L5: Handelingsbekwaamheid en de overeenkomst in strijd met de wet, goede zeden of openbare orde Flashcards Preview

Overeenkomstenrecht > L5: Handelingsbekwaamheid en de overeenkomst in strijd met de wet, goede zeden of openbare orde > Flashcards

Flashcards in L5: Handelingsbekwaamheid en de overeenkomst in strijd met de wet, goede zeden of openbare orde Deck (31):
1

Het rechtsbegrip ‘obligatoire overeenkomst’ heeft een januskop ?

enerzijds duidt deze term op de afspraak (rechtshandeling) die partijen met elkaar maken, anderzijds duidt de term op de rechtsverhouding die door de wilsverklaringen van partijen is ontstaan. De in de titels 3.2 en 6.5 gestelde vereisten kunnen dan ook worden verdeeld in vereisten betreffende de totstandkoming van de overeenkomst (de overeenkomst als handelingsbegrip, bijv. in geval van handelingsonbekwaamheid) en vereisten betreffende de inhoud van de overeenkomst (de overeenkomst als rechtsverhouding, bijv. in geval van strijd met de wet). 

2

Naast deze dogmatische onderverdeling is het door de wet gemaakte onderscheid tussen nietige en vernietigbare rechtshandelingen van belang. 

Verklaar?

 

Een rechtshandeling is van rechtswege nietig als de wet het door partijen beoogde rechtsgevolg daaraan zonder meer ontzegt.

VBB:

Een koopovereenkomst betreffende een huis, gesloten door een rechter terwijl met betrekking tot het desbetreffende huis een rechtsgeding aanhangig is in het rechtsgebied waarin de rechter zijn ambt uitoefent, is ingevolge artikel 3:43 BW nietig. De rechter is handelingsonbevoegd.

Een overeenkomst tot verkoop van verrijkt uranium aan Iran is ingevolge artikel 3:40, eerste lid, BW nietig. De wet verbiedt dergelijke exportcontracten. 

In geval van vernietigbaarheid is er een geldige rechtshandeling tot stand gekomen, maar de benadeelde wederpartij heeft de keuzevrijheid om de rechtshandeling al dan niet te vernietigen.

 

Een overeenkomst, gesloten onder invloed van bedreiging, bedrog, misbruik van omstandigheden of dwaling, is ingevolge artikel 3:44 en artikel 6:228 BW vernietigbaar. Een overeenkomst, gesloten door een schuldenaar, waardoor de verhaalspositie van de schuldeisers (zie art. 3:276 BW) wordt benadeeld, is ingevolge artikel 3:45 BW onder omstandigheden vernietigbaar (de zgn. actio Pauliana). 

3

Handelingsonbekwaam ?

Handelingsonbekwaam is degene die voor zichzelf geen onaantastbare rechtshandelingen kan aangaan 

4

Handelingsonbekwaam: voorbeelden?

Minderjarigen (art. 1:234 BW) en onder curatele gestelden (art. 1:378 BW) zijn handelingsonbekwaam. 

5

Handelings(on)bekwaamheid moet worden onderscheiden van ?

Handelings(on)bekwaamheid moet worden onderscheiden van beschikkings(on)bevoegdheid, handelings(on)bevoegdheid en feitelijke (on)bekwaamheid.  

6

Beschikkingsbevoegd ?

Beschikkingsbevoegd (een begrip uit het goederenrecht, art. 3:84 BW) geeft aan dat een rechtssubject bevoegd is een goed aan een ander over te dragen (te vervreemden) of het goed met een beperkt recht te bezwaren. 

VBB:

Is A eigenaar (art. 5:2 BW) van een caravan dan is A beschikkingsbevoegd om deze zaak aan B over te dragen (d.w.z.: te vervreemden, art. 3:84 BW) dan wel ten behoeve van B op de caravan een recht van vruchtgebruik te vestigen (d.w.z.: te bezwaren, art. 3:98 BW). 

7

Handelingsonbevoegdheid ?

Handelingsonbevoegd (art. 3:43 BW) is degene aan wie de wet het aangaan van bepaalde overeenkomsten (verrichten van bepaalde rechtshandelingen) verbiedt. 

8

Feitelijke onbekwaamheid ?

Feitelijk onbekwaam is degene die niet in staat is om zijn wil te bepalen. Feitelijke onbekwaamheid als gevolg van een geestelijke stoornis kan leiden tot aantastbaarheid van de rechtshandeling op grond van artikel 3:34 BW (eventueel gecorrigeerd door art. 3:35 BW). 

9

Nietig en vernietigbaar bij handelingsonbekwaam?

