L2.5 - Opschortingsrechten; schuldeisersverzuim Flashcards Preview

Overeenkomstenrecht > L2.5 - Opschortingsrechten; schuldeisersverzuim > Flashcards

Flashcards in L2.5 - Opschortingsrechten; schuldeisersverzuim Deck (26):
1

Wat is een opschortingsrecht?

Een opschortingsrecht is de bevoegdheid die de schuldenaar heeft om de nakoming van zijn verbintenis op te schorten totdat zijn schuldeiser voldoet aan een opeisbare vordering die de schuldenaar op hem heeft (art. 6:52 BW). 

2

Waar vinden we opschortingsrechten?

Opschortingsrechten zijn in het gehele BW terug te vinden. Afdeling 6.1.7 bevat de algemene regels met betrekking tot opschortingsrechten.Voor de tegenover elkaar staande verplichtingen uit wederkerige overeenkomsten vinden wij een nadere uitwerking van de artikelen 6:52 e.v. BW in de artikelen 6:262-6:264 BW.

3

Retentierecht?

De bevoegdheid tot opschorting die betrekking heeft op de afgifte van een zaak wordt nader geregeld in de artikelen 3:290 e.v. BW, het zogenaamde retentierecht. 

4

Andere voorbeelden waarin de wet aan de schuldenaar een opschortingsrecht toekent, zijn ...?

Andere voorbeelden waarin de wet aan de schuldenaar een opschortingsrecht toekent, zijn artikel 6:117 BW (opschortingsrecht bij de betaling van een geldsom op een bezwaarlijke plaats) en artikel 6:37 BW (opschortingsrecht bij twijfel over de persoon aan wie moet worden betaald). Afdeling 6.1.7 is hierop niet rechtstreeks van toepassing. De bepalingen kunnen soms wel analoog van toepassing zijn.

5

Het BW kent naast het verzuim van de schuldenaar twee wijzen van ontstaan van schuldeisersverzuim?

Het BW kent naast het verzuim van de schuldenaar twee wijzen van ontstaan van schuldeisersverzuim, respectievelijk geregeld in artikel 6:58 en 6:59 BW  

6

Verhouding retentierecht (Afd. 3.10.4.)-opschortingsrechten (Afd. 6.1.7)?

Een retentierecht is de bij wet toegekende bevoegdheid om de nakoming van een verplichting tot afgifte van een zaak op te schorten.  

7

Gevallen waarin de wet een retentierecht toekent zijn?

• artikel 6:52 BW, het algemene opschortingsrecht. Afdeling 6.1.7 is echter alleen van toepassing voor zover daarvan in Afdeling 3.10.4 niet wordt afgeweken (art. 6:57 BW). Niet alle opschortingsrechten zijn retentierechten! Denk aan de bevoegdheid tot het opschorten van een andere verplichting dan tot afgifte van een zaak.

• overige wetsbepalingen, bijvoorbeeld de artikelen 3:120, derde lid, 3:205, derde lid, 5:10, eerste lid, BW enz. Deze retentierechten zijn geen opschortingsrechten ex artikel 6:52 BW, omdat in deze gevallen de verplichting tot afgifte van een zaak geen verbintenis is in de zin van Boek 6 BW. Enkel de bepalingen van Afdeling 3.10.4 zijn van toepassing. Afdeling 6.1.7 kan soms wel analoog van toepassing zijn. 

8

Vereisten voor opschortingsbevoegdheid?

Opschorting vereist dat de schuldenaar een opeisbare vordering heeft op zijn schuldeiser en dat er voldoende samenhang – connexiteit – bestaat tussen de opeisbare vordering en de verbintenis waarvan de schuldenaar de nakoming wil opschorten (art. 6:52, eerste lid, BW). Een zodanige samenhang kan onder meer worden aangenomen ingeval de verbintenissen over en weer voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding of uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan (art. 6:52, tweede lid, BW).

9

Artikel 6:52, eerste lid, BW biedt ruimte voor een genuanceerde toepassing. 
Verklaar?

Onderzocht moet worden of de samenhang tussen vordering en verbintenis deze opschorting rechtvaardigt. Zo kan de samenhang tussen vordering en verbintenis meebrengen dat de schuldenaar de nakoming van zijn verbintenis slechts gedeeltelijk kan opschorten.

10

Een schuldenaar die bevoegd is de nakoming van zijn verbintenis op te schorten, schiet wel/niet te kort in de nakoming van zijn verbintenis, zoals vereist in artikel. 6:74 BW en artikel 6:265 BW? 

Een schuldenaar die bevoegd is de nakoming van zijn verbintenis op te schorten, schiet niet te kort in de nakoming van zijn verbintenis, zoals vereist in artikel. 6:74 BW en artikel 6:265 BW. Een rechtsgeldige opschorting door de schuldenaar heeft dus tot gevolg dat de schuldeiser geen nakoming, schadevergoeding en ontbinding kan vorderen. 

