen. 

18

Aanpassing bij koop registergoederen per 1 september 2003?

Per 1 september 2003 kan de koop van registergoederen worden ingeschreven in de openbare registers met derdenwerking (art. 7:3 BW). Inschrijving beschermt de koper tegen wanprestatie van de verkoper die na de koop onbelast levert aan een derde, tegen beslaglegging en tegen faillissement. 

19

Partijen moeten bij de uitvoering van het contract ook rekening houden met de belangen van derden.

Verklaar?

́Wanneer iemand zich contractueel heeft gebonden, waardoor de contractverhouding waarbij hij partij is in het rechtsverkeer een schakel is gaan vormen waarmee de belangen van derden, die aan dit verkeer deelnemen, in allerlei vormen kunnen worden verbonden, staat het hem niet onder alle omstandigheden vrij de belangen te verwaarlozen die derden bij de behoorlijke nakoming van het contract kunnen hebben (vgl. HR 3 mei 1946, NJ 1946, 323). 

20

Wat heeft de HR geoordeeld in het arrest Vleesmeesters Versman/ Alog?

Indien de belangen van een derde zo nauw zijn betrokken bij de behoorlijke uitvoering van de overeenkomst dat hij schade of ander nadeel kan lijden als een contractant in die uitvoering tekortschiet, kunnen de normen van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, meebrengen dat die contractant deze belangen dient te ontzien door zijn gedrag mede door die belangen te laten bepalen. Bij de beantwoording van de vraag of deze normen zulks meebrengen, zal de rechter de terzake dienende omstandigheden van het geval in zijn beoordeling dienen te betrekken, zoals de hoedanigheid van alle betrokken partijen, de aard en strekking van de desbetreffende overeenkomst, de wijze waarop de belangen van de derde daarbij zijn betrokken, de vraag of deze betrokkenheid voor de contractant kenbaar was, de vraag of de derde erop mocht vertrouwen dat zijn belangen zouden worden ontzien, de vraag in hoeverre het voor de contractant bezwaarlijk was met de belangen van de derde rekening te houden, de aard en omvang van het nadeel dat voor de derde dreigt en de vraag of van hem kon worden gevergd dat hij zich daartegen had ingedekt, alsmede de redelijkheid van een eventueel aan de derde aangeboden schadeloosstelling ́, aldus de HR in het arrest Vleesmeesters Versman/ Alog. 

Decks in Overeenkomstenrecht Class (63):