De door een handelingsonbekwame verrichte rechtshandeling is vernietigbaar (art. 3:32, tweede lid, BW). Een ongerichte eenzijdige rechtshandeling van een onbekwame is nietig. Artikel 3:32 BW beoogt de handelingsonbekwame te beschermen. De wet (artt. 3:50 en 51 BW) kent de bevoegdheid tot vernietiging dan ook enkel toe aan degene in wiens belang de vernietigingsgrond bestaat. De wederpartij van de handelingsonbekwame kan zich dus nooit op artikel 3:32 BW beroepen. 

10

Onbekendheid met handelingsonbekwaamheid?

Bij een overeenkomst met een geestelijk gestoorde die niet handelingsonbekwaam is, is juist relevant of de wederpartij heeft begrepen of heeft moeten begrijpen dat de verklaring van de geestelijk gestoorde niet overeenkwam met zijn werkelijke wil (artt. 3:33-35 BW).
Voor het welslagen van een beroep op artikel 3:32 BW is niet relevant of de wederpartij wist of kon weten dat hij met een handelingsonbekwame te maken had. In geval van onbekwaamheid gaat bescherming van de onbekwame voor de eisen van het economisch verkeer. 

11

Rechtsgevolgen van vernietiging ?

Vernietiging van de overeenkomst op grond van handelingsonbekwaamheid heeft terugwerkende kracht (art. 3:53 BW). Voor zover de uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenissen nog niet zijn nagekomen, worden zij geacht nooit te hebben bestaan. Voor zover de verbintenissen wél reeds zijn nagekomen, is deze nakoming (betaling) zonder rechtsgrond verricht. Onverschuldigd verrichte prestaties moeten ongedaan worden gemaakt (art. 6:203 BW). Zou men bij handelingsonbekwaamheid deze regel echter onverkort toepassen, dan zou de onbekwame niet worden beschermd.

Voorbeeld

Minderjarige M koopt een kostbare jetski. De jetski wordt hem geleverd en hij betaalt een deel van de koopprijs. Als de minderjarige het restant van de koopprijs niet betaalt, stelt de verkoper een vordering tot nakoming in. De vader van M vernietigt daarop de koopovereenkomst. Op de verkoper rust op grond van artikel 6:203 BW de verplichting het betaalde deel van de koopsom terug te betalen, op de minderjarige rust de plicht de jetski terug te geven. Zou de jetski inmiddels (vóór vernietiging van de overeenkomst) door nonchalance van M zijn gestolen, dan zou M schadevergoeding moeten betalen op grond van toerekenbare tekortkoming van zijn ongedaanmakingsverplichting (art. 6:203 j° 6:74 BW). Het bedrag van die schadevergoeding zou gesteld moeten worden op de waarde van de jetski. De minderjarige zou dan via een omweg toch met de !nanciële gevolgen van zijn rechtshandeling worden geconfronteerd. 

12

Beperkte ongedaanmakingsverplichting ?

Om die reden bepaalt artikel 6:209 BW dat op de handelingsonbekwame slechts een ongedaanmakingsverplichting komt te rusten, indien het ontvangene hem tot werkelijk voordeel heeft gestrekt of in de macht van zijn wettelijk vertegenwoordiger is gekomen. Deze doorwerking van de beschermingsgedachte van handelingsonbekwamen treffen wij ook aan in de artikelen 6:31 en 6:276 BW.

Bij de zinsnede ‘tot werkelijk voordeel heeft gestrekt’ moet men denken aan gevallen dat de prestatie nog in het vermogen van de onbekwame aanwezig is of tot zijn nut is aangewend.

Dat M enige tijd het genot van de jetski heeft gesmaakt, betekent niet dat de prestatie hem tot werkelijk voordeel heeft gestrekt. Er is dan ook geen sprake van een ongedaanmakingsverplichting van M: de jetski is feitelijk niet meer in het vermogen van M en de prestatie is evenmin tot zijn nut aangewend. Dat de jetski door nonchalance van M niet meer kan worden teruggegeven, is hierbij niet relevant. Indien de nonchalance van de minderjarige zich echter heeft voorgedaan in een periode waarin M redelijkerwijze met een verplichting tot teruggave van het goed rekening diende te houden, kan aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) ontstaan (zie PG Boek 6, blz. 816). 

13

Op het uitgangspunt dat minderjarigen handelingsonbekwaam zijn, kent de wet uitzonderingen .Welke?