11

Exceptio non adimpleti contractus?

Wanneer een partij bij een wederkerige overeenkomst haar verbintenis niet nakomt, dan is de wederpartij bevoegd de nakoming van haar daar tegenover staande verplichting op te schorten (art. 6:262, eerste lid, BW). Deze exceptio non adimpleti contractus (enac) is een toepassing van artikel 6:52, eerste lid, BW en stelt buiten twijfel dat er voldaan wordt aan het vereiste van voldoende samenhang in artikel 6:52, eerste lid, BW. Artikel 6:262, eerste lid, BW ziet slechts op de tegenover elkaar staande verbintenissen uit de wederkerige overeenkomst. Bij de koopovereenkomst staat tegenover de verplichting tot levering van de verkochte zaak de verplichting van de koper om de koopsom te betalen. Dat de verkoper een nevenverplichting uit de koopovereenkomst niet nakomt, bijvoorbeeld een garantieverplichting, rechtvaardigt niet zonder meer dat de koper betaling van de koopsom kan opschorten. Of in een dergelijk geval de koper betaling geheel of gedeeltelijk kan opschorten, moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:52, eerste lid, BW (niet door art. 6:262, eerste lid, BW nu geen sprake is van tegenover elkaar staande verbintenissen!). Er zal derhalve moeten worden onderzocht of er voldoende samenhang bestaat tussen de garantieverplichting en de betaling van de koopsom. 

12

In geval van gedeeltelijke of niet-behoorlijke nakoming is opschorting slechts toegelaten, voorzover ...?

In geval van gedeeltelijke of niet-behoorlijke nakoming is opschorting slechts toegelaten, voorzover de tekortkoming haar rechtvaardigt (art. 6:262, tweede lid, BW). Een tekortkoming van ondergeschikte betekenis rechtvaardigt een opschorting niet; een tekortkoming van meer gewicht kan een opschorting rechtvaardigen mits de opschorting geen grotere omvang aanneemt dan de niet- nakoming waartegen zij is gericht. 

13

Onzekerheidsexceptie?

Artikel 6:263 BW vult de opschortingsbevoegdheid uit artikel 6:52 BW aan. De artikelen 6:52 en 6:262 BW vereisen dat de opschortende schuldenaar een opeisbare vordering op zijn schuldeiser heeft. Artikel 6:263 BW kent aan een partij die verplicht is als eerste te presteren een opschortingsbevoegdheid toe, indien na het sluiten van de overeenkomst omstandigheden te zijner kennis komen, die hem goede grond geven te vrezen dat de wederpartij haar daartegenover staande verplichtingen niet zal nakomen (onzekerheidsexceptie). 

14

In drie gevallen mag de schuldenaar niet opschorten (art. 6:54 BW)?

voor zover de nakoming van de verbintenis van de wederpartij wordt verhinderd door schuldeisersverzuim (zie art. 6:58 e.v. BW).

voor zover de nakoming van de verbintenis van de wederpartij blijvend onmogelijk is.

voor zover op de vordering van de wederpartij geen beslag is toegelaten. 

15

Wat als er zekerheid is gesteld?

Zodra zekerheid is gesteld voor de nakoming van de verbintenis van de wederpartij, vervalt de bevoegdheid van de schuldenaar om de nakoming van zijn verbintenis op te schorten, tenzij deze voldoening daardoor onredelijk zou worden vertraagd (art. 6:55 BW). 

16

Artikel 6:55 BW wordt in artikel 6:264 BW niet van toepassing verklaard op de opschortingsrechten uit de artikelen 6:262 en 6:263 BW. 

Verklaar?

De afhankelijkheid van de wederzijdse hoofdverbintenissen uit een wederkerige overeenkomst kan niet door een zekerheidstelling worden doorbroken. Een zekerheidstelling is immers op verhaal van schadevergoeding in geld gericht. Bovendien wordt opschorting vaak gebruikt ter inleiding van ontbinding. Zou de bevoegdheid tot opschorting door de zekerheidstelling komen te vervallen, dan moet de schuldenaar presteren. 

17

Redelijkheid en billijkheid bij zekerheidsstelling?

Overigens kan zekerheidsstelling op grond van redelijkheid en billijkheid wel toelaatbaar zijn wanneer de onzekerheidsexceptie met het oog op de vermogenstoestand van de wederpartij wordt ingeroepen 

18

Andere uitzondering in art 7:27?

Artikel 7:27 BW bevat een andere uitzondering in geval van dreigende uitwinning of tot erkenning van een recht op de zaak dat daarop niet had mogen rusten. 

19

Wat indien de schuldeiser blijvend onmogelijk zijn verbintenis na kan komen?