 

artikel 1:235 BW (handlichting door de kantonrechter). De belangrijkste uitzondering is te vinden in artikel 1:234, eerste lid, BW (toestemming van de wettelijk vertegenwoordiger). Toestemming kan slechts voor een bepaalde rechtshandeling of voor een bepaald doel worden verleend (art. 1:234, tweede lid, BW). De wettelijk vertegenwoordiger kan vooraf of naderhand (art. 3:55 BW) toestemming verlenen. Toestemming kan ook stilzwijgend worden verleend (art. 3:37 BW), bijvoorbeeld indien de wettelijk vertegenwoordiger op de hoogte is van de rechtshandeling maar zich daar niet actief tegen verzet. 

14

Artikel 1:234, derde lid, BW ?

Artikel 1:234, derde lid, BW werkt het toestemmingsvereiste nader uit: toestemming wordt aan de minderjarige verondersteld te zijn verleend, indien het een rechtshandeling betreft ten aanzien waarvan in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is dat minderjarigen van zijn leeftijd deze zelfstandig verrichten. Voorbeelden zijn het kopen van levensmiddelen en een strippenkaart.
De omvang van de uit de rechtshandeling voortvloeiende #nanciële verplichting in verhouding tot het inkomen van de minderjarige, is een belangrijke factor bij de vaststelling of het maatschappelijk gebruikelijk is dat een minderjarige een bepaalde rechtshandeling zelfstandig verricht.

15

Mag van een veronderstelde toestemming worden uitgegaan?

Van een veronderstelde toestemming mag echter niet worden uitgegaan, indien blijkt dat de wettelijk vertegenwoordiger bezwaar maakt tegen de rechtshandeling van de minderjarige, ook al gaat het om een voor iemand van die leeftijd maatschappelijk gebruikelijke rechtshandeling. Bij meer omvangrijke transacties is het voor een wederpartij, die twijfelt of de rechtshandeling maatschappelijk gebruikelijk is, dan ook verstandig om (schriftelijke) toestemming van de wettelijk vertegenwoordiger te verkrijgen. 

16

Vernietiging van de rechtshandeling door de wettelijke vertegenwoordiger?

Handelingsonbekwamen worden bij het verrichten van vermogensrechtelijke rechtshandelingen en het optreden in rechte vertegenwoordigd door een wettelijk vertegenwoordiger, bij minderjarigen de ouders of de voogd (art. 1:247, resp. 1:337 BW), bij onder curatele gestelden (curandi) de curator (zie de artt. 1:378 e.v. BW). Omdat de handelingsonbekwame in of buiten rechte niet zelfstandig kan optreden, moet in zijn naam het beroep op de vernietigingsgrond door zijn wettelijk vertegenwoordiger worden gedaan. Na beëindiging van de handelingsonbekwaamheid kan de eertijds onbekwame zelf een beroep doen op de vernietigingsgrond met betrekking tot eerder door hem gesloten overeenkomsten. Hierbij gelden wel verjaringstermijnen (zie art. 3:52, eerste lid, sub a, BW). 

17

Geen verhaalsaansprakelijkheid van de wettelijke vertegenwoordiger
De ouders zijn gezamenlijk de wettelijke vertegenwoordigers van een minderjarige, indien het om het vermogen van het kind gaat (zie art. 1:247 BW)?

De ouders (voogd) en de curator beheren ook het vermogen van hun kind (pupil), respectievelijk curandus. Zij moeten ervoor zorgen dat de handelingsonbekwame zijn verplichtingen nakomt, bijvoorbeeld zorgen dat de koopprijs betaald wordt uit het vermogen van de minderjarige. De handelingsonbekwame is dus wel de schuldenaar of schuldeiser van de verbintenissen die voortvloeien uit de namens hem verrichte rechtshandelingen. De wettelijk vertegenwoordiger is nimmer uit eigen hoofde (met zijn eigen vermogen) gehouden tot betaling van de vorderingen die voortvloeien uit de door de minderjarige aangegane rechtshandelingen 

 

Wordt door vader V in naam van zijn minderjarige zoon M een huis gekocht, dan is M contractspartij, dat wil zeggen: de koper van het huis. Koopt M zelf een huis, dan komt er een rechtsgeldige maar aantastbare overeenkomst tot stand. Doet vader V geen beroep op de handelingsonbekwaamheid, dan is M degene die recht heeft op overdracht van het huis en de plicht heeft de koopprijs te betalen. 

18

In HR 21 oktober 1988, NJ 1989, 411 is beslist dat ?

In HR 21 oktober 1988, NJ 1989, 411 is beslist dat een ouder in rechte ook als vertegenwoordiger van de minderjarige optreedt. De verkoper die betaling van de koopsom wenst, zal de wettelijk vertegenwoordiger moeten dagvaarden. Een eventueel veroordelend vonnis kan echter niet tegen de wettelijk vertegenwoordiger ten uitvoer gelegd worden, doch alleen tegen de handelingsonbekwame. Bij een veroordelend vonnis moet de wettelijk vertegenwoordiger ervoor zorgen dat de minderjarige zijn verbintenissen nakomt, bijvoorbeeld door in naam van de minderjarige uit diens vermogen te betalen. Heeft de minderjarige geen vermogen, dan kan de crediteur zijn vordering niet op

Wordt door vader V in naam van zijn minderjarige zoon M een huis gekocht, dan is M contractspartij, dat wil zeggen: de koper van het huis. Koopt M zelf een huis, dan komt er een rechtsgeldige maar aantastbare overeenkomst tot stand. Doet vader V geen beroep op de handelingsonbekwaamheid, dan is M degene die recht heeft op overdracht van het huis en de plicht heeft de koopprijs te betalen.

zijn debiteur verhalen. Natuurlijk bestaat de mogelijkheid dat de minderjarige op latere leeftijd wel vermogen verwerft. Als de vordering dan nog niet verjaard is (art. 3:310 BW), kan de schuldeiser alsnog verhaal op zijn nu meerderjarige schuldenaar zoeken. 

19

begaat een minderjarige onder de veertien jaar een hem toerekenbare onrechtmatige daad (geen rechtshandeling maar een feitelijk handelen), dan ?

begaat een minderjarige onder de veertien jaar een hem toerekenbare onrechtmatige daad (geen rechtshandeling maar een feitelijk handelen), dan zijn de ouders wel aansprakelijk voor de verbintenis tot vergoeding van de daaruit voortvloeiende schade (art. 6:164 BW). Pleegt een minderjarige van veertien of vijftien jaar oud een hem toerekenbare onrechtmatige daad, dan is het mogelijk dat zijn ouders daarnaast ook uit eigen hoofde gehouden zijn tot vergoeding van schade (zie art. 6:169, tweede lid, BW). Voor de schade welke het gevolg is van onrechtmatige daden die aan minderjarigen van zestien en zeventien jaar kunnen worden toegerekend zijn de ouders nooit aansprakelijk. Voor onder curatele gestelden geldt dat de omstandigheid dat een als een doen te beschouwen gedraging van een persoon van veertien jaar en ouder is verricht onder invloed van een geestelijke of lichamelijke tekortkoming, geen beletsel is haar als een onrechtmatige daad aan de dader toe te rekenen (art. 6:165 BW). Degene die als gevolg van een onrechtmatige daad van een handelingsonbekwame schade lijdt, wordt dus beter beschermd dan de wederpartij/geadresseerde bij een rechtshandeling. 

20

Vormvoorschriften rechtshandelingen?

Het verrichten van een rechtshandeling is in beginsel niet aan vormen gebonden (art. 3:37, eerste lid, BW). Een overeenkomst komt tot stand door de enkele wilsovereenstemming (consensus) van partijen. Aanbod en aanvaarding zijn in beginsel vormvrije rechtshandelingen.  

21

Uitzondering op vormvrijheid?

Sinds 1 september 2003 moet de koop van een tot bewoning bestemde onroerende zaak of bestanddeel daarvan schriftelijk worden aangegaan, indien de koper een natuurlijk persoon is die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf (art. 7:2, eerste lid, BW). 

22

Rechtshandelingen die niet in de voorgeschreven vorm zijn verricht, zijn ?

Rechtshandelingen die niet in de voorgeschreven vorm zijn verricht, zijn nietig (art. 3:39 BW). Uit de term ‘voortvloeit’ in artikel 3:39 BW blijkt dat overtreding van het vormvoorschrift niet altijd tot nietigheid van rechtswege leidt. Beoogt het vormvoorschrift de belangen van een van de partijen (de zwakkere partij) te beschermen, dan kan uitsluitend de partij in wiens belang het vormvoorschrift is gesteld zich op de vernietigbaarheid beroepen. 

23

Overeenkomsten via electronische weg tot stand gekomen?

Uit het consensualisme volgt dat overeenkomsten in het algemeen ook via elektronische weg tot stand kunnen komen. Aanbod en aanvaarding kunnen bijvoorbeeld per e-mail worden gedaan. Ook overeenkomsten waarvoor uit de wet een schriftelijk vormvereiste voortvloeit kunnen langs elektronische weg tot stand

komen indien aan de vereisten van artikel 6:227a BW wordt voldaan. Zie echter de uitzonderingen in het tweede en derde lid. 