Anders dan het opschortingsrecht uit artikel 6:52 BW komen de opschortingsrechten uit de artikelen 6:262 en 6:263 BW de schuldenaar ook toe wanneer het voor de schuldeiser blijvend onmogelijk is om zijn verbintenis jegens de schuldenaar na te komen (art. 6:264 BW). Een schuldenaar kan aldus zijn prestatie opschorten wanneer de wederpartij ten gevolge van overmacht zijn verbintenis niet kan nakomen. Wederkerige overeenkomsten kunnen immers ook worden ontbonden wanneer de wederpartij door overmacht niet kan nakomen (zie art. 6:265 BW). Voorafgaand aan ontbinding wordt in de praktijk vaak gebruik gemaakt van de opschortingsbevoegdheid uit artikel 6:262 BW. 

20

Mag de rechter het opschortingsrecht ambtshalve toepassen?

Opschorting is een bevoegdheid van de schuldenaar, de rechter mag het opschortingsrecht niet ambtshalve toepassen.  

21

Leidt opschorting tot het vervallen van de verbintenis van de opschortende partij. 

Opschorting leidt op zichzelf niet tot het vervallen van de verbintenis van de opschortende partij. Een opschorting is slechts een tijdelijke maatregel en de opschortende partij moet kiezen of hij wegens wanprestatie van de wederpartij de overeenkomst wenst te ontbinden, dan wel of hij de overeenkomst in tact wil laten en nakoming of schadevergoeding verlangt, zo blijkt uit HR 19 februari 1988, NJ 1989, 343 (Droog-Bekaert).

22

Vervolgens(Na Droog Bekaert) rees de vraag wanneer en op welke wijze de keuze voor ontbinding of nakoming moet worden gemaakt.?

ervolgens rees de vraag wanneer en op welke wijze de keuze voor ontbinding of nakoming moet worden gemaakt. Moet degene die zijn prestatie heeft opgeschort en in rechte tot nakoming wordt aangesproken de keuze voor ontbinding of nakoming bij eis van reconventie instellen? Uit HR 23 september 1994, NJ 1995, 26 (Dinjens-Visser) blijkt dat de Hoge Raad voldoende acht dat de schuldenaar die zich op artikel 6:262 BW wenst te beroepen, in de processtukken te kennen geeft de exceptie niet te willen gebruiken als een middel om van haar verplichting bevrijd te worden, maar als een middel om uitstel van haar prestatieplicht te verkrijgen. De opschortende partij hoeft dus in rechte geen vordering tot nakoming in te stellen, maar wel duidelijk te kennen geven alsnog nakoming van de wederpartij te verlangen. Voor opschorting is echter geen voorafgaande ingebrekestelling vereist (HR 8 maart 2002, NJ 2002, 199 Meubelfabriek Limburg-Peters).

23

Wat met betrekking tot de beveogdheid van de huurder tot opschorting in geval van gebreken aan het gehuurde?

De bevoegdheid van de huurder tot opschorting in geval van gebreken aan het gehuurde bestaat uitsluitend voor wat betreft de periode nadat hij de verhuurder van de gebreken op de hoogte heeft gesteld. Een en ander is slechts anders indien de huurder stelt en bewijst dat de verhuurder reeds in voldoende mate met de gebreken bekend was om tot het nemen van maatregelen over te kunnen gaan (HR 6 juni 1997, NJ 1998, 128 Van Bommel-Ruijgrok). 

24

Schuldeisersverzuim?

Verzuim van de schuldeiser levert voor de schuldenaar een niet-toerekenbare verhindering van nakoming op. Deze vorm van overmacht van de schuldenaar heeft ten gevolge dat gedurende het schuldeisersverzuim de schuldeiser geen nakoming en ontbinding (art. 6:266 BW) kan vorderen en de schuldenaar in beginsel niet tot schadevergoeding verplicht is. 

25

Op het uitgangspunt dat de schuldenaar niet schadeplichtig is, bestaan twee uitzonderingen?

Voor zover deugdelijke nakoming in de toekomst nog mogelijk is, dient de schuldenaar de nodige zorg in acht te nemen teneinde deze mogelijkheid te bewaren; schiet hij in deze zorg te kort, dan is hij voor de daaruit voortvloeiende schade van de schuldeiser aansprakelijk (art. 6:64 BW)

De schuldenaar kan uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking tot schadevergoeding verplicht zijn, voor zover hij in verband met zijn tekortkoming een voordeel geniet dat hij bij behoorlijke nakoming niet zou hebben gehad (art. 6:78 BW). 

Voorbeeld

De verkoper van een paard heeft gedurende de tijd dat de koper weigerde het paard op te halen, het paard voor paardrijlessen verhuurd. 

26

Wat als de schuldeiser contractueel verplicht is om zijn medewerking te verlenen?

NB: is de schuldeiser contractueel verplicht om zijn medewerking te verlenen, dan is hij ten aanzien van die verbintenis schuldenaar en kan zijn wederpartij ontbinding en/of schadevergoeding op grond van toerekenbare tekortkoming vorderen, wanneer de schuldeiser zijn medewerking niet verleent. 

Decks in Overeenkomstenrecht Class (63):