24

Bij de vraag of een overeenkomst strijdig is met de wet, de goede zeden of de openbare orde, dient men te onderscheiden tussen: ?

het aangaan ofwel de totstandkoming van de overeenkomst

de inhoud van de overeenkomst ofwel de prestaties waartoe de overeenkomst

partijen verplicht

de strekking van de overeenkomst ofwel de uitvoering daarvan. 

25

Treedt de wetgever soms pro-actief op?

de wet regelt soms de civielrechtelijke gevolgen van overtreding door de in strijd met het verbod aangegane overeenkomst nietig te verklaren (zie bijv. de gevolgen van handelingsonbevoegdheid in art. 3:43 BW). Toepassing van het algemene artikel 3:40 BW komt dan niet aan de orde. 

26

Schema voor toetsing van een overeenkomst aan strijd met de wet, de goede zeden of de openbare orde volgens artikel 3:40 BW ?

Strijd met/situatie   Aangaan   Inhoud   Strekking

wet                           40.2&3     40.11        40.11

Goede zeden           40.12          40.1         40.1

Openbare orde        40.12          40.1         40.1

Cursief = niet uitdrukkelijk in de wet geregeld

1) Toetsing aan strijd met openbare orde, omdat art 40 leden 2 & 3 BW slechts op het aangaan van een overeenkomst in strijd met de wet ziet

2) Indien het aangaan van een overeenkomst in strijd met de wet , de goede zeden of de openbare orde is, zal meestal aangenomen kunnen worden dat ook de inhoud of strekking van de rechtshandeling daarmee in strijd is.


 

27

Nietigheid op grond van art. 101 EU-Verdrag ?

Artikel 101, eerste lid, EU-Verdrag verbiedt onder meer alle overeenkomsten tussen ondernemingen die de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of tot gevolg hebben dat de mededinging in de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Het tweede lid van artikel 101 EU-Verdrag verklaart dergelijke verboden overeenkomsten van rechtswege nietig. Volgens het Europese Hof van Justitie vormt artikel 101 een fundamentele bepaling die onontbeerlijk is voor de vervulling van de taken van de Europese Unie en in het bijzonder voor de werking van de interne markt. Artikel 101 is volgens het Europese Hof dan ook van openbare orde. De gevolgen van deze nietigheid worden niet bepaald door het BW maar door het Europese recht  

28

Omschrijf arrest Ouder in rechte?


Ouder in rechte HR21-10-1988, NJ 1989, 411 
WB 104, 113 
De ouder treedt in rechte ook op als vertegenwoordiger van de minderjarige. 
 

29

Omschrijf arrest Parkeerexploitatie - Amsterdam?


Parkeerexploitatie-Amsterdam HR 07-04-2000, NJ 2000, 652 
WB 114 TB 154, 155 
Gemeente tracht deel van de openbare weg aan het verkeer te onttrekken door het te 
verhuren aan parkeerexploitatie. 
I. C. was niet het sluiten van de huurovereenkomst i. S. m. De wegenwet, maar verplichtte de 
overeenkomst de gemeente tot een prestatie die i. S. m. De wegenwet was, namelijk het ter 
beschikking stellen van een gedeelte van de openbare weg als afgesloten en bewaakt 
terrein. De inhoud van de overeenkomst is strijdig met de wet en derhalve met de 
openbare orde, 3 : 40 lid 1. 

30

Omschrijf arrest Burgman - Aviolanda?


Burgman-Aviolanda HR 11-05-1951, NJ 1952, 128 
WB 115 (WB2 276) TB 156 
als een overeenkomst verplicht tot een prestatie die weliswaar niet rechtstreeks verboden 
is, maar zal leiden tot ongeoorloofde uitvoeringshandelingen, is de overeenkomst nietig, 
mits beide partijen bij het aangaan ervan de bedoeling hebben of zich ervan bewust zijn, 
dat nakoming zal leiden tot de overtreding van het wettelijk verbod. In zo'n geval heeft 
de overeenkomst een verboden strekking en is naar huidig recht 0. g. V. Art. 3 : 40 lid 
nietig. Indien slechts een van de partijen hiervan op de hoogte is, is er sprake van een 
geldige overeenkomst. 

31

Omschrijf arrest Sibelot-Lamet/Bordeelverbod?


Sibelot-Lamet / Bordeelverbod HR 02-02-1990, NJ 1991, 265 
WB 115 TB 157 
De verkoopovereenkomst met betrekking tot een bordeel, kan nietig zijn wegens 
rechtstreekse strijd met de goede zeden. Dit kan bijv. Het geval zijn, indien het uitbuiting 
van de prostituees of ander misbruik in de hand zou werken. 
 

Decks in Overeenkomstenrecht Class (63):